|
|
●
Ravage ●
Archief
● Overzicht
2005 ● Overzicht
#2
Het banaalfundamentalisme
De gemiddelde Nederlander is helemaal geen slachtoffer van moslimfundamentalisme of terrorisme, er speelt iets anders. De onderbuikretoriek van de angstpolitiek toont ons het ware monster onder ons bed: het banaalfundamentalisme, dat zich vertaalt in het ontberen van enige nuance en het louter uitkramen van cartoontaal of het kopiëren hiervan.
Tekst Harm Hopman & Thomas van Aalten
Nederland is niet alleen 'in verwarring', maar bovendien de wanhoop nabij, als we Geert Wilders mogen geloven: ,,Het vertrouwen van de burger in deze regering is dan ook op een historisch dieptepunt beland.'' Dezelfde woorden die Pim Fortuyn een aantal jaren geleden gebruikte om een populistische politiek te bepleiten, als reactie op de paarse jaren. Een rammelende veiligheidsdienst, een hakkelende regering en een gevaarlijke Marokkaanse buurman spelen in bange dagen hun rol in de hoogconjunctuur van de angst. Men is ontvankelijk voor politieke leiders met daadkrachtige taal, die zeggen de boze wolven met stokken uit de kast te zullen verjagen: ,,Nederland moet worden teruggegeven aan de burger! Met uw steun ga ik ervoor knokken dit voor mekaar te krijgen!'' Wilders hanteert een kinderlijk eenvoudig reactionair taalgebruik, waarbij hij het liefst in herhaling valt: in verschillende interviews blijft hij roepen dat hij zich zorgen maakt, zonder een concrete oplossing te bieden. In De Telegraaf van 31 oktober 2004 zegt hij: ,,Ik maak me grote zorgen over de toenemende invloed van de islamitische religie en cultuur.'' Een eenvoudig te begrijpen emotie, maar een holle politieke uitspraak. Wat gaat Wilders er aan doen? Komt er een razzia-achtige sanctie die riekt naar de statuten van een jongensclub in een boomhut, die voorschrijven wie wel en niet mee mag doen in ons land? Eén ding is duidelijk aldus Wilders, hij gaat ,,geen kopjes thee drinken bij een foute imam.''
De spanningen in de Nederlandse samenleving zijn de laatste maanden toegenomen, denkt 83 procent van de Nederlanders. Niet dat die 83 procent ook daadwerkelijk geënquêteerd is; het is een afspiegeling van de Nederlandse maatschappij, gecreëerd door Maurice de Hond met zijn 'representatieve volksraadplegingen' via internet. Het onderzoek werd gehouden voor het televisieprogramma 'Het nationale kabinet' (20 november 2004); een poging ,,om tot constructieve aanbevelingen te komen waar de Nederlandse maatschappij wat aan heeft'', aldus Philip Freriks in de uitzending. De eindconclusies die in het programma geformuleerd werden, waren wollig en de ambtenarentaal zal waarschijnlijk nauwelijks aansluiting vinden in de maatschappij, aangezien de nieuwste ster aan het politieke firmament, Geert Wilders, veel beter weet welke toon moet worden aangeslagen om de steun van het volk te kunnen krijgen. De tegenstellingen tussen groepen in de samenleving die aan de basis liggen voor deze maatschappelijke spanningen zullen volgens 58 procent van dezelfde groep Nederlanders van De Hond dan ook groter worden. Tussen welke groepen de spanning op zal lopen, wordt in het onderzoek niet aangegeven, de concrete aanleiding natuurlijk wel: de moord op Theo van Gogh. In de weken na deze aanslag is de kritiek op de traditionele waarden in de moslimgemeenschap fel opgelaaid, tot brandbommen en aanslagen aan toe. De tegenstelling met het moslimfundamentalisme wordt groter, elke vorm van zelfkritiek over welk fundamentalisme er tegenover staat, wordt angstvallig vermeden.
