| |
|
Uit: Ravage #297/298 van 17 dec 1999
Het is ironisch dat de meest opruiende film sinds jaren uit Hollywood komt, The Fight Club van David Fincher. Ondanks de misstanden in onze westerse samenleving en de problemen in de Derde Wereld lijkt de revolutionaire, subversieve en opstandige film een relikwie uit een ver verleden. Hoewel het IDFA liet zien dat documentaire filmmakers politiek geladen onderwerpen niet uit de weg gaan, lijkt het revolutionaire vuur gedoofd.
Zijn er dan ooit films gemaakt die tot revolutionaire actie hebben geleid? La Chinoise van Jean Luc Godard zou er een kunnen zijn. In deze film portretteert Godard een groep revolutionaire studenten van de universiteit van Nanterre. De film werd in 1967 gemaakt en een jaar later namen studenten van deze universiteit het voortouw in de mislukte revolutie, exact zoals de fictieve revolutie in La Chinoise. Een griezelig profetische film. In hoeverre kunst de maatschappij beïnvloedt is moeilijk in te schatten. Tijdens het Thatcher-regime in het Engeland van de jaren tachtig ontstond een gestage stroom anti-Thatcher films. Filmmakers als Loach, Clarke, Frears legden onbarmhartig de anti-sociale politiek van Thatcher bloot. Dat deden ze met behulp van meeslepende, onderhoudende amusementsfilms. De vraag of deze films mede hebben bijgedragen aan haar ondergang en de verkiezingsnederlaag van de Conservatieven valt moeilijk te beantwoorden. Juiste publiek De opstandige kunstenaar staat altijd aan de zijlijn in zijn strijd om bestaande instituten, waarden, zeden en taboes te ondermijnen. Het probleem van de opstandige kunstenaar is altijd geweest: hoe breng ik mijn streven voor een omwenteling over op het publiek? De methoden van de maatschappij om zichzelf te beschermen tegen verstoring en anarchie zijn steeds geavanceerder geworden. Film is een technologische kunst waarvoor ingewikkelde, dure apparatuur en speciale vertoningsfaciliteiten nodig zijn. Ondanks de technologische ontwikkelingen blijft verspreiding van subversieve films een probleem. Het bereiken en overtuigen van de beoogde doelgroep was en is een probleem voor elke opstandige filmmaker. De Boliviaanse film Blood of the Condor van Jorge Sanjines uit 1969 illustreert dit. In deze anti-regeringsgezinde en anti-Amerikaanse speelfilm wordt getoond hoe doktoren en zusters van het Amerikaanse Vredeskorps inheemse vrouwen steriliseren om (een niet bestaande) bevolkingsexplosie tegen te gaan. De inheemse heersende klasse wordt als medeplichtige opgevoerd. De film is volledig Quechua (Indianentaal) gesproken. Toch bemerkt de regisseur dat de lokale bevolking waar de film over gaat geen chocola van de film kan maken. Het past niet in hun referentie-kader, ze kunnen zichzelf er niet in terug vinden. Deze ervaring zorgt ervoor dat Sanjines in de jaren zeventig samen met de onderdrukte boerenbevolking films gaat maken. Mede juist doordat Blood of the Condor de meeste impact heeft op de stedelijke heersende klasse, wordt in 1971 het Amerikaanse Vredeskorps Bolivia uitgegooid. In de jaren zestig zetten vertoningen van films tegen de Vietnamoorlog voor vredesbewegingen deze al bekeerde groepen tot actie aan, maar hoe moet men de anderen bereiken? Het is vooral de Vietnamoorlog op televisie die de Amerikaanse bevolking bewust maakt. De geschiedenis leert dat de meest subversieve films eigenlijk door een klein aantal mensen gezien worden en dat beperkt hun doeltreffendheid. De films van de revolutionaire filmmaker pur sang Eisenstein waren niet populair bij de Russische massa. Latijns-Amerika De