Ravage   ● Archief    ● Overzicht 2002    ● Overzicht #2


Uit: Ravage #2 , 1 februari 2002

Het is elke dag oorlog

Globalisering laat armen in de steek

Globalisering is goed voor iedereen, zo stellen haar pleitbezorgers. Vooral de arme landen en haar inwoners zouden van het open gaan van de grenzen profiteren. Niks is minder waar, zo blijkt uit de cijfers. In het tijdperk van de globalisering zijn de verschillen tussen arm en rijk alleen maar groter geworden.

Er kan nog iets goeds voortkomen uit de verschrikkelijke aanslagen op het WTC en Pentagon. Het zou er toe kunnen leiden dat meer mensen zich bewust worden van het feit dat er op 11 september vorig jaar niet alleen ruim drieduizend doden vielen in New York, maar dat er diezelfde dag elders in de wereld 46 duizend mensen overleden als gevolg van hongersnood.

Bijna al deze mensen vonden de dood als direct of indirect gevolg van armoede. Volgens de pleitbezorgers van de globalisering zou deze juist afgenomen moeten zijn in het laatst kwartaal van de vorige eeuw. Maar hoe luidt het bewijs?

Afname

Het Center for Economic and Policy Research (CEPR) in Washington onderzocht onder leiding van Mark Weisbrot het 'algemeen gedeelde' geloof dat globalisering een succes is in termen van economisch groei en de effecten hiervan op de gezondheid en levensstandaard van mensen in met name armere landen.

Om te onderzoeken hoe het landen verging in de 'globaliseringsperiode' 1980-2000 in vergelijking met de twintig jaar daarvoor, heeft Weisbrot van 176 landen het inkomen per hoofd van de bevolking, de levensverwachting, het sterftecijfer, het analfabetisme en de onderwijsparticipatie gemeten.

Hij concludeert dat de economische groeicijfers in alle landen, van de rijkste tot de armsten, in de periode 1980-2000 afnamen ten opzichte van de twintig jaar daarvoor. De armste groep zag de groei van haar Bruto Nationaal Product (BNP) afnemen van 1,9 procent per jaar naar 0,5 procent, de op één na armste groep van 3,6 naar minder dan één procent. De gemiddelde Mexicaan zou als de groei van de periode 1960-1980 zich zou hebben doorgezet nu twee keer zoveel inkomen hebben, een Braziliaan meer dan twee.

Op het gebied van gezondheid verbeterde de situatie in de meeste landen zich op bijna elk gebied minder snel gedurende de globaliseringsperiode dan in de periode daarvoor. De grootste afname vond plaats in die landen waar het toch al niet best gesteld was met de gezondheidszorg. Ook op het gebied van onderwijs en analfabetisme zagen de armere landen de vooruitgang in de laatste twintig jaar afnemen.

In de negentien voormalige Oostblok 'overgangseconomieën' heeft het door het IMF opgelegde beleid volgens Weisbrot bijgedragen aan "een van de grootste economische rampen in de wereldgeschiedenis". Rusland verloor in de periode 1989-1997 meer dan de helft van haar nationale inkomen, "een afname die zelden gezien wordt in vredestijd (...) het aantal armen steeg van twee naar zestig miljoen." Alleen Polen is er in geslaagd terug te keren naar haar niveau van 1989.

Ongelijkheid

Uit het Human Development Report 2001 (HDR) van de Verenigde Naties blijkt dat, terwijl het BNP per hoofd van de bevolking in de geïndustrialiseerde landen steeg van 6500 dollar in 1960 naar 16.750 dollar in 1998, het BNP in de minstontwikkelde landen op 750 dollar per hoofd van de bevolking is blijven steken. Het gat tussen arm en rijk nam gedurende deze periode dus met 10.250 dollar toe. Terwijl in de 25 jaar voor 1980 de ontwikkelingslanden een hogere inkomensgroei kenden dan de ontwikkelde landen is dit patroon sinds 1980 omgekeerd. De arme landen zagen hierdoor hun mogelijkheden om te importeren slinken. De handel tussen de rijke landen nam daarentegen wel toe.

Andere factoren die ongelijkheid creëren zijn verschillen in technologie, barrières die rijke landen opwerpen om te voorkomen dat lagelonenarbeiders naar hun land verkassen en het feit dat kapitaalstromen vooral van het ene rijke land naar het andere lopen "en op geen enkele wijze bijdragen aan het verspreiden van de vruchten van de groei naar de armste mensen in de armste landen".

Het gevolg is een dramatische toename van de ongelijkheid in de inkomensverdeling in de wereld. Het inkomen van de rijkste twintig procent van de wereldbevolking was in 1960 nog elf keer zo groot als dat van de armste twintig procent, in 1989 was dat al zeventien keer zo groot. Deze cijfers zijn gebaseerd op het Bruto Nationaal Product wat zelf al een nationaal gemiddelde is, waardoor sommige nog armer zullen zijn. Gedurende de periode 1960-1989 zag de rijkste twintig procent van de wereld haar aandeel in het bezit van de wereldrijkdommen van 70 naar 82 procent stijgen, de armste twintig procent zag haar aandeel dalen van 2,3 naar 1,5  procent in 1989.

