Ravage #5, 8 april 2005 m

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ravage   ● Archief    ● Overzicht 2005    ● Overzicht #5


Sociale aanpak antwoord op
homohaat scholen

Homohaat op scholen is sinds de eeuwwisseling een groeiend probleem. Een deel van de allochtone leerlingen maakt zich schuldig aan discriminerende opmerkingen en mishandeling. Belangenorganisaties draaien overuren om het tij te keren, maar de scholen werken niet mee.

Tekst Alex van Veen

'Vieze, vuile homo!', kreeg Ferdinand van de Ven naar het hoofd geslingerd tijdens zijn derde werkdag op een praktijkschool in Amsterdam. Het was het begin van een langdurige strijd die Van de Ven voerde om respect te krijgen van een groep leerlingen die hem het leven zuur maakte. Met een langdurig ziekteverlof tot gevolg.

Het was een kleine groep die zich zo vreselijk gedroeg, voornamelijk Marokkaanse en Antilliaanse jongens. De meisjes toonden zich geïnteresseerd en waren ook wel nieuwsgierig naar 'die leraar die homo is'. Recht op de man af heeft Van de Ven de jongens gevraagd waarom ze zo tegen hem deden. 'Homo's zijn vies, het mag niet van Allah', was dan het antwoord.

Strak beleid

De docent zocht tevergeefs steun bij zijn collega's en de vertrouwenspersoon. Het viel hem op dat er op de zwarte school wel meer aan de hand was. De leerlingen waren soms afgrijselijk hard tegen elkaar. Leerlingen scholden vrouwen soms uit voor kutwijf en accepteerden van hen geen gezag. Ook was het aantal ongewenste intimiteiten erg hoog, jongens raakten meisjes aan op een manier die een school niet mag toestaan.

Als Van de Ven dat zag, greep hij onmiddellijk in. Hij snapt achteraf nog steeds niet waarom zijn collega's het wangedrag blijkbaar niet zagen, of wilden ze het niet zien? De docenten vormden ook geen hecht team waardoor het onbegonnen werk is om de mentaliteit op een school te veranderen.

Van de Ven denkt dat een school alleen iets aan de agressie kan doen door een strak beleid te voeren. Er moeten regels zijn en ouders en leerlingen moeten van tevoren weten wat die zijn, dan kunnen de ouders beslissen of ze niet liever hun kind naar een andere school sturen. En als een leerling zich onbehoorlijk gedraagt, moet daar actie op ondernomen worden.

Na een jaar lang te zijn gekoeioneerd, een keer fysiek te zijn aangevallen en meermaals bedreigd, knapte er iets in Van de Ven. Hij had al geruime tijd last van stress, vreemde tintelingen in z'n armen. Hij stopte met zijn werk en zocht professionele hulp, want er was een kiem van haat gelegd. Hij kon bij wijze van spreken geen hoofddoek meer zien. Voor de klas wil hij niet meer.

Wij-cultuur

De ervaringen van Ferdinand van de Ven zijn niet uniek, dat hij ermee naar buiten is getreden wel. Na de emancipatie van de jaren '80 en '90 is er opnieuw sprake van een groeiende intolerantie ten opzichte van homoseksuele geaardheid. Dit keer zijn het geen autochtone plattelandsjongeren maar is het een deel van de allochtone jeugd die de homohaat met de paplepel krijgt ingegoten.

Het openlijk afwijzen van homoseksualiteit komt overigens niet alleen voort uit de interpretatie van de koran, zoals zo vaak wordt gesuggereerd. Ook de dominante conservatieve gemeenschapscultuur speelt een belangrijke rol. Marokkanen, Turken, Antillianen en anderen die het islamitisch geloof delen leven in een wij-cultuur waarin het vooral draait om trotse ouders en de eer van de familie.

In het boek 'Mijn geloof, mijn geluk' vertelt een homoseksuele moslimvrouw haar liefde voor een vriendin te hebben beëindigd uit liefde voor haar ouders: ,,Het geluk van mijn ouders gaat boven mijn eigen geluk. Maar ja, het gaat wel ten koste van je eigen geluk. Voor niet-moslims is dat niet te begrijpen, die vragen zich af waar ik dan blijf als individu.''

Krzysztof Dobrowolski van COC-Amsterdam beaamt dergelijk gedrag. ,,Zodra een moslimmeisje openlijk uitkomt voor haar homoseksualiteit maakt ze haar familie te schande. Weegt de pijn die ik mijn ouders toebreng wel op tegen mijn eigen geluk?, vraagt men zich vervolgens af. Dus komt men er maar niet openlijk voor uit.''

Volgens Dobrowolski schermen moslimjongeren vaak ten onrechte met de koran als het gaat om het discrimineren van homo's: ,,Vraag je ze expliciet naar de betreffende passage, dan blijkt men de koran zelf niet gelezen te hebben. Als pa zegt dat homo's verachtelijk zijn, dan zegt het kind hem dat na.''

