Uit: Ravage #297/298 van 17 dec 1999

Daar aan de gracht

Het geluid van brekende ramen galmt door de nagenoeg lege gangen en kamers van een kraakpand aan een der Amsterdamse grachten. Uiteindelijk bereikt het geluid de directeurskamer, een jonge kraker wakker makend. In een belendende kamer wordt zijn enige huisgenoot eveneens gewekt door het gerinkel. Een knokploeg? Onwaarschijnlijk, want het gebouw is eigendom van een even fatsoenlijk als failliet koloniaal nutsbedrijf. Enkele agenten van bureau Lijnbaansgracht? Dit onchristelijke tijdstip is ideaal voor een weinig heroïsche doch effectieve ontruiming.

Van twee bewoners valt weinig weerstand te verwachten en hoewel het pand zwaar gebarricadeerd is, valt met enig baantjeriaans vernuft wel binnen te komen. Maar de hoofdstedelijke politie voert een privé-oorlog met de marechaussee, een strijd die enkele maanden eerder ook al speelde tijdens de Slag om de Vondelstraat.

In schemertoestand begeven de twee zich naar het raam om vanaf twee hoog te aanschouwen hoe ongeveer tien bezopen corpsballen het pand bekogelen en staan te krijsen als wolven tijdens een herfststorm. Nadat de twee zijn bekomen van een onbestemd gevoel dat het midden houdt tussen verbazing en verbijstering, werpen ze wat flessen terug. Exact een week later herhaalt dit tafereel zich. De twee beginnen zich lichte zorgen te maken. Niet om de ramen, maar om de mogelijkheid dat de belagers het pand binnenkomen. Ontoerekeningsvatbare zuipschuiten van rechtse komaf zijn onberekenbaarder dan een groep agenten. Een week later staan ze er weer. De twee overwegen het kraakalarm te bellen - met de kans dat de brallende ballen de fietsen op de bodem van de gracht gezelschap gaan houden - maar ze besluiten vanaf de derde etage wat stenen te retourneren. Nadat een zak in pak wordt geraakt, verdwijnt de rest voorgoed. In feite was dit de enige keer dat het zes panden tellende kraakcomplex van buitenaf werd aangevallen.

Niemand leek echt raad te weten met de situatie. De meeste bewoners beseften de impact niet van de door hen begane daad, terwijl de bedaagde socialisten van de gemeente niet wisten wat ze met de krakers aan moesten. Het pandencomplex was de steengeworden verwarring, een niemandsland dat op uiteenlopende mensen een grote verleiding uitoefende.

Voor zo'n veertig jonge krakers was de verleiding op de eerste zondag van november 1978 te groot. Al enige tijd was bij het kraakspreekuur bekend dat er een fraaie rij panden leegstond, maar om een of andere reden was dit object weinig populair binnen Borrelgrachtkringen. Waren hier slechts primitieve woonvormen mogelijk, zoals de advocaat van de eigenaar, ongetwijfeld zelf woonachtig aan de Goudkust, beweerde, een stelling die door een bezoekende rechter overigens werd ontkracht? De kraak verliep echter soepel en de groep splitste zich op in groepjes die elk een optrekje uitzochten. Al snel vormde zich een interne logica: hoe lager het huisnummer, des te lankmoediger, apatischer en chaotischer de bewoners. In veel opzichten vormde deze kraakgemeenschap een maatschappij in het klein. Het grootste en mooiste pand viel dus ten prooi aan de brutaalste groep.

Nadat de kraak technisch gezien gerealiseerd was, bleek het sociale aspect een stuk minder eenvoudig te zijn, ook al omdat vrijwel iedereen een verblijf van een paar dagen, hooguit een paar weken had ingecalculeerd. De installatie van een douche liet lang op zich wachten, huisvergaderingen waren voor velen een noodzakelijk kwaad, de procedure bij een onverhoopte arrestatie was voor velen een geheim en degene die geld moest inzamelen voor bijvoorbeeld de olie die de drie kachels brandende moest houden, beleefde zware tijden. Dat het pand in een redelijk goede toestand werd aangetroffen, vormde ook al geen stimulans om een flink de handen uit de mouwen te steken.

