| |
|
Uit: Ravage #297/298 van 17 dec 1999
Zwaargewond en ligt op sterven. "Wie heeft deze moordaanslag op zijn geweten?" zo luidt de vraag in een samenleving die geobsedeerd is door het zoeken naar zondebokken. In zijn boekgeworden afstudeerscriptie Politicide. De moord op de politiek in de Franse filosofie wijst de jonge historico-wijsgeer Luuk van Middelaar de beschuldigende vinger naar drie generaties, door de Russische immigrant Alexandre Kojève opgevoede, Franse filosofen.
"Hoe kan het," vraagt Van Middelaar zich in een gebrekkige stijl af, "dat zij vrijwel allen vergaten dat het feit dat zij überhaupt konden en mochten denken was te danken aan de democratie?" En waarom raken Franse filosofen in staat van verwarring als zij een stemadvies moeten uitbrengen? Hoe komt het dat Les Philosophes klem zijn geraakt tussen terrorisme en machteloosheid? Prangende vragen voor een verlichtingsdenker die handelt in bedorven diepvriesmaaltijden uit de sociaaldemocratische keuken. Aan de hand van een reis door Quartier Latin en omgeving wil Van Middelaar deze vragen beantwoorden. Hij brengt de lezer in aanraking met de beroemde collega's en navolgers van Kojève, die in de jaren dertig zijn fameuze colleges gaf aan de Parijse École Pratique des Hautes Études. Onderweg ontmoeten we Jean-Paul Sartre wiens denkexcercitie eindigde in de Goelag-archipel, de freudomarxistische sjamaan Jacques Lacan, Michel Foucault die volgens Van Middelaar veel te negatief was over het Westen dat door deze machtsarcheoloog werd vergeleken met een grote gevangenisarchipel (wie afgelopen november de rooksignalen over de War on Drugs bij De Nieuwe Wereld van VPRO heeft gezien, weet hoe helderziend Foucault was) en Gilles Deleuze wiens denken over verlangenmachines volgens de auteur "weerzinwekkende" politieke consequenties heeft. Natuurlijk ontbreekt ook Burger Kingfilosoof Francis Fukuyama niet, die naar eigen zeggen het liefst een nucleaire strategie zou hanteren om het ondermijnde denken aan de boorden van de Seine uit te roeien. In volle glorie laat Van Middelaar zijn eruditie schijnen. Dit leverde hem de prestigieuze Prix de Paris op. Het is vooral knap dat hij de dader van de bijna perfecte moord vakkundig mijdt. Is het niet zo dat de eerste moordaanslag in 1960 plaatsvond? Niet in het Parijs van Sartre, maar in de Verenigde Staten van NBC, ABC en andere televisiezenders. In dat jaar vond het eerste politieke televisiedebat plaats. John F. Kennedy kwam er als winnaar uit tevoorschijn, terwijl de radioluisteraars de voorkeur gaven aan Richard Nixon wiens grimeuse destijds een dagje vrij scheen te hebben gehad. Televisie heeft de politiek volkomen geperverteerd. Dat is een van de redenen waarom de Franse filosofen naar andere wegen zochten om politiek te bedrijven. Men neme de 'weerzinwekkende' micropolitiek van Deleuze. Ten behoeve van de originaliteit komt Van Middelaar op het einde van zijn betoog aanzetten met de Franse filosoof Claude Lefort, die kort na de Tweede Wereldoorlog het linkse tijdschrift Socialisme ou Barbarie oprichtte. Deze antistalinist richtte zijn aandacht op hoe de politiek in de praktijk, met al zijn onvolkomenheden functioneert. Tegenstellingen tussen verschillende belangenorganisaties vormen de basis van de democratie. Inderdaad is democratie de enige staatsvorm die dergelijke conflicten duldt, maar Van Middelaar rept met geen woord over de prominente rol van media daarbij, over de promotie van de politiek naar de eredivisie van het amusement, over de verhuizing van de politiek naar Hilversum. Rote Armee Fraktion
Wat maatschappelijke tegenstellingen en de moord op de democratie betreft, is het Duitsland van de jaren zeventig een veel interessanter gebied om naar te kijken. Daar was een burgeroorlog gaande tussen de overheid en de Rote Armee Fraktion (RAF). Dit was een hevige nawee van de Tweede Wereldoorlog die Duitsland had veranderd in een open zenuw. Vele hoge posten in een veramerikaniserend Duitsland werden bekleed door oude nazi's die dankzij een vrijmoedige Konrad Adenauer hun carrière weer konden oppakken. Het ontstaan van een militante tegenbeweging was een kwestie van tijd en uiteindelijk fungeerde 'Vietnam' als een straaltje jodium dat het gewonde lichaam hevig deed schokken. De RAF werd geboren. Denkers uit kritiek op beide partijen, maar richt zijn pijlen voornamelijk op het onredelijke en emotionele optreden van de staat. "De politie solidariseert zich, schiet uit haar rol en laat alle strafprocessuele remmen vaak los. (...) In die zin vormen de politie en justitie, bij schending van aan hen gestelde normen, een groter sociaal probleem dan de terroristische organisatie." Bijkomend probleem was dat de RAF, in tegenstelling tot de IRA of ETA, geen politieke tak had. Het onbegrip van de staat en de weigering om te kijken naar de motieven van de RAF beleefde een