Na
het mislukken van de WTO-onderhandelingen overheerst de retoriek over
gemiste kansen voor ontwikkelingslanden, en wordt er druk gespeculeerd
over de vraag wie de schuldige van het falen is. Maar zoals vele maatschappelijke
organisaties aangeven, betekent dit juist een zegen voor ontwikkelingslanden,
en gezinsbedrijven in de landbouw wereldwijd.
Vertegenwoordigers
van de internationale boerenbeweging Via Campesina voor het WTO-gebouw
in Genève, na het mislukken van de WTO-onderhandelingen
(waaronder José Bové)
door
Guus Geurts
Onderhandelingen
over verdere liberalisering van de wereldhandel zijn mislukt en worden
vermoedelijk voor onbepaalde tijd opgeschort. Daarmee is feitelijk een
einde gekomen aan de zogenoemde Doha-ronde van de Wereldhandelsorganisatie
(WTO). Dat hebben politici en diplomaten bij een laatste reeks gesprekken
in Genève op 24 juli gemeld. Aan de besprekingen werd deelgenomen door
Brazilië, India, Australië, Japan, de Europese Unie en de Verenigde Staten.
De
onderhandelaars konden het niet eens worden over lagere invoertarieven
voor landbouwproducten (EU), het verminderen van subsidies voor boeren
(VS) en mogelijkheden voor meer handel in industriële producten en diensten
tussen westerse landen en grotere ontwikkelingslanden als Brazilië en
India.
Verheugd
Maatschappelijke
organisaties reageren verheugd op het vastlopen van de onderhandelingen.
De voorstellen hadden namelijk niets met een ontwikkelingsronde te maken.
In ruil voor cosmetische verlagingen van handelsverstorende landbouwsubsidies,
wilden de EU en de VS - en dan met name haar invloedrijke multinationals
- een sterk vergrote toegang op de landbouw-, industrie- en dienstenmarkten
van ontwikkelingslanden zien te bewerkstelligen.
Dit
zou desastreuze gevolgen hebben gehad voor het levensonderhoud van miljoenen
boeren en arbeiders in deze landen, omdat deze niet kunnen concurreren
tegen deze (gesubsidieerde) importen. Tegelijkertijd zouden ze miljarden
aan importbelastingen mislopen.
Maar
ook de EU – gesteund door het Nederlandse kabinet – is bereid hiervoor
haar gezinslandbouw op te geven, terwijl het maar de vraag is of er veel
banen zouden bijkomen binnen industrie en diensten.
Ik
betwijfel dat, want met name binnen het Midden- en Kleinbedrijf (MKB)
zou de schade wel eens groter kunnen uitvallen. Het MKB laat zich echter
volledig ondersneeuwen door de lobby van de multinationals binnen VNO-NCW.
Maar ook het CDA, de partij die altijd voor de boeren leek op te komen,
liet en laat zonder protest tienduizenden familiebedrijven afvloeien.
Zij kan de desastreuze EU-landbouwhervormingen niet langer volhouden.
De
inkomens van de boeren dalen dus, en de kleine bedrijven vallen als eerste
af. De groeiers die deze bedrijven opkopen en veelvuldig de besturen van
de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) bevolken vinden het wel best. Maar
omdat de overproductie van producten als graan, melk, suiker en vlees
niet worden aangepakt, en de intensieve veehouderij toegang krijgt tot
goedkoop graan, gaat ook de dumping in ontwikkelingslanden vervolgens
gewoon door.
Het
afschaffen van het laatste restantje exportsubsidies in 2013 is dan ook
alleen voor de bühne bedoeld, want het budget voor handelsverstorende
inkomenssubsidies zou binnen dit WTO-voorstel zelfs mogen stijgen. Alle
retoriek over ontkoppeling van de productie ten spijt. Gelukkig zijn de
onderhandelaars van ontwikkelingslanden slimmer dan de CDA-stemmende boer,
want zij pikken deze truc niet langer.
Deze
boer laat zich overigens ook misleiden door CDA-retoriek over de wens
tot Level Playing Field, waardoor een eerlijke concurrentie onder
gelijke milieu-, arbeids- en dierenwelzijnseisen op de wereldmarkt mogelijk
zou worden. Vergeet het maar want deze non-trade concerns zijn
nooit onderdeel van het huidige WTO-voorstel geweest.
Voedselsoevereiniteit
Tijd
dus voor een alternatief waarbij zowel het Nederlandse gezinsbedrijf als
zijn collega in het Zuiden geholpen zouden zijn, en dat in tegenstelling
tot dit voorstel wel effectief is op het gebied van milieu, natuur en
landschap. Omdat het ook minder EU-budget opslokt, zal het de PvdA tevreden
stemmen. Het is de door de internationale boerenbeweging Via Campesina
gepropageerde 'voedselsoevereiniteit'.
Hierbij
krijgen landen of regio’s als de EU weer het recht hun eigen landbouwbeleid
te voeren, zolang men de boeren in andere landen maar niet benadeelt met
handelsverstorende subsidies. Dus herstel van een kostendekkende prijs
voor een product dat aan alle maatschappelijke eisen voldoet, door het
opnieuw verhogen van importheffingen.
Omdat
ook indien productiebeheersing (op Europees consumptieniveau) wordt toegepast
kan de aanspraak op Europees geld laag blijven. Dat hebben we alleen nog
nodig voor een minderheid van boeren die daadwerkelijk groene diensten
aan de samenleving leveren op gebied van natuur, landschap en milieu.
Op deze manier wordt voorkomen dat de koe vanuit de wei in de bio-industrie
verdwijnt, en kan Europa weer haar eigen veevoer telen in plaats van gebruik
te maken van de voor mens en natuur desastreuze sojateelt in Latijns-Amerika.
Boeren
in ontwikkelingslanden helpen we verder door het opnieuw op de agenda
van de VN plaatsen van grondstoffenovereenkomsten voor producten als koffie.
Het is namelijk niet het gebrek aan markttoegang op de Europese markt
dat hen de das omdoet, maar het gebrek aan marktregulering en bescherming
van hun eigen voedselmarkt.
Het
mislukken van deze WTO-onderhandelingen biedt dus een uitgelezen mogelijkheid
om de rijen tussen boeren-, ontwikkelings- en milieuorganisaties te sluiten.
En laat de door de VVD gesteunde groeiers en multinationals die wél op
de wereldmarkt willen concurreren dan maar links liggen.
De
auteur is milieukundige bij fondsorganisatie XminY en betrokken bij Platform
Aarde Boer Consument