Uit: Ravage #282 van 16 april 1999

De voetbalmaffia

'Wás er nog maar een ploeg die catenaccio speelde!'

Jarenlang heb ik Ajax zien voetballen in De Meer en daarbuiten (van Hamburg tot Kerkrade, van Straatsburg tot Den Haag). Het was de tijd van Jesper Olsen, Sören Lerby, Marco van Basten, Dennis Bergkamp en Johan Cruijff. De Meer was zelden uitverkocht maar barstte van de spanning, spontaniteit en gezelligheid, vooral op de staantribunes aan de Diemenzijde waar men dronk, praatte, lachte en jubelde. Een feest, gecreëerd door spelers en supporters.

Later ben ik twee keer in de ArenA geweest en ondanks mooie acties van Dani en Jari had ik het gevoel bij een aandeelhoudersvergadering te zitten. Alle spanning werd opgeslokt door de videocamera's, televisieschermen en mobiele telefoons. De wezenloosheid had hier metafysische vormen aangenomen. Ajax was ingelijfd door mensen met veel geld en weinig smaak.

De Britse onderzoeksjournalist David Yallop moet hetzelfde gevoel hebben gehad toen hij 'De Voetbalmaffia: de corrupte spelletjes van de FIFA' schreef. Yallop was fan van Chelsea, ooit een turbulente, zeer Engelse club. Haar hypergemoderniseerde stadion Stamford Bridge is inmiddels veroverd door zakenmensen die kijken naar een Europese sterrenslag waar één Engelsman tussenloopt. Yallop vroeg zich af hoe deze volkssport kon degraderen tot bewegend decor tijdens een zakenlunch. Het resultaat was een verkapte biografie van Joâo Havelange, tot vorig jaar de president van de wereldvoetbalbond. Sinds diens aantreden in 1974 is de FIFA volgens Yallop veranderd in een op witgewassen drugsgeld terend amusementsbedrijf. Hoewel hij de kwalificatie 'drugssyndicaat' net niet bezigt, werd het boek in de Zwitserse achtertuin van de FIFA verboden. In Nederland had de rechter meer consideratie met de persvrijheid.

Zonnekoning

We schrijven Dortmund 1974. Op sublieme wijze scoort Cruijff Nederlands tweede doelpunt tegen Brazilië. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger springt op om te juichen. Naast hem maant Havelange hem weer te gaan zitten. En zo geschiedt. Een typerend moment. Niet de Paus, de Amerikaanse president of zijn Sovjet collega, maar de FIFA-voorzitter is de officieuze wereldleider. Zijn wil is wet.

In zijn jonge jaren vertoonde Havelange reeds een zwak voor een strakke leiding. Hij bewonderde de manier waarop de nazi's de spelen van 1936 regisseerden. Ook de junta's in Brazilië, Argentinië, Bolivia, China en Nigeria konden in zijn ogen amper kwaad doen. Voordat hij FIFA baas werd, was de veelzijdige Zonnekoning, zoals Yallop hem noemt, actief als Olympisch zwemmer, wapenhandelaar, geheim agent en de hoogste voetbalbestuurder in Brazilië.

Hij ergerde zich aan het amateuristische, pro Europese beleid van de Britse FIFA voorzitter Sir Stanley Rous. De ergernis bereikte een hoogtepunt toen Engeland in 1966 de wereldbeker won, nadat Pele uit het toernooi was geschopt. Vier jaar later heroverde Brazilië met prachtig voetbal de wereldbeker. Havelange achtte de tijd rijp om ook op bestuurlijk niveau de macht te grijpen en deed dat door met andermans geld - onder meer afkomstig uit het Fonds van de Sociale Dienstverlening - Afrikaanse en Aziatische landen om te kopen.

Vier jaar later veroverde hij de post en tijdens zijn regime promoveerde geld tot hoofdzaak bij de bv. FIFA, waar Adidas en Coca Cola aan de touwtjes trokken. Terwijl het Braziliaanse elftal op z'n Europees ging voetballen, ging de FIFA op z'n Braziliaans besturen. Als een virus woekerden de dollars door de voetbalwereld.

Een schrijnende passage in het boek is de brief van een man die een voetbalschool heeft voor straatarme kinderen in Rio de Janeiro. Hij vroeg de Braziliaanse bond, uiteraard geleid door de schoonzoon van Havelange, om oude voetbalspullen. Hij kreeg een afwijsbriefje, terwijl de bond rond dezelfde tijd een contract van bijna een miljard gulden had afgesloten met Nike.

Hoe obsceen de hebzucht van Havelange en zijn onderdanen ook mag zijn, het is toch vooral een bijzaak. Het voetbal was eveneens aan de commercie ten prooi gevallen als Havelange wél op tijd was geweest om met de Titanic mee te varen. Alles van waarde is nu eenmaal weerloos tegen de verleidingskracht van geld. Het zou eerder vreemd zijn als voetbal in tegenstelling tot onderwijs, kunst, wetenschap en politiek niet zou zijn geprostitueerd. Havelange profiteerde gewoon van het tij. Hij kon zoveel kaartjes krijgen als hij wilde en wanneer hij niet de juiste kaarten kreeg, was hij niet te beroerd om een lid van een organisatiecomité te gijzelen en zijn ego bloeide als nooit tevoren. Hij voelde zich vrij als een vogel maar werd net als 'machtige' politici ondertussen bespeeld door de grote bedrijven.

