| 1ddRavagedigitaal
10 januari 2009d |
|
|
|
In zijn nieuwste boek pleit de filosoof Hans Achterhuis voor een realistische visie op geweld en conflicten. Hij toont begrip voor zelfmoordterroristen, bekritiseert de zalvende toon van het kabinet Balkenende en formuleert criteria voor legitiem geweld bij acties.
Een rode draad in de boeken van Hans Achterhuis is zijn wantrouwen ten aanzien van goede bedoelingen. Hoe hoogdravender de intenties, hoe minder kritisch er wordt gekeken naar de praktische gevolgen. Goede bedoelingen zijn daarom vaak schadelijk en gevaarlijk. Vanuit die visie leverde hij kritiek op het welzijnswerk en op de ontwikkelingshulp, die mensen afhankelijk zouden maken in plaats van ze te helpen op eigen benen te staan. In zijn nieuwe boek Met alle geweld richt Achterhuis zijn kritiek onder meer op de humanitaire interventies. Het humanitaire denken heeft zozeer school gemaakt dat veiligheid en nationale belangen nauwelijks nog acceptabel zijn als legitimering van een oorlog: 'Oorlogen lijken alleen te kunnen worden begonnen wanneer ze als humanitaire interventie worden gepresenteerd'. UruzganEen goed voorbeeld is de Nederlandse aanwezigheid in Uruzgan. In het parlement wordt de schijn opgehouden dat we daar zitten om hulp te geven en het land op te bouwen, terwijl het duidelijk is dat we er vooral zitten om tegen de Taliban te vechten (iets waar Achterhuis overigens niet per se tegen is; hij meent dat het bestrijden van de Taliban bij kan dragen aan onze veiligheid). Deze hypocrisie is echter niet het grootste probleem dat Achterhuis heeft met humanitaire interventies. Hij heeft vooral kritiek op de hoogdravende ambities. Het doel van interventies is niet om simpelweg een stuk land te veroveren, maar om – bij wijze van spreken – de wereld te verbeteren. Deze moralistische blik versluiert het zicht op de effecten van een oorlog. Achterhuis werpt de vraag op of 'de theorieën over de humanitaire interventie meer geweld hebben voortgebracht dan voorkomen'. Toch wil hij niet te lichtvaardig afscheid nemen van het middel; 'daar is de realiteit van genocides en misdaden tegen de menselijkheid te bitter voor'. Hier lijkt hij zich schuldig te maken aan wat hij anderen verwijt: vanuit morele overwegingen – "we moeten toch iets doen" - pleiten voor goedbedoelde maatregelen waarvan valt te betwijfelen of ze wel echt helpen. De kritiek van Achterhuis richt zich niet alleen op het idealisme van militaire interventies, maar ook op de goede bedoelingen van sommige actiegroepen. Hij verwijt activisten dat ze hun doelen zo belangrijk vinden dat ze doorschieten in de middelen die ze legitiem achten. Dit zou een rol hebben gespeeld bij het actieverleden van voormalig GroenLinks Kamerlid Wijnand Duyvendak, bij sommige acties van dierenrechtenactivisten en ook bij de moord op Pim Fortuyn. MouffeNiet alleen ideologisch gemotiveerde acties en oorlogen zijn gevaarlijk, stelt Achterhuis, ook het streven naar algehele geweldloosheid is een 'gevaarlijke droom'. Hij sluit zich aan bij de politicologe Chantal Mouffe, die zich keert tegen de ideologen van de Derde Weg (omarmd door mensen als Tony Blair en Wim Kok). (1) Deze ideologen zien de politiek niet zozeer als een strijdtoneel van belangentegenstellingen, maar als een proces waarin op basis van rationele afwegingen consensus wordt bereikt. De links/rechts tegenstelling is in deze visie achterhaald.
Ook Achterhuis vindt dat je niet moet proberen om conflicten uit te bannen. Hij heeft kritiek op de zalvende manier waarop politici als Ernst Hirsch Ballin en Jan Peter Balkenende (beide CDA) elke tegenstelling in de samenleving proberen weg te masseren, onder meer in reactie op de anti-islamfilm Fitna van Geert Wilders. Ook de schrijver Geert Mak zou teveel nadruk leggen op het harmoniemodel. In plaats van krampachtig proberen conflicten uit te bannen kan je ze beter de ruimte geven opdat ze niet al te zeer uit de hand lopen, stelt Achterhuis. 'We hoeven niet allemaal vrienden te worden als we maar bereid zijn om onze vijandschappen vreedzaam uit te vechten', zo citeert hij publicist Pieter Hilhorst. MoralismeNet als Mouffe wijst Achterhuis erop dat dit wel vereist dat het moralisme van de consensuspolitiek opzij wordt geschoven. Dat moralisme bestaat eruit dat degenen die de consensus afwijzen – of het nu rechtspopulisten zijn of radicale moslims – al snel worden gezien als belichaming van 'het kwaad', met als gevolg dat er nauwelijks nog ruimte is voor een normale politieke discussie. Waar Mouffe en Hilhorst zeggen dat je politieke conflicten de ruimte moet geven om te voorkomen dat ze gewelddadig worden, stelt Achterhuis dat ook het gebruik van geweld niet altijd moet worden uitgesloten. 'De gewelddadige rellen na de moord op Martin Luther King hebben volgens mij een grotere impuls gegeven aan de opheffing van de segregatie dan de geweldloze actie die de man voordien voerde', zo zei hij in een interview met de Belgische krant De Morgen. (2) Over die bewering valt natuurlijk te discussiëren. Zo stelt onderzoeker Doug McAdam dat de rellen aanvankelijk wel tot concessies van de federale overheid leidden, maar dat deze successen al snel werden overschaduwd door toenemende repressie en afbrokkelende maatschappelijke steun voor de burgerrechtenbeweging. Na 1968 zakte het zwarte protest dan ook snel in. (3) Hoe dan ook, Achterhuis is niet op voorhand tegen het gebruik van geweld bij protesten. Zoals de socioloog Kees Schuyt ooit criteria formuleerde voor burgerlijke ongehoorzaamheid, zo formuleert Achterhuis criteria voor het gebruik van geweld. Althans, hij geeft een definitie van 'structureel geweld' en suggereert dat het legitiem is om daar met geweld op te reageren. Volgens de Achterhuisdoctrine mag je spreken van structureel geweld als de strijd zich richt op mensen die daadwerkelijk verantwoordelijk zijn voor een misstand en als er sprake is van een beperkt doel. Een voorbeeld is Zuid-Afrika: 'Iedere blanke was zeker niet even schuldig, maar wel 'min of meer intentioneel' betrokken bij de apartheid. Belangrijker misschien nog: er was een in tijd en omvang beperkt doel op grond waarvan de strijd tegen het structurele geweld gevoerd kon worden: opheffing van de apartheid en kiesrecht voor alle groepen in Zuid-Afrika'. Dat beperkte doel is voor hem erg belangrijk. Als je geweld gaat legitimeren op basis van een 'vaag en utopisch doel' dan is het einde zoek.
|