Ravage   ● Archief    ● Overzicht 2002    ● Overzicht #11


Uit: Ravage #11, 30 aug 2002

Atoombommen en nazi-groeten uit Almelo

Hoe fout is Urenco?

Dat de kernproeven in Pakistan hun oorsprong vinden in de spionage activiteiten van Abdul Quadeer Khan in de Almelose vestiging van Urenco mag als bekend worden verondersteld. Maar weinigen weten dat de Brits-Duits-Nederlandse Urenco concerns en haar aandeelhouders het niet zo nauw nemen met non-proliferatie-aspecten en op nazi-fundamenten zijn gebouwd.

"Wij zijn zo vrij, Uw aandacht te vestigen op de nieuwste ontwikkelingen in de kernfysica, die het naar onze mening mogelijk zal maken een explosief te vervaardigen dat in vele orden van grootte krachtiger zal zijn dan de conventionele. (...) Het land dat er het eerst gebruik van maakt, heeft een niet meer in te halen voorsprong op de anderen behaald. (...) Heil Hitler".

Met deze brief van 24 april 1939 aan Reichmarschall Hermann Göring, mede ondertekend door kernfysicus Wilhelm Groth, begint de geschiedenis van Neerlands uraniumverrijking te Almelo.

In de herfst van 1941 worden Duitse kernfysici opgeroepen voor een geheime militaire conferentie die gaat over de vraag hoe zuiver uranium-235 is te verkrijgen voor de productie van de 'uranium-bom'. Het apparaat dat werd besproken is de ultracentrifuge, aanvankelijk gascentrifuge genoemd. Het principe ervan werd al in 1919 door Britse geleerden gepubliceerd.

De nazi Wilhelm Groth en de communist Max Steenbeck zijn Duitse centrifugisten. Het tegenstroom centrifuge principe van Steenbeck had theoretisch het grootste scheidend vermogen en leek op industriële schaal toepasbaar. Het voordeel van gascentrifuge ten opzichte van gasdiffusie is dat het minder energie kost, minder ruimte in beslag neemt en gemakkelijker kan worden uitgebreid naar gelang de behoefde. Door deze drie eigenschappen moest het de goedkoopste methode zijn om uranium te verrijken voor de productie van een kernwapen.

Kistemaker

Een 18-jarige boerenzoon, genaamd Jacob Kistemaker, begon in 1935 zijn studie te Leiden. Daar werkt hij tot in de oorlogsjaren als assistent van de directeur van het Kamerlingh Onnes-laboratorium. In een brief van 13 mei 1944 schrijft een NSB-secretaris-generaal in het Duits dat in het Leidse laboratorium "de laatste jaren ononderbroken waardevolle wetenschappelijke arbeid is verricht; de daar aan verbonden professoren en het verdere personeel, ook de 'Instrumentenmakersschool' hebben zonder uitzondering volkomen loyaal hun plicht vervuld..."

De niet-collaborerende onderdelen van de Leidse universiteit werden in 1944 door SS-Hauptsturmführer dr. Alfred Richard Bötcher geplunderd en naar het Duitse Jülich (ter hoogte van Heerlen) aan de Belgische grens verscheept. Bötcher had in de voorafgaande bezettingsjaren bij het Leidse laboratorium gewerkt.

De in 1937 te Amsterdam opgerichte NV Handelsonderneming Cellastic werd in de Tweede Wereldoorlog een door de Duitsers van alle faciliteiten voorziene organisatie, waarbij wetenschappelijk-industriële spionage werd uitgevoerd in het  Cellastic-gebouw Rue Quentin-Bauchart te Parijs.

Sinds 22 juni 1940 stond het kernfysische laboratorium van Frederic Joliot-curie in Parijs onder Wehmacht-beheer. De nazi's besloten de installaties te laten functioneren en te gaan toezien op eventuele resultaten. Onder de niet-Duitse geleerden, die wel tot collaboratie met de nazi's bereid waren, bevond zich de jonge drs. J. Kistemaker. Cellastic treed dan in actieve oorlogsfunctie.