De voornaamste overeenkomst tussen de bewoners was dat ze op dezelfde plek onderdak hadden gevonden, waarbij sociopolitieke principes en acute woningnood doorgaans goed samengingen. Anderen vonden eindelijk een atelier, wat gezelligheid en zelfs een vriendschap voor het leven. Onder de bonte mengeling bewoners bevond zich iemand die van het onderzoek naar de eigenaar een levenswerk maakte en ondertussen het SPOK een nieuw leven inblies.

De eigenaar deed ook onderzoek, en wel naar de identiteiten van de bewoners. Een volledige naam was genoeg om een proces te beginnen en een smerige truc zorgde daarvoor. De gedaagde kraker verdedigde zichzelf en won het proces glansrijk. Dat gold ook voor de tweede gedagvaarde kraker, wiens naam achterhaald was door een infiltrant. Deze was letterlijk via de achteringang binnengekomen.

Infiltratie van een heel andere, onschuldige orde kwam uit Israëlische hoek. Nadat een Israëli een sleutel had weten te bemachtigen van een kelderdeur, volgden er steeds meer. Deze mysterieuze bezoekers, mogelijk dienstweigeraars, hielden zich op in nissen en kleine zolderkamers van de panden met de lage huisnummers. Op een dag werd het slot vervangen en loste de joodse nederzetting op als sneeuw voor de zon.

Achteraf gezien had de eigenaar er echter slim aan gedaan om het pand meteen aan de gemeente te verkopen - maar ja, het bedrijf was niet voor niets ten onder gegaan - want tot ieders verbazing, vooral van de bewoners zelf, waren de zes panden veranderd in een bolwerk, een symbool met een aanzuigende werking. Op een dag stond de gracht waaraan het bolwerk zich bevond vol met vijftienduizend mensen, demonstrerend voor behoud ervan.

Terwijl het symbool buiten haar muren begon te leven, werd het dagelijkse leven er binnen steeds moeilijker. Druppelsgewijs taaiden bewoners af. Alleen zij die het meest om hun pand gaven, hielden het er vol. Uiteindelijk waren het acht bewoners die een voor die tijd origineel besluit namen, dat kan worden samengevat in twee woorden: "We blijven.", gevolgd door een "Wij komen helpen" van buitenaf. En de hulp kwam. Vanuit Den Bosch doemde een groep gedreven krakers op. Groningen leverden een groep krakers die zich gedroegen als voetbalsupporters en bijvoorbeeld een knuppel meenamen als ze een pizza gingen kopen. Binnen Amsterdam stroomden er krakers toe uit alle kraakgewesten.

De meest constructieve, maar tegelijkertijd ook omstreden, bijdrage kwam uit de Staatsliedenbuurt, in de persoon van een bons, die ik in het vervolg maar 'de staatsman' zal noemen. In zijn kielzog volgde een discipel, die een negatieve invloed had op het zelfkritisch vermogen van zijn God, wiens bluf gepaard ging met een inspirerende botheid. De staatsman wist goed wat zijn positie was, had een heel eigen visie op het vraagstuk omtrent macht binnen een anarchistische structuur en gaf lessen in slagvaardigheid. Zonder dat reeds te beseffen gedroeg hij zich als een postmodernist door zijn verhaal aan te passen aan de toehoorder.

Binnen het kadaver waarin het complex langzaam veranderde, werd de discipline in ieder geval aangehaald. Zo kampten de acht overgebleven bewoners met een agressieve junk die zich hevig verzette tegen het barricaderen van zijn raam dat op de begane grond aan de straatkant gelegen was. De staatsman ging op hem af en eiste dat de desbetreffende kamer de volgende dag om acht uur leeg zou zijn. Dit geschiedde zonder bloedvergieten. De beddenspiralen werden meteen vervangen door de rijplaten. Deze werden aan elkaar gelast door een man die de ganse dag Indiase sigaren rook, gevuld met kruidnagels. De staatsman veegde de rotzooi op die de bezetters uit Groningen achter zich lieten, belde zo nodig de alarmlijst af en organiseerde een succesvolle bestorming van de raadszaal. Hij gaf zijn strijdmakkers handige tips ("Doen alsof de barricaden er zijn om jou tegen te houden." / "Haal gewoon onzin uit als je tijdens rellen niet weet wat je moet doen." / "Werp op willekeurige plaatsen barricaden op, al is het maar om mensen vast te houden en strijd te maken.")

