Uit: Ravage #10 van 19 juli 2003

Poëzie van de Rotterdamse Ayatollah

Wie een hedendaagse multiculturele Nederlandse auteur zoekt, zou zich eens in de Rotterdamse dichter Ayatollah Musa moeten verdiepen. Musa leidt de lezer in Taj Mahal als een gids door Oosterse landschappen, maar speelt ondertussen met klanken, ritme en ironie

Hij is viervoudig multicultureel: qua afkomst (Hazara, één van de etnische minderheden in Afghanistan), qua moedertaal (drietalig opgevoed: in het Nederlands, Engels en Urdu), qua uitingen (hij beperkt zich niet tot literatuur, maar maakt ook muziek en documentaires) en qua invloeden (hij laat zich zowel door zogenaamde hoge cultuur, de Tachtigers, als door lage cultuur, straattaal, inspireren).

Ayatollah Musa. Hoe vaak moet hij sinds hij besloot dichter te worden bij het noemen van zijn naam al de opmerking 'goh sterk pseudoniem' te horen hebben gekregen? Toch is het zijn echte naam, waaronder hij na zijn geboorte in 1979, in het Rotterdamse bevolkingsregister werd ingeschreven. Zoals hij in het gedicht 'Interview Met Ramses Shaffy', waarin hij zijn 'eerste decennium' vierde, schreef: 'U dacht zo klein en nu al/ Ayatollah'.

Musa was nog maar een tiener toen hij begon met het publiceren van poëzie in Pasionate, Trouw en Payola. In 1997 verscheen één van zijn gedichten, getiteld 'Taj Mahal', op een ansichtkaart van uitgeverij Vassallucci. In dat jaar kreeg hij ook een wekelijkse column op Zanzibar, de jongerenpagina van Trouw. Eind jaren '90 trad hij geregeld op, onder meer bij het Rotterdamse Bevrijdingsfestival, de Antiracisme Dag en het Crossing Border festival.

In 1999 verscheen zijn eerste (en voorlopig enige) dichtbundel onder de titel 'Taj Mahal' bij Vassallucci. Wie zijn debuutbundel de naam van dit wereldberoemde Indiase grafmonument meegeeft, moet óf overlopen van de pretenties óf een sterk gevoel voor ironie hebben. Gelukkig bewijst Musa in Taj Mahal al snel vooral over het tweede te beschikken. De bundel doorbladerend vallen titels op als 'Buurmeisjes International', 'Stootwerk' en 'Enkelsonate' (met als ondertitel "gebruiksaanwijzing voor het omdoen van een enkelbandje").

Rivier

Musa wordt als dichter regelmatig vergeleken met Jotie 't Hooft en Jacques Perk, twee dichters die op jonge leeftijd al veel indruk maakten. Hoewel Musa zijn postmoderne stijl waarschijnlijk onder meer bij 't Hooft heeft afgekeken, mist zijn werk duidelijk zowel de zwakke als de sterke punten van 't Hooft's oeuvre.

Jotie 't Hooft publiceerde via zijn schoonvader en uitgever Weverbergh vooral heel veel derderangs poëzie (die 't Hooft ooit zelf ook typeerde als "gezwollen, quasi-poëtisch gebrabbel") waartussen zo nu en dan een formulering, een zin of een strofe opviel, die zo sterk was dat deze, nadat je hem één keer had gelezen, voor altijd ergens in je geheugen gebeiteld zat.

De poëzie van 't Hooft doet denken aan een grote modderpoel, naast een Vlaamse mestvaalt, waar gebruikte heroïnespuiten in verscholen liggen. De poëzie in Taj Mahal kabbelt echter rustig voort, als een glinsterende rivier van India tot in Rotterdam, zonder ergens een waterval tegen te komen.

Het debuut van Musa doet meer denken aan het werk van Perk, met zijn soepele stijl, rijk aan klanken en beelden. Op zijn beste momenten lijkt het bij Musa, net als bij Perk, alsof de zwarte inkt in het boek licht uitstraalt.

Toch is het gewaagd om Taj Mahal, dat uiteindelijk niet meer of minder is dan een bewijsstuk van Musa's prille talent, met Jacques Perk's debuut te vergelijken. Dat verscheen postuum en was mede door Willem Kloos tot een meesterwerk versleuteld dat ontegenzeggelijk de Nederlandse literatuurgeschiedenis heeft veranderd. Musa's poëzie mist de passie, de ontwikkeling en de noodzaak, die bijvoorbeeld Perk's Mathilde-cylus kleuren.

Vent

Musa leidt de lezer in Taj Mahal als een gids door Oosterse landschappen, maar speelt ondertussen met klanken, ritme en ironie op een manier die zo soepel bij de lezer binnendringt dat het gevaar soms bestaat dat de betekenis van de woorden je ontglipt.

Om de oude leus van Forum te parafraseren: Vorm heeft hij genoeg, maar bij de poëzie van een amper twintigjarige, kun je moeilijk verwachten een vent te ontmoeten... en die vind je dus ook niet terug in Taj Mahal.

Het grootste verschil tussen Musa en zijn twee eerder genoemde voorbeelden is dat 't Hooft door zijn zelfgekozen dood en Perk door de TBC, zich nooit zelfstandig konden ontwikkelen van talent tot groot dichter. Hoewel een groot deel van hun reputatie juist te danken is aan de legendevorming rond hun vroege dood, heeft Musa hopelijk nog jaren de tijd om te bewijzen dat hij (nog) meer kan dan woorden laten zingen op papier en spelen met beelden in taal.

Muziek maakte hij al, maar waar in Taj Mahal de laatste afdeling poëzie getiteld was 'In het land van mijn vader', reisde hij rond 11 september 2001 voor De Nieuwe Omroep af naar de vluchtelingenkampen tussen Afghanistan en Pakistan waar hij vele mede-Hazara vond en een documentaire maakte. (Te zien op www.denieuweomroep.nl)

Tegenwoordig heeft Musa de dagelijkse leiding over Dutch Renaissance, een organisatiebureau dat een kweekvijver moet worden voor jonge talenten uit verschillende kunststromingen en daarnaast ook zelf festivals en projecten organiseert.

Het lijkt er op dat hij ondertussen meer dan genoeg heeft meegemaakt en genoeg is gerijpt om zijn volgende bundel die inhoud te geven die zijn debuutbundel nog miste. Het is te hopen dat hij met al zijn activiteiten nog tijd en inspiratie over heeft om te schrijven.

Carl Versteeg

Taj Mahal, Ayatollah Musa. Uitgeverij Vassalluci, ISBN 9050000770



Naar boven

 

 



Ravage
Archief
Overzicht 2003
Overzicht #10

..