Ravage #6, 29 april 2005 m

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ravage   ● Archief    ● Overzicht 2005    ● Overzicht #6


Ontwikkelingshulp als bedrijfstak

Onlangs verscheen er weer eens een kritisch rapport over de ontwikkelingshulp. Hervormen of afschaffen, dat is de vraag die zich voordoet. Volgens de officiële ideologie moet hulp mensen onafhankelijk en zelfvoorzienend maken, maar de praktijk wijst uit dat NGO's mensen juist afhankelijk maken.

Tekst Dirk Kloosterboer

Onlangs analyseerde Naomi Klein in het blad The Nation het 'rampenkapitalisme'. Landen die een ramp hebben ondergaan worden min of meer onder curatele gesteld door een parallelle overheid bestaande uit commerciële adviesbureau's, aannemers, mega-NGO's, internationale financiële instellingen, en hulporganisaties van overheden en van de Verenigde Naties. Hulpgeld wordt vaak in een fonds gestort dat wordt beheerd door de Wereldbank.

De landen die hulp ontvangen worden onder druk gezet om economische hervormingen door te voeren, waarin de privatisering van de publieke sector een belangrijke rol speelt. Zo voerden Latijns-Amerikaanse landen na de orkaan Mitch in 1998 op grote schaal privatiseringen door, onder druk van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Tegelijk worden landen vaak gedwongen om hun markt te openen voor buitenlandse bedrijven.

Vandaag de dag worden tsunami-slachtoffers gedwongen om de kustgebieden te verlaten en te verhuizen naar barakken en prefabwoningen in het binnenland. Klein citeert een Thaise organisatie van slachtoffers die stelt dat de tsunami een gouden kans biedt voor degenen die de lokale bevolking kwijt willen. De stranden kunnen nu benut worden voor vakantiedorpen, hotels, casino's en grootschalige visbedrijven.

Gebonden hulp

Niet alleen de noodhulp ligt onder vuur, maar ook de structurele hulp. In februari dit jaar brachten de hulporganisaties Oxfam en Action Aid een kritische notitie uit onder de titel 'Molensteen of Mijlpaal', over de voortgang op het gebied van de milleniumdoelstellingen. Deze doelstellingen werden in 2000 door bijna tweehonderd regeringsleiders vastgesteld. In 2015 moet onder meer de armoede in de wereld gehalveerd zijn en moeten alle kinderen basisonderwijs ontvangen.

Volgens de hulporganisaties deugt er weinig aan de manier waarop de hulp wordt vormgegeven. Zo bestaat veertig procent uit zogenaamde 'gebonden hulp', bij hulp uit Amerika en Italië loopt dit op tot zeventig procent. Het gaat om geld dat de ontvangende landen verplicht moeten besteden in het land van de donor, met als gevolg dat ze veel te hoge prijzen betalen.

De donoren zijn 'meer geïnteresseerd in het succes en de zichtbaarheid van hun eigen project of programma dan in het succes van het ontwikkelingsplan van een land', zo stelt de notitie. Dit staat een effectieve uitvoering in de weg. De hulp wordt uitgevoerd door een 'verwarrend rommeltje van officiële instellingen, die allemaal hun eigen projecten en programma's hebben, en die worden gedreven door geopolitieke, commerciële en ontwikkelingsdoelstellingen die met elkaar concurreren'.

Daarbij worden blauwdrukken opgelegd die niet werken, bijvoorbeeld op het gebied van privatisering en handelsliberalisatie. Zulke recepten hebben vaak verwoestende effecten op de armen. Doordat regeringen worden gedwongen om het beleid van de donoren uit te voeren, wordt bovendien het democratische gehalte van de ontvangende landen ondermijnd, zo stellen de schrijvers van 'Molensteen of Mijlpaal'.

Dammen

Volgens Sylvia Borren is de kritiek uit de notitie maar gedeeltelijk op de Nederlandse hulp van toepassing. Borren is directeur van Novib, de Nederlandse organisatie die bij Oxfam is aangesloten. Ze wijst erop dat Nederland relatief veel geld steekt in onderwijs en relatief weinig in gebonden hulp. Wel moet gezegd worden dat het percentage gebonden hulp toeneemt.

