|
●
Ravage ●
Archief
● Overzicht
2002 ● Overzicht
#6 Uit: Ravage #6, 26 apr 2002 Ach ja, Den Haag Het einde van de democratie?De parlementaire democratie nadert met rasse schreden haar einde. De politiek partijen lopen leeg, de opkomst bij verkiezingen is 'bedroevend' en de kloof de burger en de politiek lijkt inmiddels onoverbrugbaar. De stekker kan er wel uit daar in Den Haag. Of is dit wat al te voorbarig? Al zeker tien jaar woedt er in Nederland een discussie over de onzekere toekomst van de parlementaire democratie. Vreemd is dit niet, de cijfers geven er alle aanleiding toe. Slechts twee procent van het electoraat is lid van een politieke partij. Bij de Tweede Kamer-verkiezingen gaat weliswaar nog steeds meer dan de helft van de kiezers stemmen, maar de groep thuisblijvers wordt steeds groter. Bij Europese of lokale verkiezingen zijn de niet-stemmers regelmatig in de meerderheid. Hoewel volgens onderzoekers het vertrouwen in de parlementaire democratie in Nederland nog steeds groot is, ervaren politici deze lage opkomstcijfers steeds vaker als een probleem. Debat Toch zijn ze er zelf debet aan. De politieke partijen hebben zich in de jaren zeventig als antwoord op de democratiseringsgolf een decennium eerder steeds verder geprofessionaliseerd. Door maatschappelijke vraagstukken in onnavolgbare technische beleidstaal te gieten, werd voorkomen dat iedereen zich met politiek ging bezighouden. Daarnaast namen regeringen steeds minder de moeite in debat te gaan met de bevolking. De na-oorlogse 'linkse' kabinetten namen nog wel een actieve houding aan in het maatschappelijk debat. Ook de verschillende centrum-rechtse kabinetten onder Van Agt gingen nog uitvoerige discussies aan met bijvoorbeeld de sociale bewegingen rond kernwapens en kernenergie. Maar in tegenstelling tot de protestgolf van de jaren zestig hadden deze omvangrijkere protesten nauwelijks effect op het gevoerde beleid. De politiek was ongevoelig geworden voor protesten. Terwijl de activisten van de jaren zestig nog massaal lid werden van partijen als de PPR, PSP en CPN, zag men daar nu geen enkele reden meer toe. Met de komst van Lubbers keerde de politiek zich volledig af van de publieke ruimte. Het terugdringen van het financieringstekort kreeg prioriteit en alle maatschappelijke vraagstukken werden voortaan in boekhoudkundige termen gedefinieerd. Kok zette deze lijn voort. Bovendien werd onder zijn leiding het openbaar bestuur vercommercialiseerd. Maatschappelijke vraagstukken werden in markttermen gevat en de overheid liet steeds vaker weten dat haar macht ook maar beperkt is. Burgers en activisten trokken daaruit de terechte conclusie dat het nog maar weinig zin had je pijlen op Den Haag te richten. Temeer daar elke kritiek werd gesmoord in de achterkamertjes van het polder-overleg. Vernieuwing Politici ervaren die afnemende belangstelling in toenemende mate als een probleem. Vooral het feit dat er bij verkiezingen steeds minder mensen kwamen opdagen, vonden ze zorgwekkend. De afgelopen jaren werden er daarom talloze voorstellen gedaan om de kiezer weer naar de stembus te lokken. Zo zou een herziening van het kiesstelsel - bijvoorbeeld door de invoering van een (gedeeltelijk) districtenstelsel - de band tussen kiezer en gekozenen versterken. Het zelfde werd verwacht van een gekozen minister-president en burgemeester. Deze voorstellen hebben het overigens geen van allen gehaald. Om de burgers in ieder geval het gevoel te geven dat ze direct mee kunnen praten en beslissen werden directere vormen van democratie gelanceerd als referenda, stadsgesprekken, debatten, panels en enquêtes. Van de 'digitale democratie' die de mogelijkheid zou bieden tot on line-debatten en digitale mening peilingen werd en wordt veel verwacht. In bestuurskundige kringen zijn 'interactieve beleidsvorming' en 'co-productie van beleid' de nieuwe toverwoorden. Dit zou beter aansluiten bij de veranderingen die zich het afgelopen decennium als gevolg de globalisering en informatisering hebben voorgedaan. De huidige netwerksamenleving bezit niet langer een centrum van waaruit ontwikkelingen bepaald, beoordeeld of gelegitimeerd worden. Hierdoor hebben de traditionele politiek en bestuurlijke instituties hun greep op de publieke besluitvorming grotendeels verloren. Deze vindt nu steeds vaker plaats op internationaal, lokaal en regionaal niveau. Ook vinden veel meer politieke besluiten plaats in publieke en quasi-publieke netwerken van bureaucratie, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De democratie is met andere woorden haar centrum kwijt geraakt. Media Volgens de Tilburgse hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen