Herdenkingsmonument
van de massamoord in
Distomo, Italië
In
Duitsland staat Josef Scheungraber terecht voor meervoudige moord begaan
in de Tweede Wereldoorlog. Nabestaanden van de slachtoffers eisen onder
meer intrekking van het verweer van de Duitse overheid tegen het Italiaanse
vonnis dat Duitsland tot schadevergoeding heeft veroordeeld.
Juni 1944 heeft het Duitse leger als bezetter huis gehouden in onder andere
Italië en Griekenland. In Distomo, een plaatsje niet ver van Delfi in
Griekenland, hebben leden van de 4th. divisie SS-Polizei-Panzergrenadiere
op 10 juni 218 dorpsbewoners vermoord in het kader van een 'vergeldingsactie'
die het verzet van de partizanen gold. Zij hadden daar helemaal niets
mee te maken.
In
de rapportage hierover wordt beweerd dat daarbij 'bendeleden en van banditisme
verdachte personen' waren gedood. Overlevenden berichtten na de moordpartij
dat er willekeurig mannen en kinderen zijn doodgeschoten en dat vrouwen
werden verkracht en vervolgens zijn neer geknuppeld. Voor dit bloedbad
heeft geen soldaat ooit verantwoording moeten afleggen.
Sfountouris
Argyris
Sfountouris was in juni 1944 nog maar net vier jaar oud. Het was toeval
dat hij het heeft overleefd. Hij verloor zijn ouders en dertig familieleden.
Hoewel de Areopag, het hoogste Griekse gerechtshof, de Bondsrepubliek
Duitsland in mei 2000 heeft verplicht om een som van in totaal 28 miljoen
euro schadevergoeding aan de slachtoffers te betalen, heeft Sfountouris,
net als de andere overlevenden en familieleden, tot op de dag van vandaag
geen rode cent ontvangen.
Voor
Italiaanse rechtbanken hebben de Italiaanse en de Griekse slachtoffers
van de Duitse bezetter intussen met succes gebruik gemaakt van de juridische
mogelijkheid om een eis in te dienen om beslag te laten leggen op Duits
eigendom in Italië. Duitsland heeft daar tegen in gebracht dat het in
alle gevallen ging om overheidsmaatregelen.
Nazi's
in de straten van Distomo
In
alle processen waarbij sprake is van schadevergoeding beroept Duitsland
zich op de 'immuniteit' van de staat als het gaat om oorlogsmisdaden en
om misdaden tegen het volkenrecht. Dit argument hebben echter noch de
Aereopag noch het Italiaanse Hof van Cassatie geaccepteerd.
Om
ervoor te zorgen dat er geen sprake zal kunnen zijn van het volstrekken
van deze vonnissen, heeft de Bondsregering in december 2008 een klacht
ingediend bij het Internationale Gerechtshof in Den Haag. Duitsland wil
laten vaststellen dat de Italiaanse rechtbanken in dit soort gevallen
niet bevoegd zijn en dat hun vonnissen het volkenrecht en de soevereine
rechten van de Bondsrepubliek aantasten. Duitsland probeert dus van rol
te wisselen en profileert zich in dit proces als slachtoffer.
'Vergelding'
In
Falzano di Cortona, een dorpje in de streek Toscana in Italië, hebben
leden van het bataljon Gebirgspioniere op 27 juni 1944 in totaal 818 niet
bij het verzet betrokken dorpsbewoners gedood in het kader van een 'vergeldingsactie'
tegen partizanen. Bij het uitkammen van de omgeving zijn een 74-jarige
vrouw, een jongen van 14 en ook drie mannen tussen de 21 en 55 doodgeschoten.
Dertien
mannen tussen de 15 en 74 jaar werden gearresteerd; 11 van hen zijn vervolgens
opgesloten in de 'Casa Canicci'. Daar zijn vervolgens mijnen gelegd die
tot explosie zijn gebracht, terwijl de mannen daar nog opgesloten zaten.
De destijds 15-jarige Gino M. Angiola Lescai, die bij deze moordpartij
twee leden van zijn familie verloor, heeft het op wonderbaarlijke wijze
overleefd.