Kinderen

Volgens Carol Bellamy, directeur van het VN Kinderfonds, hebben we "de kinderen van 1990 laten vallen... gezien de potentie die er was aan hulpbronnen en kennis". Het kindersterftecijfer (jonger dan 5), veelal genoemd als de meest betrouwbare ontwikkelingsindex, nam met 14 procent (drie miljoen) af maar haalde zeker niet het gestelde doel van 33 procent. De verbetering was voor en groot deel te danken aan vaccinatieprogramma's.

De doelstelling om het vrouwensterftecijfer te halveren werd niet gehaald, er is de laatste tien jaar zelfs geen enkele vooruitgang geboekt. Elk jaar sterven ongeveer 515 duizend vrouwen aan de gevolgen van zwangerschap of de geboorte van hun kind. In de minst ontwikkelde landen is de kans op zo'n dood 1 op 16, in de geïndustrialiseerde landen 1 op 4000.

De 17 procent afname van ondervoeding onder kinderen jonger dan vijf jaar bleef ver verwijderd van vijftig procent waarop was gehoopt. In sub-Saharisch Afrika (sSA) nam het absolute aantal ondervoede kinderen zelfs toe. Nog steeds heeft meer dan een miljard mensen geen toegang tot veilig drinkwater, ondanks een jaarlijkse toename van drie procent. De helft van de bevolking van Azië blijft verstoken van een deugdelijke riolering.

Tweederde van de 100 miljoen kinderen zonder basisonderwijs is een meisje. Ook werk, een handicap, armoede, besmetting het HIV-AIDS, het behoren tot een etnische minderheid, een afgelegen woonplaats of conflictsituaties houden kinderen van school.

De wereld telt nog steeds 880 miljoen volwassen analfabeten, geconcentreerd in Zuid-Azië en Saharisch Afrika. Het betreft met name vrouwen.

Eénderde van alle kinderen wordt bij geboorte niet geregistreerd, variërend van drie procent in Europa tot 44 procent in Centraal Azië en 78 procent in sSA. Zonder registratie heet iemand geen officieel bestaan of leeftijd, wat problemen geeft bij toegang tot scholing en gezondheidszorg en bij migratiediensten.

AIDS

De HIV/AIDS statistieken worden in het VN-rapport The State of the World's Children 2002 omschreven als de "wreedste index van de ongelijkheid in de wereld. Elke infectie gedijd goed in omstandigheden als armoede, ondervoeding en onveilig water: dat geldt zowel voor HIV/AIDS als voor tbc en mazelen".

Dit verklaart waarom de pandemie, die onder controle wordt gehouden in de rijke landen, het grootst is in arme regio's. Tussen 1990 en 2000 nam het aantal gevallen in de geïndustrialiseerde landen toe van 1,3 naar 1,5 miljoen, een stijging van 15 procent. In sSA bedroeg de stijging 257 procent en dragen nu 25 miljoen mensen het virus bij zich. Eind 2000 waren in de ontwikkelingslanden 34 miljoen mensen besmet met het virus.

Ondanks deze cijfers ging van de 70 miljard dollar die in 1998 uit werd gegeven aan onderzoek naar gezondheid slecht 0,4 procent naar HIV/AIDS. Tien procent van de onderzoeksgelden gaan naar 90 procent van de ziekten, waarvan slechts 0,14 procent naar malaria. Twee miljard mensen hebben na een halve eeuw nog steeds geen toegang tot penicilline.

Technologie

Een belangrijke claim van de globaliseringsadapten is dat technische vooruitgang, met name de informatie en communicatie technologie (ICT), armen dezelfde toegang geeft tot kennis als anderen. Dit is echter niet het geval. Terwijl het aantal mensen dat toegang heeft tot internet steeg van 20 miljoen in 1995 naar 400 miljoen in 2000, heeft nog steeds slechts minder dan zeven procent van de wereldbevolking een internetaansluiting. Tachtig procent hiervan woont in het rijke westen. In de VS heeft de helft van de bevolking toegang tot internet, maar in de Arabische, Zuidaziatische en sSA-landen nog geen procent. In de VS kost zo'n aansluiting minder dan één procent van het gemiddelde maandinkomen, in Bangladesh 190 procent en in Nepal zelfs 280 procent.

Terwijl de verwachting was dat ICT de mogelijkheden van mensen in minder ontwikkelde regio's op toegang tot politieke macht, gezondheidsnetwerken, onderwijs en werk zou vergroten is dit niet gebeurd omdat de ontwerpers van deze nieuwe technologieën zich vooral richten op goedverdienende consumenten. Ook overheden slagen er niet in de benodigde hulp te bieden. Zelfs in India, de thuishaven van veel dynamische ICT-centra, krijgt de gemiddelde volwassene slechts vijf jaar onderwijs, is meer dan 40 procent van de volwassenen analfabeet, is het elektriciteitsverbruik slechts de helft van dat van China en zijn er slechts 29 telefoons per duizend inwoners. In Australië zijn dat er 500 per duizend.