hebben politieke partijen door deze verplaatsing van de politiek hun exclusieve rol in het organiseren, faciliteren en kanaliseren van politieke participatie door burgers verloren. "Op het vlak van de ideeën, de beginselen en de programma's werd lange tijd van een centrale sturing uitgegaan. Die tijd is nu definitief voorbij", zo stelt Frissen in zijn artikel De politieke partij in de netwerksamenleving. Politieke partijen zijn in hoge mate een product van het industriële tijdperk waarin de samenleving op een piramidale wijze wordt bestuurd. Dat tijdperk nadert haar einde en de politiek partij dus ook. In de netwerksamenleving zijn het bestuur en het publieke debat in hoge mate gefragmenteerd. Deze fragmentatie verbindt uiteenlopende en vaak tegenstrijdige waarden en normen en is niet meer te funderen in een overkoepelend al dan niet groot verhaal zoals in het tijdvak van de verzuiling toen godsdienstige en wereldlijke ideologieën in de behoefte aan betekenis voorzagen. In de jaren negentig maakte de ideologie plaats voor de media. Deze behandelen elk sociaal probleem en politiek vraagstuk volgens de wetten van het amusement. "De aandacht voor het persoonlijke aspect, de nadruk op de presentatie en theatraliseren van de politieke strijd wekken de suggestie dat het ergens over gaat. Maar in wezen is het zonder betekenis", zo stelt de filosoof Gabriël van den Brink in Onbehagen in de politiek (1996). Van den Brink: "De politiek en het politieke denken raken hierdoor in hoog tempo hun ordenend vermogen kwijt. Ze zijn niet langer in staat om aan de burgers te verklaren waarom de maatschappij draait zoals ze draait en helemaal niet wat men aan die ellende zou kunnen doen." Het gevolg is volgens Van den Brink een toenemende onverschilligheid of mentale chaos die gelijk oploopt met de toename van het aantal tv-kanalen. Participatie Nu blijkt die onverschilligheid in de praktijk wel mee te vallen. Politicologen worden niet moe aan te tonen dat de burger zich meer voor politiek interesseert dan voorheen. Ze worden alleen geen lid meer van een politieke partij maar van maatschappelijke organisaties als Amnesty, Artsen zonder Grenzen, Greenpeace, Natuur en Milieu, et cetera. De staat mag dan aan alle kanten worden uitgehold, de civil society is groeiende. Deze omvat een bonte verzameling van vrijwillige associaties, qua thema variërend van consumentenbelangen tot politieke gevangenen, qua participatie variërend van intensief vrijwilligerswerk tot giroactivisme. Deze associaties en organisaties hebben de rol als intermediair tussen burger en politiek overgenomen van de politieke partijen. Deze groeiende civil society leidt er overigens niet toe dat men zich niet meer voor de politiek in Den Haag interesseert. Integendeel, zo blijkt uit verkiezingsonderzoeken. ,,Hoewel we nog steeds niet precies weten waarom mensen niet gaan stemmen, weten we wel dat niet-stemmers meestal ook maatschappelijk niet actief zijn. Mensen die wel actief zijn in maatschappelijke organisaties gaan meestal ook stemmen'', zo stelt de Amsterdamse politicoloog Jean Tillie. Zelf doet hij al jarenlang onderzoek naar het stemgedrag van immigranten. ,,De opkomst onder Turken in Amsterdam is bijvoorbeeld enorm gedaald'', zegt Tillie. ,,Dit heeft alles te maken het verdwijnen van de Turkse zelforganisaties. Begin jaren negentig kende de Turkse gemeenschap daar nog een heleboel van. Dat was vrij uniek. Turken namen hierdoor actief deel aan de maatschappij en in 1994 ging 67 procent van hen stemmen bij lokale verkiezingen. Die zelforganisaties zijn sindsdien de nek omgedraaid en daarmee ook de maatschappelijke participatie van de Turken in Nederland. Het gevolg was dat in 1998 nog maar 39 procent van de Turken in Amsterdam ging stemmen en bij de laatste verkiezingen kwam nog maar 28 procent opdagen.'' Democratie Tillie is er ook minder dan Frissen van overtuigd dat de rol van politieke partijen is uitgespeeld: ,,De uiteindelijke beslissingen worden nog steeds in Den Haag genomen. Je ziet wel dat zich daar steeds meer actoren om heen verzamelen die het beleid mede-vormgeven, maar uiteindelijk zijn het nog steeds de politici die beslissen. Het is ook niet voor niks dat iemand als Wijnand Duyvendak, die ooit begon bij de anti-militaristische actiegroep Onkruit, via Milieudefensie toch voor GroenLinks in de Kamer gaat zitten.'' De internationalisering en de opkomst van de netwerksamenleving hoeven dus volgens Tillie niet te leiden tot het einde van de parlementaire democratie en politieke partijen, maar zetten wel de democratie in algemene zin onder druk. ,,Als er iets geproblematiseerd wordt door de