De
officieren van deze eenheid die de verantwoordelijkheid droegen waren
bataljonscommandant Herbert Stommel en compagniechef Josef Scheungraber.
Zij zijn in september 2006 door het militaire strafhof in La Spezia in
afwezigheid veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.
De
90-jarige Josef Scheungraber
Omdat
er op basis van het Duitse recht geen sprake kan zijn van uitlevering,
staat sinds september 2008 de 90-jarige Josef Scheungraber terecht wegens
meervoudige moord. De aanklagers hebben als bewijs de getuigenis van de
destijds 15-jarige Gino M. Angiola Lescai die de explosie in Falzano als
enige overleefde. Daarnaast komen tijdens de rechtszaak onder meer negentien
broers, zussen en kinderen van de slachtoffers aan het woord.
Proces
Scheungraber
is nog in staat tot het volgen van het proces, dat wordt gevoerd voor
het Assisenhof van de arrondissementsrechtbank in München. Volgens een
advocaat van Scheungraber is het vanwege de fysieke gesteldheid van zijn
cliënt onverantwoord om het proces tegen de 90-jarige voort te zetten.
Wat hem betreft is dit meer een zaak voor historici dan voor juristen.
Een
groot aantal getuigen is, 65 jaar na het bloedbad, overleden. De bewijsvoering
is moeilijk en het resultaat onzeker. Overlevenden en familieleden eisen
dat er strafrechtelijke en civielrechtelijke verantwoordelijkheid wordt
genomen voor deze moordpartijen van Duitse kant.
Als
er dan al verzuimd is om de daders tijdig voor hun daden te laten boeten,
is het in elk geval noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de slachtoffers
van Nazi-misdaden eindelijk een schadevergoeding krijgen. De aanklacht
voor het Internationale Gerechtshof is een bespotting van de slachtoffers;
die aanklacht hoort te worden ingetrokken.
De
Duitse nazi-jager Ulrich Sander, verbonden aan de Vereinigung der Verfolgten
des Naziregimes, vindt de houding van de Duitse overheid verwerpelijk.
"We zijn in Duitsland goed in het herdenken van de slachtoffers van
de nazi's, maar niet in het vervolgen van de daders. Alleen spijt betuigen
is echter niet genoeg."
Nabestaanden van de slachtoffers houden op 20-21 april een informatiebijeenkomst
in München en 23 april in Den Haag. Meer hierover in de rubriek Oproepen.
-
- - - - - - - - - - -
-
- - - - - - - - - - -
Geef
je mening:
. - November 12, 2009 - 06:09 pm .
nn - April 11, 2009 - 11:58 am Een Duitse ex-officier vertelde onder tranen, wat hij gezien had, toen hij aan de rand stond van de enorme grafkuil, die de Joden voor zichzelf hadden moeten graven:
"Een soldaat stond vlakbij me. Hij hield een machinepistool nonchalant vast en keek gefascineerd naar beneden. Vlak voor me stond een jongen van een jaar of zes. Hij greep steeds naar rechts, waar zijn vader zou hebben gestaan. En toen pakte die soldaat zijn wapen en gaf hem een nekschot en een trap; hij trapte hem de kuil in." Ook waren er filmbeelden van een brandende synagoge, waarin honderden Joden waren opgesloten, vooral vrouwen en kinderen.