Kistemaker behoorde tot de dagelijkse bureaustaf van het Parijse Cellastic-gebouw. Vanuit het Leidse laboratorium werd, tussen 1941 en de bevrijding van Parijs in augustus 1944, een groot aantal malen zonder problemen naar de Franse hoofdstad gereisd. Onder dit reisgenootschap bevond zich ook de Duitse nazi Wilhelm Groth, mede-ondertekenaar van de brief aan Göring in 1939, die zowel in Leiden als in Parijs onderzoek verrichtte.

Voorschot

In 1945 promoveerde Kistemaker aan de universiteit van Leiden. De nazi's Groth en Bötcher zetten hun onderzoek voort voor de firma Degussa te Bonn. Waarschijnlijk werd reeds in 1947 Groths centrifuge-onderzoek in het geheim in Nederland ondergebracht, aan de Hoogte Kadijk in Amsterdam, het eerste eigen na-oorlogse FOM-laboratorium van Kistemaker.

Kistemaker was op 1 januari 1947 in dienst getreden van deze door de staat ingestelde stichting Fundamenteel Onderzoek Materie (FOM). Hij begon als research-fysicus en is vanaf 1953 belast met het onderdeel 'Massascheiding', waaronder ook de scheiding van uranium-isotopen valt. In 1954 hervatte Groth zijn onderzoek in Hanau, de vestigingsplaats van Degussa-dochter Nukem.

In 1955 krijgt Kistemaker van de directeur van de firma Werkspoor een voorschot van 22.500 gulden voor zijn onderzoek naar de scheiding van zware isotopen. In datzelfde jaar wordt het Reactor Centrum Nederland (RCN), door staat en bedrijfsleven, opgericht. Sinds 1956 staat de post 'ultracentrifuge' op de begroting (118.500 gulden). Het jaarverslag van het FOM over 1957 meldt: "Door het RCN werd met Duitse instanties overleg gepleegd aangaande samenwerking op het gebied van de ultracentrifuge-ontwikkeling, waarbij zal worden voortgebouwd op een reeds langer bestaand onofficieel contact tussen professor Kistemaker en professor Groth van de universiteit van Bonn, die eveneens experimenten en studies op dit gebied verricht."

In 1958 is de ultracentrifuge post opgelopen tot 300.000 gulden. Dit is het jaar van de geruchten over een Duits-Nederlandse proeffabriek.

In het jaarverslag van het Reactor Centrum Nederland over 1961 (ultracentrifuge post: 340.000 gulden) wordt vermeld dat Kistemaker gebruikt maakt van "de tegenstroom wervel volgens de methode-Steenbeck". Met 'de methode van Professor Kistemaker' wordt dus bedoeld, de door Kistemaker ontworpen centrifuge volgens het Steenbeck principe, die hij samen met de Duitse nazi Wilhelm Groth ontwikkelde.

Kernwapens

In 1976 is in Almelo, na een bouw van twee jaar, de gezamenlijke Nederlands-Duitse demonstratie fabriek 'SP1' (Seperation Plant 1) in bedrijf genomen. De centrifuges zijn van Wilhelm Groths ontwerp. Het Duitse centrifuge project was tot 'staatsgeheim' verklaard en niet tot 'militair geheim', omdat de Bondsrepubliek zich ertoe had verplicht kernenergie slechts voor vreedzame doeleinden te gebruiken. De Duitse en Nederlandse verrijkingsvestigingen van Urenco mogen bomzuiver uranium-235 produceren, mits deze uitsluitend voor burgerlijke of wetenschappelijke doeleinden en niet voor wapenproductie is bestemd.