opstandige film in de jaren zestig wordt gekleurd door een exploderende keten van gebeurtenissen zoals de anti-koloniale strijd, oppositie tegen de Vietnamoorlog, studentenopstanden, het zelfbewustzijn van de Amerikaanse zwarten, het ontstaan van gewapende guerrilla-groepen in Latijns-Amerika. Vooral de revolutionaire cineasten uit Latijns-Amerika mogen gezien worden als helden van de revolutionaire film. In diverse landen komen jonge filmmakers in opstand tegen de dominante positie van de Verenigde Staten. Het tonen van onrecht, onderdrukking en de onmenselijkheid van de dictaturen is een belangrijke drijfveer. Zij gebruiken de camera als een wapen in de strijd, niet alleen om mensen bewust te maken van het sociale onrecht, maar ook om de sociale en politieke realiteit te veranderen. Ze werken vaak onder zeer moeilijke omstandigheden, staan op de zwarte lijst en proberen ondergronds toch nog hun werk voort te zetten. De illegale films die onder de gevaarlijkste en moeilijkste omstandigheden geproduceerd en gedistribueerd worden, zijn voorbeelden van persoonlijk revolutionair engagement. Het meesterwerk La hora de los hornos (The hour of the blast furnaces) van Fernando Solanas uit 1968 is het duidelijkste voorbeeld hiervan. Het is een vernietigende aanklacht tegen het Amerikaanse imperialisme in Latijns-Amerika. Clandestien in Argentinië gemaakt, is het een assemblage van journaalbeelden, beelden uit andere documentaires en teksten die erin hakken. Dit alles samengebald tot een pleidooi voor een gewelddadige revolutie. Deze film is het meest sprekende voorbeeld van de Nuevo Cine Latinoamericano, de Nieuwe Latijns-Amerikaanse Film. Andere revolutionaire cineasten zoals Nelson Pereira dos Santos en Glauber Rocha uit Brazilië, de Argentijnen Fernando Birri, de Chileen Miguel Littin en de Cubaan Tomas Gutierrez zijn belangrijke meesters van de Latijnse-Amerikaanse film. De jonge filmmakers van de jaren tachtig en negentig voelen niet zo sterk de behoefte om de dictatuur en de onderdrukking uit het verleden op de korrel te nemen. Luis Puenza's La Historia Oficial uit 1985 over de dwaze moeders in Argentinië is een van de weinige films die het dictatoriale verleden aan de kaak stelde. Doordat de dictaturen geleidelijk verdwenen, of in een afgezwakte vorm werden voortgezet, lijkt de drijfveer om politiek-sociale films te maken verdwenen. Eigenlijk geldt dit ook voor andere continenten. Toch zijn er hoopgevende ontwikkelingen, zoals de jonge Franse cineasten die de afgelopen jaren films maakten waarin de sociale uitsluiting zichtbaar werd gemaakt. De slechte sociale omstandigheden voor de allochtone en autochtone bevolking in de buitenwijken van Parijs, Marseilles of Lyon en het door armoede verscheurde Noord-Frankrijk wordt vastgelegd in pakkende speelfilms. Een nieuwe, repressieve immigratie-wetgeving bracht 66 Franse filmmakers in februari 1997 ertoe een manifest te ondertekenen waarin ze opriepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Opstandige films ontstaan niet in een vacuüm. Film kan samen met andere cultuuruitingen aanzet geven tot veranderingen in de politieke en sociale werkelijkheid. Het sociale engagement van de filmmaker moet eigenlijk hand in hand gaan met politiek activisme om veranderingen te bewerkstelligen. Daarom is dit manifest een hoopvol teken. Het gebruik van de nieuwe video-technologie en het internet zou de verspreiding van het opstandige gedachtegoed moeten vergemakkelijken. De toekomst zal uitwijzen of dit werkelijk gebeurt. Ulrik van Tongeren Naar boven Naar Jaargang 1999 |