hoogtepunt bij een rechtszaak tegen Ulrike Meinhof, één van de vele vrouwen bij deze "feministische-emancipatiebeweging", zoals de RAF door sommigen gezien werd. Bij de aanvang van een doorsnee zittingsdag nam Meinhof het woord om duidelijk te maken dat zij de banden met de beweging wilde verbreken. Voor een RAF-lid was dat de meest radicale stap die je kon maken. Rechter Prinzing negeerde deze beladen mededeling en ontnam Meinhof het woord. Onder meer naar aanleiding van dit incident merkt Denkers op dat RAF-leden geen enkele mogelijkheid kregen om uit de beweging te stappen. Dat wijsheid met de jaren komt, bewees Helmut Schmidt die als bondskanselier indertijd een nietsontziende houding aannam. Eind jaren tachtig verklaarde hij opeens: "Die jongens en meisjes van de Baader-Meinhof-groep, dat zijn geen figuren die op een zaterdagavond uit verveling een voorbijganger doodslaan. Die hebben een filosofie, een standpunt. Als politicus ben je daar nieuwsgierig naar want dit waren mensen die ik met woorden niet wist te overtuigen." Het toenmalige hoofd van het Bundeskriminalamt, Herold, ging nog verder en zei naderhand over Andreas Baader: "Ik had hem lief." Dit vormt de opmaat voor de kern van het boek, waarvan de bron in Amsterdam-West ligt. Daar vond in 1977 een schietpartij plaats tussen twee rechercheurs en twee topfiguren uit de RAF. Een van hen gooide zelfs een handgranaat richting een van de twee 'zwijnen', de gebruikelijke benaming van politieagenten binnen RAFkringen. De twee RAF-leden Christof Wackernagel en Gert Schneider werden na een lang proces veroordeeld tot vijftien jaar. Verrader Direct na de uitspraak vroeg een van de twee rechercheurs die als getuigen aanwezig waren, Herman van Hoogen, aan een advocaat "wat voor kansen die jongens nog hebben". De bewuste advocaat dacht aan deze woorden toen hij zeven jaar later een brief schreef naar Van Hoogen om zijn mening te vragen over een verzoek tot vervroegde invrijheidstelling van de twee, die inmiddels hun banden met de RAF hadden verbroken. Tot verrassing van de advocaat en zijn cliënten stemde Van Hoogen, die na de schietpartij altijd last heeft blijven houden van een gevoelloze arm, toe. De Amsterdammer reisde naar de gevangenis en bleef contact onderhouden met de twee veroordeelden. Zijn dochter had hem vanaf het begin voorgehouden dat "ze niet op hem hadden geschoten, maar op zijn functie". Als de twee in 1988 vervroegd vrijkomen, staat Van Hoogen met bloemen bij de uitgang van de gevangenis, een door free-lance journalist Cees Grimbergen gefilmd gebaar dat mocht rekenen op tegenstrijdige reacties. Deze zijn genventariseerd door Denkers, algemeen adviseur bij Amsterdam-Amstelland en als ethicus werkzaam bij de Katholieke Universiteit Nijmegen. Zo komt er een theoloog aan het woord die bij het lezen van dit verhaal moest denken aan soldaten van elkaar bestrijdende partijen die na de oorlog samen herinneringen ophalen. De burgemeester van Nijmegen vindt dat Van Hoogen eigenlijk iets gewoons heeft gedaan dat in onze wereld ongewoon geworden is. Anderen zijn minder enthousiast en noemen Van Hoogen een "koele kikker", een "macho" of een "verrader". Zijn collega die bij de schietpartij aanwezig was, wil het liefst geld zien van de Duitsers. Weinig hoopgevend is ook de reactie van aspirant-agenten, die vinden dat Van Hoogen niet professioneel heeft gehandeld. Naar achterliggende motieven kijken ze niet. Zij bewijzen al doende het vermoeden van Wackernagel dat er sinds de jaren zeventig bij veel mensen weinig is veranderd: "Nog altijd die criminalisering; daar komen de terroristen; zie hier het kwaad. Precies wat Herman heeft gezegd, dat hier ideeën achter zitten, komt niet aan bod." Wat het boek extra interessant maakt zijn de vele actuele thema's die de revue passeren, zoals de doorgeslagen klantvriendelijkheid en commercialisering van de politie, het absurde gevecht om aandacht tussen daders en slachtoffers van misdrijven, de fixatie voor ellende en het ethisch reveil van de jaren negentig. Terloops wijst Denkers op het incorrecte optreden van de Amsterdamse politie voor de Eurotop. Een gevoel voor actualiteit kan Van Middelaar daarentegen onmogelijk worden nagegeven. Daarnaast geeft Begrepen onbehagen weer hoe een parlementaire democratie zich, reagerend op een stadsguerrilla, in een mum van tijd kan ontpoppen tot een despotisch systeem dat met rationaliteit niet zo heel veel meer te maken heeft. Rationalisten zijn, zoals bekend, wel de laatsten die rationeel reageren wanneer ze hun zin niet krijgen. Het zijn juist 'weerzinwekkende' filosofen als Foucault en Deleuze geweest die zochten naar een politiek leven buiten het bereik van de despoot. Patrick van IJzendoorn
'Politicide. De moord op de politiek in de Franse filosofie', Luuk van Middelaar, Van Gennep, 1999. fl. 39,90, 256 p. Naar boven Naar Jaargang 1999 |