Een man vertelde, dat Joden op een dorpsplein in Litouwen bijeengedreven waren en daar onder toezicht van Duitse militairen door hun dorpsgenoten werden doodgeslagen. En ook daarvan waren in die documentaire filmbeelden te zien. Iemand vertelde:
"En toen kwam ik op die plaats, waar het is gebeurd. Een grote menigte stond toe te kijken. Ook vrouwen met hun kind op de armen. Met koevoeten werd er op de Joden ingeslagen. Toen alle Joden dood op het plein lagen, ging een van de beulen op de lijken staan en zongen de dorpelingen het volkslied." Het volgende is een citaat uit een protocol, dat werd opgemaakt door een verzetsstrijder uit Konin, een stadje in Polen:
"Ik ben F.Z, uit Konin, geboren op 15 december 1910, veearts, zonder strafblad, Pool en katholiek. (…) Toen maakten ze (de SS-ers) onze ketenen los en we werden uit de auto gehaald en stonden met onze rug naar een open plek in het bos, waar nu de massagraven zijn. Overal om ons heen stonden groepjes Joden. In de menigte waren mannen, vrouwen met kinderen en moeders met kinderen in de armen. Op de paden en tussen de bomen wemelde het van de Duitsers. Op de bodem van een grote kuil zag ik een laag ongebluste kalk liggen. De mannen van de Gestapo waarschuwden ons dat het bos streng bewaakt werd en dat we als we probeerden te ontsnappen, we door ons hoofd geschoten zouden worden. Toe gaven ze de verzamelde Joden bevel zich uit te kleden en in de kuil te springen. Het gejammer en gehuil waren onbeschrijfelijk. Sommige Joden boden weerstand en die werden geslagen en omlaag geduwd. Sommige moeders sprongen erin terwijl ze hun kinderen vasthielden sommigen gooiden hun kinderen erin, anderen wierpen hun kinderen opzij. Sommigen kropen aan de voeten van de mannen van de Gestapo rond en kusten hun laarzen, hun geweerkolven en dat soort dingen. Wij kregen het bevel kleding en schoeisel te verzamelen. Op een bepaald moment gaven de soldaten het bevel aan de Joden zich niet verder uit te kleden omdat de kuil te vol was. De Joden die zich gehaast hadden en te snel naakt waren werden door de mannen van de Gestapo op de hoofden gegooid van degenen, die al op elkaar gepakt in de kuil stonden. Om twaalf uur ‘s middags kwam er een vrachtwagen van de weg en stopte bij de kuil. Ik zag een soort vaten, vier in totaal. Toen installeerden de Duitsers een kleine motor - waarschijnlijk een pomp – verbonden door middel van slangen met een van de vaten en twee van hen leidden de slangen van de motor naar de kuil. Ze startten de motor en twee mannen van de Gestapo begonnen een waterige vloeistof over de Joden te spuiten. Blijkbaar werden de mensen in de kuil levend gekookt. De kreten uit de kuil waren zo afschuwelijk, dat wij, die bij de berg kleren zaten, daar stukken afscheurden om onze oren te stoppen. Bij het gehuil en de jammerklachten van de Joden die gekookt werden kwam het gehuil van de Joden die op hun ondergang wachtten. Dit alles duurde misschien twee uur, misschien wel langer. Langs de rand van het bos stonden zes of zeven vrachtwagens met zeildoek eroverheen. We werden daarin gedreven en we moesten gaan slapen. Ik kon de kreten nog horen toen ik in slaap viel. De volgende ochtend gaf de Gestapo ons de opdracht de kuil dicht te gooien. De kuil zag eruit, alsof die met een laagje aarde was besprenkeld. De menselijke substantie erin leek in elkaar gezakt te zijn en op de bodem te liggen. De lichamen waren zo dicht op elkaar gepakt dat ze eruit zagen alsof ze stonden, alleen de hoofden hingen in alle richtingen. In de middag kwam er een paar keer een donkergrijs voertuig dat eruit zag als een ambulance de open plek oprijden. Als de achterdeur werd geopend vielen er menselijke lichamen uit, mannen, vrouwen en kinderen. Dat waren ook Joden. Die lichamen zaten aan elkaar vast, alsof ze in verwrongen houdingen door krampachtige omhelzingen met elkaar verbonden waren en hun gezichten waren weggebeten. Ik zag een man met zijn tanden in de kaak van een ander. van sommigen was de neus afgebeten, van anderen de vingers, velen hielden krampachtig elkaars hand vast. Ons werd opgedragen deze lijken met geweld te scheiden. Als dat niet lukte moesten we ze in stukken hakken: handen, benen en andere lichaamsdelen eraf kappen. Daarna moesten we ze in een kleinere kuil leggen; stevig op elkaar gepakt, de afgehakte ledematen moesten tussen de rompen worden gelegd. De lijken waren kennelijk slachtoffers van vergassing. Je kon het gas ruiken dat uit het binnenste van de auto kwam en van de kleren van de doden." (…..) Dit fragment uit het ooggetuigenverslag wordt gepubliceerd in het werk van lord Russell of Liverpool, The Scourge of the Swastika: a short History of Nazi War Crimes.