Ravage #8, 9 juni 2000

Tussen leven en verzet

De Amsterdamse kraakbeweging uit de jaren '80 dankte haar dynamiek en successen aan een overtuigende doe-het-zelf houding en de bereidheid om de confrontatie met de autoriteiten niet uit de weg te gaan. Op het moment dat de confrontatie doel op zich werd, verdween de dynamiek en haakten veel mensen af. Deze conclusie kun je trekken uit twee onlangs verschenen boeken over de kraakbeweging.

"We streefden niet naar de opbouw van een alternatieve beweging maar wilden via provocaties breuken forceren in het loodzware pakijs dat over de maatschappij lag", zegt Frans Rein Jurrema in De kraakgeneratie, een interviewbundel met achttien portretten van krakers die in de hoogtijdagen van de kraakbeweging actief waren. Frans Rein behoorde tot de 'harde kern' van de Amsterdamse kraakbeweging en maakte deel uit van de Politieke Vleugel van de Kraakbeweging (PVK) die halverwege de jaren tachtig werd opgericht om, met de woorden van PVK'er Jack van Lieshout te spreken, 'de beweging weer in een goede richting te duwen'. Het claimen van kraakkafees en intimidatie en geweld jegens afvalligen en 'verraders' waren hiervan het resultaat.

De kraakbeweging was volgens de PVK afgegleden naar een in zichzelf gekeerde subcultuur waar geen enkele politieke dreiging meer van uitging. Dat was in de ogen van de PVK nooit de bedoeling geweest van al het werk dat begin jaren '80 onder andere door hen werd verricht. Frans Rein: "We bouwden een infrastructuur op met kraakspreekuren, alarmlijnen, kraakcafés, koffieshops, stedelijk en landelijk overleg ter ondersteuning van onze politieke activiteiten. Dat daardoor een subcultuur ontstond die op den duur voor zichzelf een bestaansrecht ging claimen is nooit onze bedoeling geweest".

Karin de Boer is een van de mensen uit deze 'subcultuur'. "Ik was niet geïnteresseerd in politiek actievoeren. Nee, daar streden we feitelijk tegen." zo vertrouwt ze de auteurs van de Kraakgeneratie, Ine Poppe en Sandra Rottenberg, toe. "Voor ons was het ook geen kraakpand maar gewoon een manier van leven, een levensvorm. Het had niets met idealisme te maken, we hadden ruimte nodig en hadden opeens dat immense terrein tot onze beschikking: de mogelijkheden van die plek! Het was een proeftuin", vertelt Karin over De Conradstraat, het in 1988 ontruimde Rijkskledingmagazijn aan de gelijknamige straat.

Doe-het-zelf

Frans Rein en Karin zijn de exponenten van twee verschillende stromingen binnen de kraakbeweging. Twee stromingen die voor de nodige conflicten en interne strubbelingen hebben gezorgd - met als dieptepunt de strijd tussen de PVK en de rest van de Amsterdamse krakers in 1987 en 1988 - maar evengoed zorgden voor de interne dynamiek. Tenminste dat is de conclusie die je na het lezen van de studie van Eric Duivenvoorden over de kraakbeweging, getiteld Een voet tussen de deur, moet trekken.

In de hoogtijdagen van de kraakbeweging - eind jaren zeventig, begin jaren tachtig - vullen beide stromingen elkaar prima aan. De op de gevestigde orde veroverde ruimte zou een loze ruimte zijn geweest als ze niet werd ingevuld door een grote groep mensen die daarin wilde wonen en tal van activiteiten ontwikkelde. Tegelijkertijd zouden deze activiteiten veel moeilijker of helemaal niet tot ontwikkeling zijn gekomen als er niet mensen bereid waren geweest de strijd met het gezag aan te gaan om deze vrije ruimte te verdedigen. Veel mensen zwabberden dan ook maar wat tussen beide stromingen heen en weer en waren niet te beroerd om het vormgeven van de gekraakte wereld even te onderbreken voor het helpen barricaderen van een kraakpand of deelname aan een goede rel.

Beide stromingen hebben ook veel gemeen. Zowel de 'politieke' als 'culturele' krakers hadden een afkeer van ideologieën, politici en partijen en gingen ervan uit dat je alles zelf moest doen. Ook een zogenaamde 'politieke' kraker als Frans Rein wilde niets van politieke theorieën weten. "Je moest beoordeeld worden op je daden, niet op de theorie die je aanhing. Daarom kregen we in de praktijk altijd problemen met allerlei in de maatschappij vastgeroeste politieke partijen die zich links noemden", aldus Frans Rein in de Kraakgeneratie.

Lucky Luijk

Het evenwicht tussen beide posities wordt verstoord als de dadendrang van 'de harde kern' te groot wordt. De welhaast militaire wijze waarop de Lucky Luijk - een kapitale villa aan de Amsterdamse Jan Luijkenstraat - in oktober 1981 wordt heroverd op een knokploeg die de krakers er eerder had uitgezet, roept bij veel mensen vragen op over de ingeslagen weg. De krakers uit de Staatsliedenbuurt (waarvan enkele later de PVK oprichten) zien in de Lucky Luijk na de Groote Keijser een volgende mogelijkheid om de confrontatie met de gemeente aan te gaan. Het pand wordt volledig gebarricadeerd en de ontruiming in oktober 1982 loopt uit op een veldslag met de politie. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog wordt in Amsterdam de noodtoestand uitgeroepen. 