De armsten hebben wel wat anders aan hun hoofd dan toegang tot ICT. Een derde deel van de wereldbevolking beschikt niet eens over elektriciteit en slechts 150 van de duizend inwoners van de armste landen heeft een radio, in geïndustrialiseerde landen zijn dat er 1300 per duizend. Het aantal tv's is 23 per duizend tegenover 640 in de rijke landen.

Ontwikkelingshulp

Dertig jaar geleden kwamen de rijke landen overeen 0,7 procent van hun BNP te besteden aan ontwikkelingshulp, maar vrijwel geen enkel land heeft zich daaraan gehouden. In 2000 voldeden van de 22 rijke landen alleen Denemarken, Nederland, Zweden, Noorwegen en Luxemburg aan deze eis. Het gemiddelde percentage bedroeg slecht 0,22 procent met als dieptepunt de VS met 0,10 procent. Hierdoor is de hulp van de geïndustrialiseerde landen jaarlijks 100 miljard dollar minder dan afgesproken.

Volgens het HDR neemt het percentage van het nationaal inkomen dat rijke landen spenderen aan buitenlandse hulpprogramma's jaarlijks af en wil men geen internationale verplichting tot een sociaal vangnet voor de armen en andere zwakke groepen.

In de afgelopen twee decennia hebben met namen het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank (WB) arme schuldenlanden gedwongen hun grenzen open te stellen en te breken met hun protectionistische beleid dat er op gericht was om zich van de wereldmarkt af te schermen om zodoende de binnenlandse industrie een kans te geven zich te ontwikkelen. Ook moesten ze bezuinigen op hulpprogramma's op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en voedselhulp.

Het CEPR-rapport concludeert dat "de Wereldbank en het IMF geen enkele regio kunnen aanwijzen die dankzij de door hen gewenste beleidsveranderingen succesvol is geweest."

De Engelse econoom Michael Rowbotham is het hiermee eens. ,,Er is voorzover ik weet geen enkel land dat ooit zijn schulden bij de Wereldbank of het IMF heeft afgelost. "Lenen, investeren, exporteren en terugbetalen", het is een bewezen mislukking (...) de schuld van de Derde Wereld is voornamelijk toe te schrijven aan het beleid van het IMF en de Wereldbank.''

Alliantie

Veel Afrikaanse landen waren na WOII zeer optimistisch gestemd omdat zij wisten dat ze de ingrediënten bezaten om een 'paradijs' te creëren: natuurlijke hulpbronnen, een gunstig klimaat, een geografisch potentieel... twintig jaar later smeekten ze om geen geld meer te hoeven lenen. ,,Er bestaat een alliantie tussen Wereldbank, IMF, WTO, GATT, OECD, Amerikaanse overheidsinstellingen en het Amerikaanse bedrijfsleven die er op uit is de ontwikkelingslanden als een blik bonen te openen zodat ze eruit kunnen halen wat ze willen'', zegt Rowbotham.

Carol Bellemy omschrijft de alliantie in Children 2002 als de Washington Consensus: "de laatste anderhalve decennia hebben landen uit de gehele wereld het beleid van het Amerikaanse ministerie van Financiën en instituten als de Wereldbank en het IMF gevolgd. De aandacht ging alleen uit naar efficiency, niet naar rechtvaardigheid: de onderliggende veronderstelling was dat dit beleid zou resulteren in economisch groei dat de arme ten goede zou komen. De praktijk is dat de kloof tussen de rijkste en armste landen elke dag groter wordt.

Het huidige beleid van de Bush-regering maakt het allemaal nog bonter. Met de onlangs voorgestelde wetten om de economie te stimuleren als onderdeel van de strijd tegen het 'terrorisme' geven de republikeinen 200 miljard dollar gemeenschapsgeld aan  het bedrijfsleven en de allerrijkste Amerikanen. Driekwart van de aangekondigde 212 miljard dollar belastingverlaging gaat naar de tien procent hoogste belastingbetalers. Vooral de Texaanse energie en mijnbouwbedrijven profiteren van de voorgestelde belastingmaatregelen, precies de bedrijven die Bush en vice president Dick Cheney in het zadel hebben geholpen.

Op dit moment zijn er dus twee internationale oorlogen aan de gang: een tegen het terrorisme, en een van rijk tegen arm.

Harry Throssel

Bronnen

United Nations, Human Development Report 2001, www.undp.org/hdr2001
United Nations, World Food Programme 2001, www.wfp.org/
United Nations, The State of the World's Children 2001.
United Nations, The State of the World's Children 2002.
www.unicef.org/sowc02/ Mark Weisbrot, Robert Naiman, and Joyce Kim, The Emperor has no Growth, Center for Economic and Policy Research, Washington DC, September 2000. www.cepr.net
Mark Weisbrot, Dean Baker, Egor Kraev, and Judy Chen, The Scorecard on Globalisation 1980‑2000, CEPR. www.cepr.net/globalization/scorecard_on_globalization.htm
Michael Rowbotham, Drop the Debt, Background Briefing, ABC Radio National, 9 September 2001. www.abc.net.au/rn/talks/bbing

 

.Terug naar boven