Ontwikkelingshulp kan verschillende vormen aannemen. Een klassieke maar omstreden vorm van hulp zijn de grote infrastructurele projecten, zoals de aanleg van dammen. Tien jaar geleden is uitgerekend dat er jaarlijks tien miljoen mensen gedwongen worden om te verhuizen als gevolg van dit soort projecten. Vaak verliezen deze mensen hun middelen van bestaan, waardoor de projecten indirect bijdragen aan de beschikbaarheid van een grote groep werkzoekenden die door hun kwetsbare positie gemakkelijk kunnen worden uitgebuit.

Omdat de schadelijke gevolgen van de hulpverlening steeds meer in de gaten gingen lopen, begon men te zoeken naar manieren om de hulp anders vorm te geven. Hierbij wordt vaak gegrepen naar concepten als participatie en empowerment. Het is de bedoeling dat de belangen van de ontvangende landen meer centraal komen te staan in de hulpverlening, en dat deze ook invloed krijgen op de vorm die de hulp aanneemt. Nederland is één van de landen die voorop lopen in deze meer vriendelijke vorm van ontwikkelingshulp.

Schijnwerkelijkheid

Dat de praktijk er soms anders uitziet dan de officiële documenten doen vermoeden, komt naar voren uit The Real World of NGOs. Dorothea Hilhorst van Wageningen Universiteit doet in dit boek verslag van haar onderzoek naar hulpprojecten op de Filippijnen, die mede met Nederlands geld worden uitgevoerd. Ze geeft een fascinerende beschrijving van de manier waarop lokale NGO's en internationale geldschieters in hun onderlinge communicatie een schijnwerkelijkheid creëren waarin de participatie van de lokale bevolking centraal staat.

Zo biedt een VN-organisatie aan om een subsidieaanvraag schrijven voor een lokale NGO, maar dit mag niet bekend worden. Het beeld moet in stand worden gehouden dat het initiatief van de lokale bevolking komt, ook al is de werkelijkheid anders.

Volgens de officiële ideologie moet hulp mensen onafhankelijk en zelfvoorzienend maken, maar de praktijk kan ook zijn dat NGO's mensen juist afhankelijk maken. Een voorbeeld is een alfabetiseringsproject dat vrouwen moest empoweren, maar dat ze juist in een ondergeschikte positie plaatste ten opzichte van de projectfunctionarissen.

Voor Borren is het beeld dat ontwikkelingshulp de macht in handen legt van een kleine groep sleutelfiguren en daarmee de rest van de bevolking juist afhankelijk maakt, ,,deels herkenbaar''. Volgens haar doet dit probleem zich vooral voor bij hulp van de VN, het IMF, de Wereldbank of tussen landen onderling.

Borren: ,,Novib stelt niet voor niets haar partnerorganisaties centraal. Alle Novib hulp wordt gegeven door organisaties ter plaatse. Zij hebben hun wortels in de maatschappij, zijn onafhankelijk van de overheid en zijn cruciaal in het voorkomen van machtsmisbruik.''

Ook Hilhorst zegt desgevraagd dat niet alle hulp mensen afhankelijk maakt, maar zij is kritischer over de rol van lokale organisaties: ,,Er zijn ook wel projecten waarbij mensen daadwerkelijk een stuk meer bewegingsvrijheid voor zichzelf opbouwen. Dit is soms ondanks in plaats van dankzij de plaatselijke NGO. Mensen geven hun eigen draai aan projecten.''

Hebben NGO's er belang bij dat de lokale bevolking zelfstandig wordt? ,,De NGO zal er altijd naar streven een rol voor zichzelf te houden en is niet geneigd zichzelf overbodig te maken'', aldus Hilhorst.

Ontwrichting

Er is regelmatig discussie over de effectiviteit van ontwikkelingshulp. In ieder geval kan gezegd worden dat Afrikaanse landen tot in de jaren zeventig te maken hadden met dalend analfabetisme, een stijgende levensverwachting en een dalende kindersterfte.

Deze ontwikkeling stagneerde echter in de jaren tachtig, niet toevallig de periode waarin op aandringen van het IMF en de Wereldbank rigoreus werd gesneden in publieke voorzieningen. Vandaag de dag wordt wel gewezen op het succes van sommige Aziatische landen, maar deze landen hebben hun succes niet aan ontwikkelingshulp te danken.