Omkoping

De bezwaren die Yallop heeft tegen de FIFA zijn van dezelfde aard als de kritiek van de Noordeuropese landen op de Europese Commissie. Hij pleit voor meer transparantie en integriteit. Zijn bewondering gaat uit naar Pele (die als minister van Sport het Braziliaanse voetbal probeert te zuiveren van corruptie) en de Zweedse baas van de UEFA, Lennart Johansson, de aartsvijand van Havelange en diens gekloonde opvolger Sepp Blatter. Yallop vind ik hier wat naïef. De UEFA is in principe geen haar beter dan de FIFA. De Europese landen en clubcompetities zijn evenzeer in de greep van de commercie, het tweelingbroertje van corruptie. Zo is de Champions League een gedevalueerd, voorspelbaar toernooi geworden. Natuurlijk heeft Argentinië Peru omgekocht in 1978 (6-0), maar hoe zat het vijf jaar later met Spanje-Malta 12-1?

Dergelijke omkooppraktijken komen zelden meer voor, maar ondertussen wordt het spel bedreigd door andere, minder zichtbare gevaren. Aan de hand van de wereldkampioenschappen stelt Yallop de vraag of het spel dankzij de financiële belangen saaier is geworden. Het antwoord luidt volgens mij 'ja', maar op een indirectere wijze dan Yallop beweert. Hij vindt dat ploegen defensiever spelen. Dat is niet het geval. Ploegen spelen effectiever. De terreur van de multifunctionaliteit, de vangalisering noem ik het, heeft ervoor gezorgd dat alle ploegen en spelers op elkaar gaan lijken. Wás er nog maar een ploeg die catenaccio speelde! Wás er nog maar een team dat valt en staat bij een grillige nummer tien! Wás er nog maar een team dat met lange halen snel thuis wilde zijn!

Het spel heeft baat bij wispelturige spelers als Dani, Paul Gascoigne en Diego Maradona die zich soms onttrekken aan het algemeen belang: een doodzonde. Zij worden het slachtoffer van algemene belangen waar trainers en bestuurders slaafs naar leven. Dubieus was de gang van zaken rond Maradona's vermeende druggebruik tijdens het wereldkampioenschap in de Verenigde Staten. (Vond Brazilië de kleine stervoetballer toch nog iets te goed?) Hier kan voetbal dienen als metafoor voor de hedendaagse maatschappij waarin singuliere uitspattingen van inefficiëntie systematisch uitgeroeid worden, al dan niet met zachte hand.

Televisie

Ook Yallop's bewering dat het voetbal harder wordt, is twijfelachtig. Het voetbal gaat eerder lijken op steriele sporten als hockey en korfbal. Dankzij de televisie lijkt het echter harder te worden omdat elk incident breed wordt uitgemeten: voetbal als reality tv. Hetzelfde geldt voor arbitrale dwalingen, die juist een menselijk aspect vormen bij het voetbal. Nog altijd praten we over de goal van Geoff Hurst tegen West Duitsland (1966), over de rode kaart die Charles Corver had moeten geven aan Harold Schumacher en de Tunesische scheidsrechter die Maradona's handbaldoelpunt tegen Engeland goedkeurde. Ook hier is een interessante link met de maatschappij te maken die gebukt gaat onder ontmythologisering, smetvrees, angst voor het fysieke en paniekerige afkeer van fouten.

Net als de Verenigde Staten, past het voetbal zich aan het televisiebeeld aan, een aspect waar Yallop slechts zijdelings aandacht aan schenkt. Ten behoeve van het televisiebeeld moeten de ongeïnteresseerde toeschouwers zich gedragen alsof ze in een bioscoop zitten (helaas gebeurt ook het omgekeerde, maar dat terzijde). Op Old Trafford mogen toeschouwers alleen "op ogenblikken van grote opwinding" gaan staan. In zekere zin is dit funester voor de sfeer dan een relletje tussen oververhitte supportersgroepen.

Zorgelijk is ook de toename van het aantal wedstrijden ter wille van de Murdoch's en Berlusconi's. Afgezien van de vervlakking (Het zou interessant zijn om na te gaan of het aantal gelijke spelen toeneemt en het geld op dat terrein zijn faam waarmaakt als grote gelijkmaker) en een afname van de intensiteit, zorgt deze roofbouw voor fysieke problemen bij spelers en voor onverschilligheid bij het publiek. Voor voetbal geldt hetzelfde als voor andere programma's op televisie: mooie dingen zijn er nog steeds maar ze raken bedolven onder een hoop rotzooi. In het vuur van zijn betoog begaat Yallop (of zijn vertalers?) een aantal hinderlijke fouten. Nederland verloor in 1978 niet met 2 1 maar 3 1 tegen Argentinië. Slordig zijn de naamfouten (Tele Santano i.p.v Tele Santana; Zito i.p.v. Zico; Valdona i.p.v. Valdano en Stevens i.p.v. Steven.) Ernstiger is dat Yallop zich teveel heeft laten afleiden door Havelange en andere monsters van Frankenstein, hetgeen wel weer zorgt voor veel leesplezier. Toch had hij de implosie en desintegratie van Koning Voetbal misschien beter binnen een breder, cultuurfilosofisch kader kunnen beschrijven.

Patrick van IJzendoorn

De Voetbalmaffia (oorspronkelijke titel: How They Stole The Game) - David Yallop. Van Gennep 1999. 320 pg. fl. 39,50.

 

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1999