Toen de heer J.E.E. Meilof, technisch directeur Urenco Nederland BV, in 1977 werd gevraagd of de centrifuge technologie gebruikt kon worden voor kernwapenproductie, zei hij: ,,Nou, ik ben geen expert op het gebied van de wapenindustrie maar ik dacht dat die jongens meer dan 90 procent verrijkt uranium nodig hadden. Voor de verrijking moet je duizenden centrifuges achter elkaar schakelen, door elke centrifuge wordt het uranium een stapje verder verrijkt. Als je het proces herhaalt of als je het verder uitbouwt dan kom je tot over de 90 procent als je dat wilt. (...) Als je een bom zou willen maken, heb ik als niet-deskundige begrepen, dan zou je inderdaad van centrifuges gebruik kunnen maken.''

De vraag of Urenco ook technologie aan Brazilië verkoopt, ontkent de toenmalige Urenco-directeur, maar het zou mogelijk zijn dat dochterondernemingen dat wel doen aan betrouwbare landen. Het contract tussen Urenco en de Braziliaanse Nuclébras dateert van 20 september 1976. Uranit (Urenco's Duitse aandeelhouder) verkoopt, in ruil voor een deel van de uraniumerts productie, verrijkingstechnologie aan Brazilië. Tot de Braziliaanse verrijkingsfabriek is gebouwd, levert de Urenco-Group uranium aan Brazilië, dat Brazilië gedeeltelijk weer doorverkoopt aan Irak. In 1997 ondertekent Brazilië het Non-Proliferatieverdrag omdat het de mogelijkheid bezit kernwapens te maken.

Apartheidsregime

In 1978 verkoopt Uranit kennis over het ultracentrifuge procédé aan Zuid-Afrika. Dit land produceert hiermee al snel uranium voor kernwapens, waarmee het kernproeven uitvoert. In datzelfde jaar wordt bekend dat BNFL (Urenco's Britse klant en aandeelhouder) uranium betrekt uit de grootste uraniummijn ter wereld (De Rössing mijn van de Britse multinational Rio Tinto Zinc) in het door Zuid-Afrika bezette Namibië. Volgens decreet nr. 1 uit 1974 van de Verenigde Naties is daarom de export van grondstoffen uit Namibië verboden.

Omdat Urenco alleen maar haar verrijkingsdiensten verkoopt van de door haar klanten ingekocht materiaal, wordt de Nederlandse staat niet vervolgd wegens heling van geroofde delfstoffen. Mocht de VN erachter komen dat Urenco het verarmde uranium van haar klanten opkoopt, dan heeft Urenco zich ingedekt met de mededeling dat er in de ultracentrifuges een mix aan uranium uit diverse landen wordt gebruikt. De herkomst zou niet meer te traceren zijn.

In de jaren zestig neemt de Amerikaanse mijnbouwmaatschappij Rio Tinto deel aan de Westduitse firma Nukem te Hannau (aandeelhouder Uranit), dochteronderneming van Degussa te Bonn. Uranit is sinds haar oprichting in 1969 gevestigd in Jülich, waar SS-Hauptsturmführer Bötcher in de jaren veertig het geplunderde universiteitsinstrumentarium naartoe verscheepte. Tot eind jaren zestig is Bötcher Degussa directeur.

Controle

In 1988 wordt de directeur van Degussa-dochter Nukem in Hanau geschorst vanwege het verdwijnen van twee vaten radioactief afval, waarschijnlijk richting het Pakistaans kernwapenprogramma. De Nukem-directeur blijft directie-voorzitter van de Urenco-Group. Naar aanleiding van de Nukem-affaire hebben de regeringen van Zweden, Zwitserland en de Verenigde Staten op verzoek van minister Van den Broek van Buitenlandse Zaken  schriftelijk vastgelegd het uit Almelo ontvangen verrijkt uranium niet meer te zullen gebruiken voor militaire doeleinden.

Bij de Tweede Kamer besprekingen in januari 1998 over de opwerking van splijtstof uit Borssele en Dodewaard, wil de PvdA-fractie dat Nederland geen nucleair materiaal verkoopt aan het buitenland: "Met de verkoop aan andere landen blijven we de kernenergiecyclus voortzetten, hetgeen wij ook niet willen stimuleren."