De autoritaire manier van optreden van de krakers uit de Staatsliedenbuurt - gesproken wordt van een 'staatsgreep'- is velen in het verkeerde keelgat geschoten. Zowel intern als daarbuiten barst een discussie los over de weg die de kraakbeweging is ingeslagen. Anders dan bij eerdere rellen tonen de media - waaraan Duivenvoorden opvallend genoeg slechts enkele bijzinnen besteedt - geen enkel begrip voor de krakersrellen. In de kraakbeweging zelf zijn veel mensen de confronterende strategie zat en wordt het interne machtscircuit ter sprake gebracht middels de 'bonzendiscussie'. Het stoort de meeste mensen dat belangrijke beslissingen steeds weer worden genomen door een klein groepje mensen. Bovendien neemt de repressie van de kant van de overheid toe en hebben mensen er genoeg van om steeds weer in elkaar geslagen te worden.

Nieuwe actiedoelen

De voorstanders van de harde lijn - die overigens zelf niet te beroerd waren om met de gemeente te onderhandelen over de aankoop van de Groote Keijser - komen ondanks hun verwoede pogingen om de kraakbeweging te restaureren steeds meer geïsoleerd te staan. Het merendeel van de krakers gaat in de gekraakte wereld aan de slag met het vormgeven van het eigen leven. Niet langer de woningnood maar de kwaliteit van het bestaan wordt de belangrijkste politieke motivatie. En omdat deze niet alleen krakers aangaat, biedt dit talloze mogelijkheden om nieuwe medestanders te vinden.

Halverwege de jaren tachtig is er bijna geen kraker meer voor wie het kraken zelf en alles wat erbij komt kijken de belangrijkste activiteit is. Acties op andere terreinen zijn langzamerhand veel belangrijker geworden: de kraakbeweging heeft zich omgevormd tot 'de beweging' die op tal van actieterreinen als kernenergie, apartheid, geweld tegen vrouwen, militarisme, anti-fascisme, etcetera actief is. De bestaande infrastructuur, van inmiddels ook veel gelegaliseerde panden, vormt hiervoor een uitstekende uitvalsbasis.

De nieuwe actiedoelen vormen echter ook voor voorstanders van de confrontatiepolitiek een mogelijkheid om zich te laten gelden. De autonomen doen van zich spreken, de actievormen worden steeds heftiger en de repressie van de overheid neemt navenant toe. Infiltranten en informanten worden ingezet en mensen krijgen steeds meer de neiging om zich af te zonderen in kleinere groepjes van mensen die elkaar vertrouwen. De beweging verandert in de loop van de jaren tachtig van een platte min of meer open massale organisatie naar een in mootjes gehakte splinterbeweging. Voor buitenstaanders wordt het steeds moeilijker om hier een plek te vinden en de beweging slinkt zienderogen, hetgeen voor velen weer een reden vormt om ermee te kappen. De onderlinge solidariteit neemt snel af en men begint elkaar zelfs van verraad te beschuldigen.

Groepen als RARA en de PVK proberen in de tweede helft van de jaren tachtig te redden wat er te redden valt en denken de beweging door een gedeelde ideologie weer bij elkaar te brengen. Maar juist deze toenemende ideologische inbreng blaast de beweging volgens Duivenvoorden van binnenuit verder op. De aantrekkingskracht van de kraakbeweging was voor velen nu juist de afwezigheid van elke vorm van overkoepelend en boven het alledaagse leven uitstekend gedachtengoed; de afwezigheid van politiek programma's, prioriteiten en woordvoerders.

Beide groeperingen kunnen binnen de beweging dan ook op weinig steun rekenen, maar door het geweld waarmee de 'eindafrekening' plaatsvindt, houdt het grootse deel van 'de kraakgeneratie' het verder voor gezien en gaat wat anders doen.

Rechtszaal

Niet alleen de interne conflicten zijn de oorzaak van het slinken dan de kraakbeweging, zo laat Duivenvoorden zien. Het kraken zelf wordt met de invoering van de Leegstandswet in 1987 steeds moeilijker. Krakers kunnen nu door eigenaren anoniem gedagvaard worden en het ene na het ander pand wordt ontruimd.

Deze speelruimte wordt nog kleiner als in juli 1994 artikel 429 sexies van het Wetboek van Strafrecht het kraken van woningen die korter dan een jaar leegstaan verbiedt. Het aantal te kraken panden daalt hierdoor dramatisch. Door de inhaalslag op het gebied van volkshuisvesting en stadsinrichting zijn er in de stad nog nauwelijks vergeten plekken te vinden. Eigenaren die hun pand langer dan een jaar leeg laten staan hebben vaak duistere bedoelingen. Om zich te verweren tegen de anti-kraakwetgeving en de dubieuze praktijken van eigenaren wordt steeds vaker gebruik gemaakt van de bezwaar- en beroepsmogelijkheden om het bestaan in panden te rekken. De strijd van de kraakbeweging is verplaatst van de straat naar de rechtszaal.