De fundamentalistische benadering van elk geloof of ideologie kenmerkt zich in grote mate door een nostalgische hang naar basale waarden, die alleen aanhangers zal vinden wanneer deze waarden in het gedrang komen. Over de hele wereld worden deze waarden voornamelijk aan religieuze regels en wetten ontleend. De term fundamentalisme is dan ook niet van islamitische oorsprong, maar werd aan het begin van de vorige eeuw in de Verenigde Staten gemunt door een protestants-christelijke afscheidingsbeweging. Welke fundamentele waarden worden er echter tegenover het moslimfundamentalisme geplaatst in de Nederlandse samenleving, waar volgens onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau in 1995 nog maar 40 procent zich verbonden voelt met kerkelijke en religieuze instellingen (waarvan een groot deel zich verbindt aan de Islam)? Tegenover de traditioneel religieuze waarden staan in Nederland de waarden van het banaalfundamentalisme. Overal om ons heen zien we aanslagen van deze nieuwe gewraakte stroming, die haar oorsprong kent in het media-infuus dat ons sinds de opkomst van de commerciële televisie en internet aangeboden wordt. Met de komst van de commerciële omroepen in 1989 werd de bijbel van het banaalfundamentalisme geschreven: seculiere waardenloosheid ging een verbintenis aan met de normenloosheid van het commercieel gestuurde aanbod. Het prediken van de verkoop stapte over de grenzen van het afgescheiden reclameblok en de inkomsten van reclames bepalen sindsdien het aanbod van het belangrijkste medium in Nederland. Het morele excuus waar de commerciële omroepen zich op beroepen is dat zij beantwoorden aan de vraag die de samenleving formuleert met behulp van zijn afstandbediening. De inhoud van de programma's appelleert aan basale emoties waar de nieuwe televisiegenres op gebaseerd zijn: voor de competitiedrang zijn de talentenjacten opgepoetst, liefde heeft Robert Ten Brink al jaren, die voor relatieproblemen het stokje intussen heeft doorgegeven aan de EO. Tendentieuze nieuwsberichten worden bij 'Actienieuws' gekoppeld aan regionaal nieuws, waardoor de bron van angst niet langer de 'Ver Van Mijn Bed Show' is, maar dichterbij dan de banaalfundamentalist ooit kon vermoeden. Het oprakelen van angstige onderbuikgevoelens streeft slechts één doel na, de afstandsbediening dient onaangeroerd te blijven.
Zelden zien we een banaalfundamentalist boven de twijfelachtige uitingen van marginale (en triviale) media staan en deze grootmeesters van de oppervlakte negeren om zich te verdiepen in andere (buitenlandse) kranten en televisieprogramma's om een breed zicht te krijgen op een maatschappelijk klimaat. Liever laat men zich informeren door overgeschreven persberichten of de vingeroefeningen van een stagiaire van de Hogeschool voor Journalistiek. De minder ontwikkelde, welhaast anti-intellectuele laag van onze samenleving vréét de kortetermijn-emotie, en wordt, behalve angsthaas en aanbidder van elke bekende dode Nederlander, ook nog eens banaalfundamentalist: het gaat deze waarden als zijn eigen beschouwen en is bereid om ze te verdedigen tegen elke andere overtuiging. Het grootste recht van de banaalfundamentalist is zijn eigen mening, die zich kenmerkt door vrijblijvendheid, omdat uitgesproken principes oneigentijds zijn. De discussie na de aanslag op Theo van Gogh ging er dan ook voornamelijk om dát de vrijheid van het woord - van Theodor Holman, bij voorbeeld - veiliggesteld moest worden in alle vrijblijvendheid, ongeacht de inhoud ervan. Al snel ontwikkelde de discussie dan ook tot het niveau van beroepsborrelaars Frits Barend en Henk Van Dorp. De individualisering plaatst de banaalfundamentalist in het centrum van de veelheid aan vrijblijvende keuzes, en het gevoel dicteert de keuze voor een mening met de pragmatiek van de grootste toehoorder: des te meer mensen luisteren naar de mening, des te groter is zijn bestaansrecht. Daar kunnen Maurice de Hond en Geert Wilders over meepraten. Alles wat niet binnen het geestelijke bereik en incasseringsvermogen van de banaalfundamentalist ligt, wordt benaderd met de angst van de xenofoob: waarover men niet kan spreken dient als bron van angst zo snel mogelijk geneutraliseerd te worden. Het politieke vrije woord verwordt in de talloze talkshows en rondetafel-nieuwsrubrieken tot de mening van de buurman op een verjaardag. De banaalfundamentalist plaatst zichzelf in een gemedieerde schijngemeenschap, alsof ook hij aan de borreltafel zit. Als ervaringsdeskundige van ervaringsdeskundigen wordt de nuance geschuwd. Als men dan op het punt van verzadiging komt en de verveling toeslaat, kondigt de presentator in gebroken Engels een Internationale Artiest aan.