Zes maanden later krijgen de D66-ministers Wijers en Van Mierlo toestemming van de Tweede Kamer (inclusief de PvdA-fractie) voor het ondertekenen van een tienjarig leveringscontract van Urenco Nederland met de Taiwan Power Company. Hierbij treedt de staat op als privaatrechtelijk persoon namens de firma Urenco, waarbij (internationale) publieksrechtelijke non-proliferatie-aspecten worden overgelaten aan de controlerende instantie, de Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA - waarin Pakistan wordt vertegenwoordigd door de heer Kahn) te Wenen en Euratom te Brussel. Maar wanneer de 'nationale veiligheid' in het geding is, hoeft kernmacht Groot-Brittannië zelfs controle van de IAEA niet toe te staan en Euratom controle is niet toegestaan op 'stoffen voor verdedigingsdoeleinden'.

Wit voetje

Na de schandalen over het Namibisch uranium, Kahn, Nukem en de Braziliaanse doorsluizing van uranium aan Irak, heeft Urenco waarschijnlijk bij de VN een slechte naam gekregen. (Dat Urenco actief heeft meegewerkt aan de totstandkoming van een kernmacht in Zuid-Amerika en Afrika schijnt geen schandaal te zijn!) In het voorjaar van 1996 probeert Urenco namelijk een wit voetje bij de VN te halen: Urenco medewerkers in inspectieteams van de Verenigde Naties herkennen in Iraakse installaties centrifuge technologie en centrifuge rotoren van Urenco. Het materiaal is door ex-medewerkers van de voormalig Uranit-aandeelhouder MAN geleverd.

De zwarte piet toe spelen aan (aandeelhouders van) de Urenco-aandeelhouders lijkt sinds 1970 een Urenco standaard. Want, zoals iedere Urenco-directeur zal mededelen: Urenco Nederland BV is en blijft "een keurig nette, degelijke Hollandse industrie".

Momenteel wordt er driftig gewerkt aan een productie uitbreiding naar 3.500 ton jaarlijks isotopenscheidend vermogen (SW/a). Laat men Urenco haar gang gaan of moet het eerst echt mis gaan zoals in Tsjernobyl? (Boem is ho?)

Theo Radestra

Met dank aan 123FM, Bart Meinen (NENO) en de openbare bibliotheek van Almelo

Van 2 tot 25 september vinden "Uranium Actiedagen" plaats. Voor meer informatie: home.hetnet.nl/~antinucleair/Actueel/Actueel.htm en www.aku-gronau.de

Uranium voor Rusland

Urenco heeft een contract met de verrijkingsinstallatie van Minatom, het Russisch ministerie van kernenergie. Daar wordt het verarmde uranium, dat Urenco opkoopt van haar verrijkingsklanten, opnieuw verrijkt. Deze opkooppraktijk van kernafval is waarschijnlijk al in de jaren zestig begonnen om de prijs te reduceren en daarmee de concurrentiepositie te versterken. In de jaren negentig wordt deze puur economische gemotiveerde praktijk gebracht als het immer gewilde recyclingsproject van Urenco. Volgens Urenco wordt er in Rusland verrijkt tot een percentage van natuurlijk uranium, dat weer terug naar Nederland gaat. Het sterk verarmde uranium blijft achter in Rusland.

Maar gezien de activiteiten van Minatom hoeft deze lezing niet op waarheid te berusten. Minatom is op 28 januari 1992 per presidentieel decreet opgericht. Minatom is verantwoordelijk voor het ontwikkelen, testen en produceren van het Russische kernwapenarsenaal. In oktober 1996 onderging het ministerie een reorganisatie die enkele ambtelijke posities versterkte, waaronder die van Lev Ryabev, die tevens tot staatssecretaris van Minatom werd benoemd. Door deze post kan Ryabev de minister passeren en direct de Russische minister-president benaderen.