|
●
Ravage ●
Archief
● Overzicht
2002 ● Overzicht
#2 Het
is elke dag oorlog
Globalisering
laat armen in de steek Globalisering is goed voor iedereen, zo stellen haar pleitbezorgers. Vooral de arme landen en haar inwoners zouden van het open gaan van de grenzen profiteren. Niks is minder waar, zo blijkt uit de cijfers. In het tijdperk van de globalisering zijn de verschillen tussen arm en rijk alleen maar groter geworden. Bijna
al deze mensen vonden de dood als direct of indirect gevolg van armoede.
Volgens de pleitbezorgers van de globalisering zou deze juist afgenomen
moeten zijn in het laatst kwartaal van de vorige eeuw. Maar hoe luidt
het bewijs? Afname Het
Center for Economic and Policy Research (CEPR) in Washington onderzocht
onder leiding van Mark Weisbrot het 'algemeen gedeelde' geloof dat globalisering
een succes is in termen van economisch groei en de effecten hiervan
op de gezondheid en levensstandaard van mensen in met name armere landen.
Om
te onderzoeken hoe het landen verging in de 'globaliseringsperiode'
1980-2000 in vergelijking met de twintig jaar daarvoor, heeft Weisbrot
van 176 landen het inkomen per hoofd van de bevolking, de levensverwachting,
het sterftecijfer, het analfabetisme en de onderwijsparticipatie gemeten.
Hij
concludeert dat de economische groeicijfers in alle landen, van de rijkste
tot de armsten, in de periode 1980-2000 afnamen ten opzichte van de
twintig jaar daarvoor. De armste groep zag de groei van haar Bruto Nationaal
Product (BNP) afnemen van 1,9 procent per jaar naar 0,5 procent, de
op één na armste groep van 3,6 naar minder dan één procent. De gemiddelde
Mexicaan zou als de groei van de periode 1960-1980 zich zou hebben doorgezet
nu twee keer zoveel inkomen hebben, een Braziliaan meer dan twee. Op
het gebied van gezondheid verbeterde de situatie in de meeste landen
zich op bijna elk gebied minder snel gedurende de globaliseringsperiode
dan in de periode daarvoor. De grootste afname vond plaats in die landen
waar het toch al niet best gesteld was met de gezondheidszorg. Ook op
het gebied van onderwijs en analfabetisme zagen de armere landen de
vooruitgang in de laatste twintig jaar afnemen. In
de negentien voormalige Oostblok 'overgangseconomieën' heeft het door
het IMF opgelegde beleid volgens Weisbrot bijgedragen aan "een
van de grootste economische rampen in de wereldgeschiedenis". Rusland
verloor in de periode 1989-1997 meer dan de helft van haar nationale
inkomen, "een afname die zelden gezien wordt in vredestijd (...)
het aantal armen steeg van twee naar zestig miljoen." Alleen Polen
is er in geslaagd terug te keren naar haar niveau van 1989. Ongelijkheid Uit
het Human Development Report 2001 (HDR) van de Verenigde Naties blijkt
dat, terwijl het BNP per hoofd van de bevolking in de geïndustrialiseerde
landen steeg van 6500 dollar in 1960 naar 16.750 dollar in 1998, het
BNP in de minstontwikkelde landen op 750 dollar per hoofd van de bevolking
is blijven steken. Het gat tussen arm en rijk nam gedurende deze periode
dus met 10.250 dollar toe. Terwijl in de 25 jaar voor 1980 de ontwikkelingslanden
een hogere inkomensgroei kenden dan de ontwikkelde landen is dit patroon
sinds 1980 omgekeerd. De arme landen zagen hierdoor hun mogelijkheden
om te importeren slinken. De handel tussen de rijke landen nam daarentegen
wel toe. Andere
factoren die ongelijkheid creëren zijn verschillen in technologie, barrières
die rijke landen opwerpen om te voorkomen dat lagelonenarbeiders naar
hun land verkassen en het feit dat kapitaalstromen vooral van het ene
rijke land naar het andere lopen "en op geen enkele wijze bijdragen
aan het verspreiden van de vruchten van de groei naar de armste mensen
in de armste landen". Het
gevolg is een dramatische toename van de ongelijkheid in de inkomensverdeling
in de wereld. Het inkomen van de rijkste twintig procent van de wereldbevolking
was in 1960 nog elf keer zo groot als dat van de armste twintig procent,
in 1989 was dat al zeventien keer zo groot. Deze cijfers zijn gebaseerd
op het Bruto Nationaal Product wat zelf al een nationaal gemiddelde
is, waardoor sommige nog armer zullen zijn. Gedurende de periode 1960-1989
zag de rijkste twintig procent van de wereld haar aandeel in het bezit
van de wereldrijkdommen van 70 naar 82 procent stijgen, de armste twintig
procent zag haar aandeel dalen van 2,3 naar 1,5 procent in 1989. Kinderen Volgens
Carol Bellamy, directeur van het VN Kinderfonds, hebben we "de
kinderen van 1990 laten vallen... gezien de potentie die er was aan
hulpbronnen en kennis". Het kindersterftecijfer (jonger dan 5),
veelal genoemd als de meest betrouwbare ontwikkelingsindex, nam met
14 procent (drie miljoen) af maar haalde zeker niet het gestelde doel
van 33 procent. De verbetering was voor en groot deel te danken aan
vaccinatieprogramma's. De
doelstelling om het vrouwensterftecijfer te halveren werd niet gehaald,
er is de laatste tien jaar zelfs geen enkele vooruitgang geboekt. Elk
jaar sterven ongeveer 515 duizend vrouwen aan de gevolgen van zwangerschap
of de geboorte van hun kind. In de minst ontwikkelde landen is de kans
op zo'n dood 1 op 16, in de geïndustrialiseerde landen 1 op 4000. De
17 procent afname van ondervoeding onder kinderen jonger dan vijf jaar
bleef ver verwijderd van vijftig procent waarop was gehoopt. In sub-Saharisch
Afrika (sSA) nam het absolute aantal ondervoede kinderen zelfs toe.