Tegelijkertijd bestrijdt Dobrowolski de gangbare opvatting dat alle moslims homofoob zijn, een beeld dat voornamelijk door de media is geschapen. ,,Ik wil hierbij overigens het beeld recht zetten dat het onbegonnen werk zou zijn om op zwarte of VMBO scholen homo-voorlichting te geven. Er is wel degelijk ook begrip, al wordt het een taaie klus zodra er een islamitische leerling tussen zit die homoseksualiteit radicaal afwijst.''

Tolerant

In opdracht van Forum (Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling) is onderzoek gedaan naar de mening van allochtone leerlingen over (homo)seksualiteit en over homoseksuele docenten. Hiervoor zijn 83 Turkse, Marokkaanse en Surinaamse leerlingen geïnterviewd.

Een meerderheid van de geïnterviewde allochtone leerlingen staat tolerant ten opzichte van homoseksuele docenten. Deze tolerantie betekent echter niet dat er ook sprake is van acceptatie van homoseksualiteit. Dat blijkt uit de geringe tolerantie voor homoseksualiteit in de familiekring.

Een kleine groep allochtone leerlingen, met name op het IVBO (Individueel Voorbereidend Beroepsonderwijs), vertoont een discriminerende houding naar docenten toe. Dit zijn vooral Turkse en Marokkaanse leerlingen. De situatie op het IVBO is zo homovijandig dat dit tot problemen zou kunnen leiden als een docent openlijk uit zou komen voor zijn homoseksuele geaardheid.

Het lijkt er op dat leerlingen die langer in Nederland verblijven een tolerantere houding hebben. Dit geldt in mindere mate voor de Marokkaanse leerlingen. Jongens zijn over het algemeen minder tolerant dan meisjes. De intolerantie onder jongens richt zich in het bijzonder op mannelijke homoseksuele docenten.

Er leven veel vooroordelen en misvattingen over homoseksualiteit onder de leerlingen. De kennis over homoseksualiteit is op alle niveaus gering. Dit is een direct gevolg van het ontbreken van informatie over homoseksualiteit en seksuele voorlichting.

Voorlichting

Bij het COC afdeling Amsterdam hebben ze het in jaren niet zo druk gehad met de voorlichting op scholen. Kwamen er gedurende het schooljaar 2003-2004 nog 90 verzoeken binnen, voor het schooljaar 2004-2005 staat de teller half maart al op 77. Dobrowolski, die zelf frequent als voorlichter voor de klas heeft gestaan, komt daar nu nauwelijks nog aan toe.

Als coördinator homo-voorlichting heeft hij een groep van dertig vrijwilligers onder zich. Waar het COC de stijging van het aantal voorlichtingsverzoeken aan te danken heeft, weet hij niet goed. ,,We krijgen zelfs verzoeken binnen van scholen die wij niet eens hebben aangeschreven, laat staan dat we van het bestaan af wisten'', zegt Dobrowolski.

De meeste voorlichters van zijn team zijn wit en autochtoon. Het COC werft weliswaar gericht op culturele diversiteit, maar in de praktijk melden zich voornamelijk autochtonen aan voor de taak van vrijwilliger. ,,Jammer, want wanneer je een dame van Marokkaanse afkomst voor de klas zet, is in één keer het argument van tafel dat homoseksualiteit niet voor komt binnen Marokkaanse kringen.''

Statistisch gezien bevinden zich in elke klas twee homoseksuele leerlingen. De voorlichters waken er echter voor om deze stelling te poneren. ,,Zodra je een verkeerde klas voor je hebt, loop je het risico dat de pispaaltjes al snel tot homo worden gebombardeerd waardoor die dan helemaal geen leven meer hebben.''

Er worden foefjes gehanteerd om de jongeren bewust te maken van hetgeen ze met discriminerend gedrag aanrichten. Zo worden allochtone leerlingen geconfronteerd met de vraag hoe zij het ervaren om gediscrimineerd te worden op basis van hun uiterlijk. En of ze zich vervolgens wel eens hebben ingeleefd in de homo die door henzelf wordt gediscrimineerd.

Veiligheidsbeleid

Volgens het blad van de onderwijsbond AOb heeft welgeteld één Amsterdamse school een homobeleid geformuleerd. Op veel scholen met allochtonen weigeren directies en schoolbesturen het onderwerp homoseksualiteit bespreekbaar te maken omdat ze bang zijn voor reacties van leerlingen en ouders. Op zulke scholen wordt homoseksueel personeel niet echt gesteund.

Bij de organisatie Empowerment worden problemen als deze en die van voormalig docent Freek van de Ven reeds langdurig onderkend. In samenwerking met COC Nederland, de AOb en APS, en financieel gesteund door het ministerie van Onderwijs, werkt Empowerment aan proefprojecten op scholen waarmee het veiligheidsbeleid wordt verbeterd.