globalisering is het wel de democratie. Juist door het diffuus raken van beslissingsmechanismen en onderhandelingsstructuren in netwerken. Nu worden wel op tal van plekken in de wereld beslissingen genomen, maar de democratische controle is vaak ver te zoeken. Niet alleen binnen het bedrijfsleven en internationale instellingen als het IMF en de EU, want ook binnen sociale bewegingen die zich internationaal organiseren is het onduidelijk waar het democratisch proces plaatsvindt. Greenpeace bijvoorbeeld is een enorm belangrijke speler in het spel, maar wat is hun legitimatie uiteindelijk? Dat zijn slechts de mensen die een donatie overschrijven.'' Hetzelfde gebrek aan democratische controle geldt volgens Tillie ook voor de door Frissen bewierookte interactieve beleidsontwikkeling en co-productie van beleid waarbij bestuurders en burgers samen beleid maken. ,,Wie zitten daar nou eigenlijk aan tafel? Ook daar heb je een representatieprobleem, want burgers gaan niet naar elke inspraakavond of beleidsvergadering. Oscar Wilde zei al eens: 'het nadeel van het socialisme is dat het zoveel vrije avonden kost'. Dat geldt hiervoor net zo goed. Met als gevolg dat ook nu beslissingen worden genomen door 'vertegenwoordigers' waarvan onduidelijk is wie ze vertegenwoordigen.'' Volgens Frissen ligt juist hier nog wél een de taak voor de politieke democratie. Die zou zich moeten concentreren op de organisatie van de publieke besluitvorming zonder hierin inhoudelijk partij te zijn of tot besluitvorming over te gaan. Ze moet er slechts op letten dat deze besluitvorming 'goed' verloopt, dat wil zeggen democratisch is, uitsluiting voorkomt, et cetera. Tillie kan zich hier in vinden, maar benadrukt dat je wel een politieke eenheid nodig hebt waarbinnen je democratische spelregels toepast. ,,Of dat nu een natiestaat is of een stad of regio maakt niet uit, je hebt een politieke eenheid nodig. Als je dat loslaat komt de democratie in gevaar, dat is mijn zorg.'' Revival De huidige politieke eenheid, de natiestaat, wordt echter aan alle kanten uitgehold. De ICT brengt wereldwijde netwerken tot stand die spotten met de nationale staat. Al haar machtsmiddelen - geweldsmonopolie, belastingen, taal - zijn gebonden aan een grondgebied. Zij veronderstellen dat zowel de bevolking als het bedrijfsleven zich in grote lijnen aan territoriale grenzen houdt. Dat is inmiddels achterhaald - als het ooit al ergens op gebaseerd was. Toch is de nationale staat nog niet verdwenen. Vooral op gebieden waar zij nog wel over middelen beschikt - toezicht, controle, immigratie - laat zij zich meer dan ooit gelden. Bovendien heeft de globalisering een nieuwe discussie over de waarde van het nationale losgemaakt. Dit varieert van protectionistische maatregelen om het 'eigen' bedrijfsleven te beschermen tot racistische bevolkingspolitieken gevoed door de gedachte 'eigen volk eerst'. Het debat over de eigen cultuur en waarden wordt vaker gevoed dan ons lief is. De onzekerheid ten gevolge van tendensen als flexibilisering en globalisering roepen steeds vaker een afwerende reactie op waar populistische politici als Haider, De Winter en Fortuyn handig op inspringen. Juist deze laatste lijkt nu te zorgen voor een revival van de partijpolitiek. Zijn succes is mede te danken aan het feit dat hij de onvrede over politiek Den Haag weet te mobiliseren. Toch betekent dit volgens Tillie niet dat potentiële niet-stemmers nu opeens naar de stembus gaan om op Fortuyn te stemmen. ,,Fortuyn trekt niet zozeer proteststemmen, alswel rechtse kiezers'', aldus Tillie. ,,Ik verwacht niet dat de opkomst bij de komende Tweede Kamerverkiezingen opeens veel hoger zal zijn.'' Dit laatste is in zijn ogen niet zorgwekkend zolang mensen die niet gaan stemmen verder wel tevreden zijn. ,,Maar wel als mensen ontevreden, wantrouwig en cynisch zijn wordt het anders. Dan kan er misschien een revolutie uitbreken - en daar zijn we voor - maar die revolutie kan wel twee kanten op, die kan ook rechts uitpakken'', aldus Tillie. De voortwoekerende discussie over de kloof tussen de burger en de politiek verhult in feite dat een grote groep mensen van deelname aan het dagelijkse maatschappelijk leven is uitgesloten. In de neo-liberale ideologie - want een ideologie is het - van Paars is alleen betaald werk de sleutel tot de maatschappij. Andere vormen van deelname aan het (maatschappelijk) leven worden in toenemende mate gecriminaliseerd, evenals 'afwijkende' vormen van politiek. Niet alleen Fortuyn, maar ook de andere politieke kopstukken in Den Haag willen juist deze lijn verhevigd voortzetten. En zo graven zij door aan hun eigen graf... Freek Kallenberg |
||