In feite is het onduidelijk of mensen in arme landen duurzaam beter worden van ontwikkelingshulp. Andersom is het wel duidelijk dat de hulp vaak een ontwrichtende uitwerking heeft. Hervormen of afschaffen, dat is de vraag die zich opdringt. Organisaties die zelf betrokken zijn bij de hulpverlening bepleiten vaak hervormingen. 'Tot nog toe hebben we het verkeerd aangepakt', zo valt telkens opnieuw te beluisteren, 'maar nu gaan we het echt anders doen'.

Dit is in feite ook de redenering van Borren, die erkent dat hulp soms averechts uitpakt. ,,Er valt soms kritiek te leveren op de hulpverlening, maar we hebben ook veel lessen geleerd uit het verleden. Dankzij opgebouwde kennis en ervaring. Tegenwoordig weten we ook veel beter waar het fout kan gaan en welke projecten kans van slagen hebben.''

Bedrijfstak

Theo Ruyter van solidariteitscomité XminY ziet weinig in de hervorming van de ontwikkelingshulp. ,,De NGO's moeten onderkennen dat ze zelf een onderdeel van het probleem vormen. Omdat we met de hulp een ontwikkelingsmodel uitdragen en opdringen waarvan langzamerhand duidelijk zou moeten zijn dat het, in ieder geval in materieel opzicht, een doodlopende weg is. We kunnen beter in eigen land aan de slag gaan om een meer duurzame manier van leven te ontwikkelen.''

Volgens Ruyter is de ontwikkelingshulp een bedrijfstak geworden waarin de overlevingsdrang van hulporganisaties een belangrijke rol speelt. Daarnaast zou de hulp een uitlaatklep vormen voor superioriteitsgevoelens, zendingsdrang en 'hulpzucht'.

Het ter discussie stellen van de ontwikkelingshulp wordt vaak gezien als het in de steek laten van arme landen. ,,Daar hoeft echter geen sprake van te zijn. Je kan je ook inzetten om een einde te maken aan oneerlijke handelsbarrières of aan de wapenexport. Het zou zomaar kunnen dat mensen in arme landen daar meer baat bij hebben dan bij goedbedoelde ontwikkelingshulp'', aldus Ruyter.

Afschaffen?

Borren is van mening dat het allebei moet gebeuren, zowel hulp als politieke actie. ,,In onze Make Trade Fair campagne bepleiten we onder meer het recht van arme landen om hun eigen markten te beschermen. We zullen bijvoorbeeld actie voeren rond de WTO-top in Hong Kong in december dit jaar. Maar tegelijkertijd bereiken we ook nu heel veel met de hulp die we bieden. We steunen 840 partnerorganisaties en bereiken daarmee 35 miljoen van de armste mensen met projecten voor voedsel, onderwijs, water en sanitaire voorzieningen.''

Pleidooien voor het verminderen of zelfs stopzetten van hulp zijn vooral uit rechtse hoek te vernemen. Dat is niet altijd zo geweest. In de jaren zeventig pleitten marxisten voor afschaffing van de ontwikkelingshulp, terwijl anderen actie voerden onder het motto Trade not Aid.

Het is ook niet zo vanzelfsprekend dat links zich altijd op zou moeten werpen als de beschermer van ontwikkelingshulp, gezien de economische, militaire en politieke belangen die vaak een motief vormen voor de hulp. Niet voor niets maakt het voor de uitgaven aan ontwikkelingshulp weinig uit of een land een linkse of een rechtse regering heeft.

Ruyter ergert zich aan de angst van veel mensen om ,,rechts in de kaart te spelen'' met kritiek op de ontwikkelingshulp. ,,Deze angst vormt een belemmering voor een nuttige en noodzakelijke discussie over de hulp.''

Bronnen:

Naomi Klein (2005), The Rise of Disaster Capitalism. The Nation;

Patrick Watt (2005), Millstone or Milestone? What Rich Countries Must Do in;

Dorothea Hilhorst (2003), The Real World of NGOs: Discourses, Diversity and Development. Londen: Zed Books;

Van Theo Ruyter verschijnt in september bij Papieren Tijger het boek Requiem voor de hulp: De ondergang van een bedrijfstak.

 

Naar boven