Volgens Duivenvoorden is het hoogst onwaarschijnlijk dat de neergaande lijn binnenkort zal worden omgebogen. De voorwaarden die rond 1978 voor een bloei van de kraakbeweging konden zorgen zoals de grote woningnood, een dreigende invoering van de anti-Kraakwet, een ingestorte huizen- en kantorenmarkt, toenemende werkloosheid met tegelijkertijd het zojuist ingevoerde recht op een bijstandsuitkering vanaf 16 jaar, de mogelijkheid om 'eeuwig' te studeren en niet te vergeten een toenemend maatschappelijk draagvlak voor de kraakacties, zijn niet of nauwelijks aanwezig.

Behalve de anti-kraakwetgeving is er sinds de jaren tachtig een hernieuwd disciplineringsoffensief gestart om de 'losbandige' jeugd middels werk en een korte studietijd weer in het gareel te krijgen. Kraken was en is echter een fulltime job dat je er moeilijk zomaar even naast kunt doen. Het Speculatie Onderzoeks Kollektief (SPOK) schat het aantal actieve krakers in Amsterdam op dit moment dan ook op maximaal honderdvijftig. Het aantal mensen dat gekraakt woont ligt veel hoger, maar het is inmiddels weer in het belang van krakers om geen ruchtbaarheid te geven aan de kraak.

In die zin is de beweging, zo constateert Eric Duivenvoorden, weer terug bij af. Ook in de jaren zestig, waar hij de geschiedenis van de kraakbeweging laat beginnen, zochten de toenmalige clandestiene bewoners vooral vergeten en vervallen woningen op, in de hoop er zo lang mogelijk met rust te worden gelaten.

Broedplaatsen

Verdwijnen zal de kraakbeweging niet. Er zijn ook nog genoeg redenen om te kraken. Het is voor jongeren nog steeds moeilijk om woonruimte te vinden en door de voortdurend stijgende waarde van onroerend goed wordt speculatie weer een lucratieve business. Middels de kraakwachtconstructie voorkomen huiseigenaren echter dat hun kapitaal gekraakt kan worden. Alleen in Amsterdam wonen volgens het SPOK op dit moment al zo'n vijfduizend mensen anti-kraak.

Ook de kwaliteit van het dagelijks leven is nog steeds een belangrijke politieke motivatie voor het kraken. Voor veel mensen heeft het leven in een woon-werk gemeenschap nu eenmaal meer kwaliteit dan een leven op een etage driehoog achter. De gemeente Amsterdam erkent de kwaliteit van de woon-werkcultuur inmiddels ook en heeft er in het kader van het Broedplaatsenbeleid zelfs 90 miljoen gulden voor over om meer van dit soort plekken te realiseren.

Maar, zoals Duivenvoorden elders schrijft: "Echte broedplaatsen kunnen (...) slechts ontstaan niet alleen zonder overheidsbemoeienis, maar ook juist gericht tegen dezelfde autoriteiten." (*)  Met andere woorden: een bloeiende doe-het-zelf cultuur kan niet zonder verzet tegen autoriteiten. In die zin is het vormgeven van het eigen leven los van de staat en de markt net zo goed een politieke strijd als de strijd tegen de autoriteiten. In de kraakbeweging kwamen die twee vormen van politiek vaak samen en daarom was haar impact in haar hoogtijdagen zowel op maatschappelijk als persoonlijk niveau zo groot.

Een voet tussen de deur is zonder meer een knappe reconstructie van de geschiedenis van de kraakbeweging. Of beter, van de Amsterdamse kraakbeweging, want de ontwikkelingen elders in het land komen maar mondjesmaat aan bod. Wellicht is dat iets voor een volgend boek. Voorlopig kan het dienen als standaardwerk, waarbij de Kraakgeneratie als aardig illustratiemateriaal kan dienen. Alleen zal een buitenstaander uit dit boek de indruk krijgen dat de krakers dan wel of niet, zoals hun voorgangers uit de provogeneratie, op het pluche zijn beland, maar toch zeker goed terecht zijn gekomen. Dat een aantal mensen in de kraakbeweging 'de vernieling in is gedraaid', zoals ex-kraker Jaap Draaisma het omschrijft, kom je uit deze interviewbundel niet te weten. Hierdoor is de Kraakgeneratie teveel een successtory geworden.

Freek Kallenberg

Ine Poppe & Sandra Rottenberg, De kraakgeneratie: 18 portretten van krakers uit de lichting 1955-1965. Uitgeverij de Balie, 156 blz. fl. 39,90

Eric Duivenvoorden, Een voet tussen de deur: Geschiedenis van de kraakbeweging 1964-1999. Uitgeverij de Arbeiderspers, 370 blz., fl. 39,90 

(*) In "Amsterdam wordt wakker", concept-tekst voor het Gilde Plus. 

 

.Terug naar boven