|
5 januari
2012
Ingetogen
en goed gedocumenteerd portret van het voormalige hoofd van de
FBI. De film raakt echter verstrikt in uiterlijkheden en sleept
de kijker niet mee.
J. Edgar Hoover blijft een mysterie.
J. Edgar Hoover was van 1924 tot 1972 als hoofd van de FBI een
van de machtigste mannen in de Verenigde Staten. De acht presidenten
waaronder hij diende hadden geen grip op hem. Hoover wist te veel
en bespioneerde via zijn organisatie talloze bekende figuren.
Bovendien wist hij zichzelf te verkopen als grote hoeder van de
democratie.
Als
vernieuwer van misdaadbestrijding is zijn rol onomstreden, maar
evenzeer vertrapte hij achteloos burgerrechten. Hoover was een
fascinerend personage, vol tegenstrijdigheden en behept met vele
geheimen. Zijn vermeende homoseksualiteit en het dragen van vrouwenkleren
hebben voor smeuïge verhalen gezorgd. Het bleef overigens
bij geruchten, Hoover wist zijn privéleven perfect af te
schermen.

Het
scenario van Dustin Lance Black is opgezet als een opeenstapeling
van sprongen in de tijd, waarmee de hoogtepunten uit de halve
eeuw durende heerschappij van Hoover worden belicht. De ontvoering
van het kind van luchtvaartpionier Charles Lindbergh, de arrestatie
van anarchiste Emma Goldman en nog wat andere grote zaken passeren
de revue. Hoover was vooral bedreven in het opeisen van de eer
die het zware werk van anderen opleverde.
Eigenlijk
is het hart van de film Hoover's verhouding met zijn trouwe medewerker
Clyde Tolson (Arnie Hammer). Hun vermeende homoseksuele relatie
wordt omzichtig verbeeld, maar als kijker worden we niet veel
wijzer. Behalve een kus gebeurt er niets op seksueel gebied, op
suggestieve wijze wordt om de hete brij heen gedraaid. De suggestie
dat Hoover's seksuele frustraties hem aanzette tot zijn machtswellustige
en ziekelijke paranoïde gedrag, ligt er duimendik bovenop.

Op
het eerste gezicht lijkt Clint Eastwood niet de ideale regisseur
voor een biografische rolprent over deze gehate en gevreesde figuur.
Het zou eerder gesneden koek zijn voor iemand als Oliver Stone,
die al eerder een uitstekende biopic over Richard Nixon heeft
gemaakt. In tegenstelling tot Stone met zijn Nixon is J.
Edgar geen uitzinnige en satirische biografische film geworden.
Het
is een ingetogen portret van een paranoïde monster die vele
levens verwoestte. Als biografische vertelling is het een nauwkeurige
en bijna schoolse opsomming van hoogtepunten uit de loopbaan van
Hoover. Ook Leonardo DiCaprio als Hoover is niet een voor de hand
liggende keuze. Maar de filmmakers hebben de grote tijdsperiode
fraai aangekleed verbeeld. Wat uiterlijk vertoon betreft is de
film zeker geslaagd.

Met
hulpmiddelen als make-up hebben de makers van de film geprobeerd
DiCaprio alle levensfasen van Hoover geloofwaardig te laten vertolken.
Op het acteerwerk van DiCaprio valt weinig af te dingen, al komt
hij niet werkelijk overtuigend over als baas van de FBI. Broderick
Crawford als Hoover in The Private Files of J.Edgar Hoover
(1977) van regisseur Larry Cohen gaf destijds al de definitieve
vertolking van Hoover.
Het
grote probleem met J. Edgar is dat de film teveel blijft
hangen in een opsomming van feiten en uiterlijkheden, zonder de
diepte in te gaan. Hierbij speelt een gebrek aan durf. Een regisseur
als Oliver Stone gaat met zo'n onderwerp woest aan de haal, om
de hete brei heendraaien levert nooit spannende cinema op. Het
valt te bewonderen dat de 81-jarige Clint Eastwood ieder jaar
weer een film aflevert, maar het vuur lijkt verdwenen uit zijn
werk. Dat is jammer.
Ulrik
van Tongeren
J. Edgar (Warner, 2011), nu in de bioscopen.
●
Meer
filmrecensies uit 2012
-
- - - - - - - - - - -
-
- - - - - - - - - - -
Geef
je mening:
Home
.
.
|