Peter Dankmeijer, een van de bedenkers van het project, vindt dat er, naast de bestaande voorlichting vanuit het COC, er hoognodig wat moet veranderen. ,,Een uurtje voorlichting in een klas is weliswaar effectief, maar het effect is na een paar weken weer weggeëbt. Wij hebben een structurele oplossing voor ogen, waar voor het schoolmanagement een belangrijke rol is weggelegd.''

Uit onderzoek is gebleken dat sommige scholen op het gebied van veiligheid beter scoren dan anderen. ,,Op scholen waar een goede sfeer heerst, waarbij men steun vraagt van elkaar, gedeien homodocenten het beste. Een open sfeer en onderlinge steun is erg belangrijk voor het acceptatiegedrag van homoseksualiteit'', zegt Dankmeijer.

Proefproject

Dat klinkt logisch, maar de vraag is hoe je die sfeer dan verbetert? Dankmeijer: ,,Samen met het schoolmanagement brengen we in kaart wat er speelt op school rondom veiligheid, en acceptatie van homoseksualiteit in het bijzonder. Vervolgens laten we tijdens een training docenten elkaar interviewen, met vragen over hun pedagogische doelen, waarom men eigenlijk leraar is geworden, hoe zij zelf de sfeer ervaren op school en hoe zij die denken te kunnen verbeteren.''

De meeste scholen beschikken al gauw een team bestaande uit 150 leraren. Vandaar dat men voor de training vijftien docenten selecteert. Deze docenten moeten later op hun beurt weer vijf andere docenten interviewen, etc. Vervolgactiviteiten bestaan uit leerlingenbegeleiding, het protocol bijstellen, voorlichting geven. Het proefproject loopt door tot aan de zomer, begin mei worden de resultaten verwacht.

Volgens Dankmeijer is het aardige aan dit proefproject dat alleen al door de onderlinge vraaggesprekken die de docenten houden er wat in werking wordt gezet op school. ,,Zodra leraren in plaats van de gangbare gesprekken over voetbal, vakantie, etc. het voortaan hebben over de sfeer op school, dan zijn we al een heel eind op de goede weg.''

Zodra is gebleken dat het proefproject tot positieve resultaten heeft geleid, zal deze non-repressieve aanpak van het veiligheidsprobleem voor het komende studiejaar aan nieuwe scholen worden aangeboden. Maar dan moeten die wel positief reageren, want de meeste van de 1500 scholen in dit land zeggen dat het bij hun achter de voorgevel koek en ei is.

Onderwijsinspectie

Ook de onderwijsinspectie heeft sinds kort meer aandacht gekregen voor het sociale klimaat op scholen. Een keer per jaar wordt het schoolmanagement ondervraagd over van alles en nog wat. Een paar vragen hebben betrekking op het homobeleid. ,,Schoolmanagers zeggen al gauw dat er bij hun geen problemen zijn op school. Ik schat in dat veel inspecteurs nog niet goed weten hoe ze deze vormen van onwetendheid en schijntolerantie tegen kunnen gaan'', zegt Dankmeijer.

Volgens Dankmeijer zit de onderwijsinspectie in een spagaat: ,,Aan de ene kant willen ze de school controleren, maar tegelijk willen ze coachen. Deze maand publiceert de onderwijsinspectie haar rapportage over 2004. Ik heb inmiddels begrepen dat het lastig is de problemen boven water te krijgen en het lijkt alsof het allemaal wel meevalt met de situatie. Wij weten uit eigen ervaring en onderzoek wel beter. De inspectie maakt een afweging op basis van gesprekken met rectoren, wij op basis van onderzoek en gesprekken met docenten en leerlingen.''

Dat schoolmanagers de problemen in de klas niet zien, komt volgens Dankmeijer vooral voort uit onervarenheid. ,,Scholen zijn eigenlijk pas sinds kort verantwoordelijk voor hun eigen beleid. Ze houden zich vooral bezig met roosters samenstellen, financiering en het aanbrengen van detectiepoortjes. Zeg maar de harde kant van het management.''

Dankmeijer juicht het toe als er in de nabije toekomst van meerdere kanten eraan getrokken wordt om scholen zover te krijgen dat ze vrijwillig deelnemen aan de voorlichtings- en veiligheidsprojecten. ,,De onderwijsinspectie moet wat meer gaan trekken, wij wat meer duwen, maar ook het ministerie moet wat vaker signalen afgeven. Er zal langzamerhand in dit land een sfeer moeten ontstaan dat scholen erop aan worden gekeken dat ze niets aan de onveilige sfeer doen.''

bronnen: Onderwijsblad (www.aob.nl), Mijn geloof, mijn geluk (Hatice Kursun en Imad el Kaka), Verschillen Verkend (Forum).

 

 

 

 

 

 

 

Naar boven