Enkele bewoners van het eerste uur zochten manieren om in het donker snel door het doolhof te lopen. In de periferie van deze semi-militaire strategieën raakten enkele bewoners verslaafd aan de cocaïne, leidend tot een surrealistisch beeld van een verslaafd stelletje dat tijdens de staat van beleg midden in de bunker op een matras lag.

De overheid zag zich gesteld voor een groeiend, maar vooral ongrijpbaar probleem. Ze nam verwoede pogingen om de omvang van het probleem in kaart te brengen. Tegenover het complex zaten agenten van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, die hun ogen moeten hebben uitgekeken toen bewoner Johnnie de deur intrapte omdat hij geen sleutels bij zich had. Tot zijn verbazing, en ongetwijfeld die van de voyeurs, kon hij de deur openen, want die zat niet dicht. Het leger liet straaljagers over vliegen (de enige die ze destijds zag vliegen was een journaliste van De Waarheid, waarvan de redactieburelen iets verderop zaten) om foto's te maken. Daarop zijn vast en zeker de gasflessen te zien die op het dak stonden en waarvan de inhoud een goed bewaard geheim is. Er gaan geruchten dat ze de licht ontvlambare stof acetyleen bevatten, gezien de geheime agenda en de chemisch-analytische achtergrond van de staatsman niet ondenkbeeldig. Op haar beurt probeerde de politie de krakers uit hun hol te lokken door soms op de politiescanner bandjes af te spelen van oude ontruimingen.

Het bolwerk zelf had te maken met twee ontruimingsdreigingen. De eerste keer waren de krakers al op de hoogte omdat een van hen wel eens wat ging drinken met zijn buurman die deel uit maakte van de mobiele eenheid (een vorm van contraspionage, in het kader daarvan werden tevens de politieposten bij de Eenhoorn en de Elandsgracht in de gaten gehouden) en de tweede keer was men op de hoogte omdat een paar pelotons de buurt omsingeld hadden. De media genoten van het kraakspektakel. Zij vormden het slagveld waarop de overheid en de krakers een propaganda-oorlog (de gemeente was beter op de hoogte van de semantische gevoelswaarde en sprak over 'voorlichting') voerden. De krakers hadden snel door dat de journalisten in hun drang naar originaliteit alles opschreven wat ze hoorden. Een louche verslaggever van de Nieuwe Revu werd met name op aandrang van de oude garde buiten de deur gehouden. Verder vielen in de media rechtsdeskundigen over elkaar heen die door de betrokken partijen keurig tegen elkaar werden uitgespeeld.

In de bunker zelf, die retropsychisch terugkijkend opmerkelijk overeenkomsten vertoonde met het Big Brotherhuis, werden de grenzen van de bewoonbaarheid verlegd. Van de acht bleven er twee over, die de keuze hadden uit zo'n tachtig potentiële slaapkamers. Samen met 'de bezetters' maakten ze werkdagen van zo'n zestien uur om zich voor te bereiden op een ontruiming die nooit plaats zou vinden. Ex-bewoners die soms gedeprimeerd naar andere panden waren gevlucht, kwamen dagelijks helpen. Een van hen bood aan om als een veredelde secretaresse te gaan werken, een functie die ze met verve vervulde.

Van de twee die-hards was er eentje domweg gelukkig in de kleinste tijdelijke autonome zone die ooit bestaan heeft: een zolderkamertje van drie bij twee meter. In deze oase van leefbaarheid bracht hij daar uren door met twee vriendinnen, waarvan eentje in de Kleine Wetering woonde en later zijn vrouw zou worden. Terugkijkend herinnert hij zich vooral de zegeningen van het ontbijt: tarwebrood met roomboter en kaas van de natuurwinkel om de hoek. Uiteindelijk zouden hij en zijn makker het kraakparadijs verruilen voor Singel 302. Directe aanleiding: bij een honkbalwedstrijd had hij een gebroken jukbeen opgelopen waardoor het te lastig werd om 'hun' levenswerk te verdedigen.

Dat was ook niet nodig geweest want de gemeente nam het pand over na onderhandelingen met de staatsman. De tragiek schuilt in een klein hoekje.

Patrick van IJzendoorn

Met dank aan het geheugen van Willem (woonde vanaf het begin tot na de kroningsrellen in het pand) en Erik (die eveneens vanaf het begin aanwezig was maar het pand enkele maanden voor Willems vertrek verruilde voor Leidsegracht 36).

 

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1999