Nog steeds heeft meer dan een miljard mensen geen toegang tot veilig
drinkwater, ondanks een jaarlijkse toename van drie procent. De helft
van de bevolking van Azië blijft verstoken van een deugdelijke riolering. Tweederde
van de 100 miljoen kinderen zonder basisonderwijs is een meisje. Ook
werk, een handicap, armoede, besmetting het HIV-AIDS, het behoren tot
een etnische minderheid, een afgelegen woonplaats of conflictsituaties
houden kinderen van school. De
wereld telt nog steeds 880 miljoen volwassen analfabeten, geconcentreerd
in Zuid-Azië en Saharisch Afrika. Het betreft met name vrouwen. Eénderde
van alle kinderen wordt bij geboorte niet geregistreerd, variërend van
drie procent in Europa tot 44 procent in Centraal Azië en 78 procent
in sSA. Zonder registratie heet iemand geen officieel bestaan of leeftijd,
wat problemen geeft bij toegang tot scholing en gezondheidszorg en bij
migratiediensten. AIDS De
HIV/AIDS statistieken worden in het VN-rapport The State of
the World's Children 2002 omschreven als de "wreedste index
van de ongelijkheid in de wereld. Elke infectie gedijd goed in omstandigheden
als armoede, ondervoeding en onveilig water: dat geldt zowel voor HIV/AIDS
als voor tbc en mazelen". Dit
verklaart waarom de pandemie, die onder controle wordt gehouden in de
rijke landen, het grootst is in arme regio's. Tussen 1990 en 2000 nam
het aantal gevallen in de geïndustrialiseerde landen toe van 1,3 naar
1,5 miljoen, een stijging van 15 procent. In sSA bedroeg de stijging
257 procent en dragen nu 25 miljoen mensen het virus bij zich. Eind
2000 waren in de ontwikkelingslanden 34 miljoen mensen besmet met het
virus. Ondanks
deze cijfers ging van de 70 miljard dollar die in 1998 uit werd gegeven
aan onderzoek naar gezondheid slecht 0,4 procent naar HIV/AIDS. Tien
procent van de onderzoeksgelden gaan naar 90 procent van de ziekten,
waarvan slechts 0,14 procent naar malaria. Twee miljard mensen hebben
na een halve eeuw nog steeds geen toegang tot penicilline. Technologie Een
belangrijke claim van de globaliseringsadapten is dat technische vooruitgang,
met name de informatie en communicatie technologie (ICT), armen dezelfde
toegang geeft tot kennis als anderen. Dit is echter niet het geval.
Terwijl het aantal mensen dat toegang heeft tot internet steeg van 20
miljoen in 1995 naar 400 miljoen in 2000, heeft nog steeds slechts minder
dan zeven procent van de wereldbevolking een internetaansluiting. Tachtig
procent hiervan woont in het rijke westen. In de VS heeft de helft van
de bevolking toegang tot internet, maar in de Arabische, Zuidaziatische
en sSA-landen nog geen procent. In de VS kost zo'n aansluiting minder
dan één procent van het gemiddelde maandinkomen, in Bangladesh 190 procent
en in Nepal zelfs 280 procent. Terwijl
de verwachting was dat ICT de mogelijkheden van mensen in minder ontwikkelde
regio's op toegang tot politieke macht, gezondheidsnetwerken, onderwijs
en werk zou vergroten is dit niet gebeurd omdat de ontwerpers van deze
nieuwe technologieën zich vooral richten op goedverdienende consumenten.