De hiërarchie in de verantwoordelijkheidsketen van minister-president tot individu geeft de banaalfundamentalist het excuus te doen wat hij het liefst doet: kankeren. De nostalgische tendens is in het banaalfundamentalisme verwoord met 'Vroeger, vroeger was alles beter'. De onvrede met de regeringsvorm staat in balans met de vrijheid om verantwoordelijkheid af te schuiven op de hogergeplaatste, en als individu zelfrespect te behouden door het kwaad in zijn omgeving niet als gevolg van eigen handelen te zien, maar af te schuiven op de leider, die zegt begrip te tonen voor de situatie van de banaalfundamentalist. De populistische leider staat dan ook in dienst van het volk en heeft slechts als dienaar het grootste respect voor de individuele integriteit van de banaalfundamentalist. De populistische politiek begeeft zich tegelijkertijd richting het volk door zich met hypes bezig te houden maar laat de afstand tussen burger en politiek steeds groter worden door een steeds nadrukkelijker aanwezige, repressieve overheid. Aangezien ook de politiek zijn weg naar het volk voornamelijk via de televisie vindt, heeft de populistische leider trekken van de publieke figuur op televisie gekregen, met de dandy Fortuyn als duidelijk voorbeeld. In 'Mighty Society' schetst theatermaker Eric de Vroedt de Nederlandse politieke situatie: ,,In een eeuw waarin de beeldvorming regeert en politiek is verworden tot politainment kun je het onmogelijk nog over de successen of mislukkingen van politieke leiders hebben zonder rekening te houden met hun optreden in de media. De moderne politicus is in de eerste plaats performer.'' De Amerikaanse socioloog Neil Postman verwoordt het dramatischer: ,,Als een volk afgeleid wordt door trivia, als het culturele leven alleen nog maar entertainment is, als het serieuze publieke debat een soort kinderlijk gebrabbel wordt, kortom, als de mens toeschouwer wordt en het publieke belang een toneelstuk, dan loopt dat land een groot risico, de dood van de cultuur is dan zeer wel mogelijk.'' De moord op Fortuyn wordt intussen niet meer gezien als de dood van 'een' politicus, het was volgens velen het eerste symptoom van ons nationaal faillissement. 'Nederland heeft zijn onschuld verloren' klonk het wederom in de jaaroverzichten van 2004 en voor het gemak worden de moord op Fortuyn, de talloze gevallen van zinloos geweld, de 'afslachting' van Theo van Gogh, de aanslagen in Madrid, de aanslagen op het WTC (de aanslag op het Pentagon wordt nog maar zelden genoemd), het einde van de maakbare samenleving en het mislukte multiculturalisme op één hoop gegooid. Omdat nuance en verdieping kennelijk te lastig zijn. Korte analyse in korte zinnen hebben we nodig (ook wel Jip en Janneke taal genoemd). Heldentaal, de taal van doeners op de barricaden in het luchtledige ('Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg!').
Zolang de banaalfundamentalistische samenleving nuance blijft ontberen en gevaarlijke door zichzelf tot kopstukken gebombardeerde quasi-helden het vrije woord krijgen en zij het publieke debat larderen met reactionaire praat, zal het debat geleid worden door het volk en zich richten op het uitroeien van alle vreemde waarden die zij tegenkomt. Overvloedige volksraadpleging zoals we die thans zien, werkt niet alleen dubieuze populistische partijen in de hand, maar zorgt er ook steeds meer voor dat politiek door media-aandacht en dus geld bepaald zal worden. Als de landelijke politiek zich van het publiek zou verwijderen, ten behoeve van het nationale belang en het individu zijn verantwoordelijkheid in zijn directe leefomgeving kan laten gelden, behoort een maakbare samenleving misschien nog wel tot de mogelijkheden. Veel van de maatschappelijke problemen die het banaalfundamentalistische publieke debat domineren hebben namelijk niets te maken met landelijke politiek maar gaan om een leefbaarheid op het persoonlijke niveau. Dit zijn problemen die in een open en vrije samenleving niet van overheidswege te reguleren zijn zonder op een politiestaat af te stevenen en langzamerhand de vrijheid van het individu af te schaffen. De banaalfundamentalist zal, als hij minder invloed zou hebben op het landelijke politieke debat, zich meer richten op zijn eigen leefbaarheid: een verantwoordelijkheid voor maatschappelijke cohesie op het niveau van de wijk middels inspraak en sociale dienstplicht (niet zozeer een landelijke dienstplicht als bij het leger, maar één die voortkomt uit en werkzaam is in de eigen sociale omgeving). Als de banaalfundamentalist inspraak wil hebben op landelijk politiek niveau zal hij zich eerst in een partijenstelsel moeten opwerken, moeten studeren, om een klinkende stem te kunnen hebben, die door dossierkennis recht van spreken heeft. Anders zullen ze zich moeten schikken in hun vertegenwoordigde lot. De banaalfundamentalist zal blijven bestaan, het is tenslotte ieders recht banaal of xenofoob te zijn, maar het zou goed zijn als de politiek zich niet voortdurend zou laten leiden door onderbuikgevoelens. Dat is misschien juist het wezenlijke aan de misvatting over de fundamentalistische islam: het is niet de religie op zichzelf, maar de gepolitiseerde variant ervan (het islamisme) dat geweld als politiek middel niet schuwt en mogelijk samenlevingen bedreigt. Als het banaalfundamentalisme nog meer vat krijgt op de politiek is dat ook een mogelijke bedreiging van de samenleving.
Dit artikel is afkomstig van de website: www.cut-up.com
|
Ravage
#2
|