Ook overheden slagen er niet in de benodigde hulp te bieden. Zelfs in
India, de thuishaven van veel dynamische ICT-centra, krijgt de gemiddelde
volwassene slechts vijf jaar onderwijs, is meer dan 40 procent van de
volwassenen analfabeet, is het elektriciteitsverbruik slechts de helft
van dat van China en zijn er slechts 29 telefoons per duizend inwoners.
In Australië zijn dat er 500 per duizend. De
armsten hebben wel wat anders aan hun hoofd dan toegang tot ICT. Een
derde deel van de wereldbevolking beschikt niet eens over elektriciteit
en slechts 150 van de duizend inwoners van de armste landen heeft een
radio, in geïndustrialiseerde landen zijn dat er 1300 per duizend. Het
aantal tv's is 23 per duizend tegenover 640 in de rijke landen. Ontwikkelingshulp Dertig
jaar geleden kwamen de rijke landen overeen 0,7 procent van hun BNP
te besteden aan ontwikkelingshulp, maar vrijwel geen enkel land heeft
zich daaraan gehouden. In 2000 voldeden van de 22 rijke landen alleen
Denemarken, Nederland, Zweden, Noorwegen en Luxemburg aan deze eis.
Het gemiddelde percentage bedroeg slecht 0,22 procent met als dieptepunt
de VS met 0,10 procent. Hierdoor is de hulp van de geïndustrialiseerde
landen jaarlijks 100 miljard dollar minder dan afgesproken. Volgens
het HDR neemt het percentage van het nationaal inkomen dat rijke landen
spenderen aan buitenlandse hulpprogramma's jaarlijks af en wil men geen
internationale verplichting tot een sociaal vangnet voor de armen en
andere zwakke groepen. In
de afgelopen twee decennia hebben met namen het Internationaal Monetair
Fonds (IMF) en de Wereldbank (WB) arme schuldenlanden gedwongen hun
grenzen open te stellen en te breken met hun protectionistische beleid
dat er op gericht was om zich van de wereldmarkt af te schermen om zodoende
de binnenlandse industrie een kans te geven zich te ontwikkelen. Ook
moesten ze bezuinigen op hulpprogramma's op het gebied van onderwijs,
gezondheidszorg en voedselhulp. Het
CEPR-rapport concludeert dat "de Wereldbank en het IMF geen enkele
regio kunnen aanwijzen die dankzij de door hen gewenste beleidsveranderingen
succesvol is geweest." De
Engelse econoom Michael Rowbotham is het hiermee eens. ,,Er is voorzover
ik weet geen enkel land dat ooit zijn schulden bij de Wereldbank of
het IMF heeft afgelost. "Lenen, investeren, exporteren en terugbetalen",
het is een bewezen mislukking (...) de schuld van de Derde Wereld is
voornamelijk toe te schrijven aan het beleid van het IMF en de Wereldbank.''
Alliantie Veel
Afrikaanse landen waren na WOII zeer optimistisch gestemd omdat zij
wisten dat ze de ingrediënten bezaten om een 'paradijs' te creëren:
natuurlijke hulpbronnen, een gunstig klimaat, een geografisch potentieel...
twintig jaar later smeekten ze om geen geld meer te hoeven lenen. ,,Er
bestaat een alliantie tussen Wereldbank, IMF, WTO, GATT, OECD, Amerikaanse
overheidsinstellingen en het Amerikaanse bedrijfsleven die er op uit
is de ontwikkelingslanden als een blik bonen te openen zodat ze eruit
kunnen halen wat ze willen'', zegt Rowbotham. Carol
Bellemy omschrijft de alliantie in Children 2002 als de Washington
Consensus: "de laatste anderhalve decennia hebben landen uit de
gehele wereld het beleid van het Amerikaanse ministerie van Financiën
en instituten als de Wereldbank en het IMF gevolgd. De aandacht ging
alleen uit naar efficiency, niet naar rechtvaardigheid: de onderliggende
veronderstelling was dat dit beleid zou resulteren in economisch groei
dat de arme ten goede zou komen. De praktijk is dat de kloof tussen
de rijkste en armste landen elke dag groter wordt. Het
huidige beleid van de Bush-regering maakt het allemaal nog bonter. Met
de onlangs voorgestelde wetten om de economie te stimuleren als onderdeel
van de strijd tegen het 'terrorisme' geven de republikeinen 200 miljard
dollar gemeenschapsgeld aan het bedrijfsleven en de allerrijkste Amerikanen.
Driekwart van de aangekondigde 212 miljard dollar belastingverlaging
gaat naar de tien procent hoogste belastingbetalers. Vooral de Texaanse
energie en mijnbouwbedrijven profiteren van de voorgestelde belastingmaatregelen,
precies de bedrijven die Bush en vice president Dick Cheney in het zadel
hebben geholpen. Op
dit moment zijn er dus twee internationale oorlogen aan de gang: een
tegen het terrorisme, en een van rijk tegen arm. Harry
Throssel Bronnen United
Nations, Human Development Report 2001, www.undp.org/hdr2001
|
||