Ravage   ● Archief    ● Overzicht 2001    ● Overzicht #3


Uit: Ravage #3 , 23 februari 2001

EINDE VAN EEN SPROOKJE?

Dotcom-economie verplettert digitale publieke domeinen

Internet was lange tijd omgeven met euforische beloften. Hoewel daarvan weinig terecht gekomen is, heeft het Net volgens 'internet-antropoloog' Marianne van den Boomen wel nieuwe sociale verbanden mogelijk gemaakt en nieuwe publieke domeinen geschapen. Juist deze publieke domeinen dreigen onder het geweld van de dotcom-economie te bezwijken. De Digitale Stad is hiervan een goed voorbeeld.

Beloftes waren er bij de introductie van internet volop. Nieuwe sociale verbanden, versterkte gemeenschapszin, het ontstaan van allerlei basisbewegingen, directe(re) democratie, de grotere mogelijkheid van controle van de overheid, het herstel van het publieke domein zonder markt en staat, het doorbreken van de macht van de traditionele massamedia, virtuele identiteiten, een nieuw bewustzijn... Het Net zou het allemaal mogelijk maken. De nu met sluiting bedreigde Digitale Stad (DDS) in Amsterdam belichaamde de idealen van de internetpioniers. Deze virtuele stad werd in 1994 opgezet door het politiek-cultureel centrum De Balie en een groepje hackers rond het blad Hack-Tic die ook al provider XS4ALL waren begonnen. Voor velen was DDS de eerste kennismaking met internet. Je kon er gratis emailen en een eigen homepage bouwen. De Stad moest een platform bieden aan burgers die het publieke debat zochten, met de overheid of met elkaar. Het idee werd ook door het Amsterdamse stadsbestuur omarmd. Het virtuele debat zou de democratie weer nieuw leven inblazen. "Ik roep de Amsterdammers op het debat aan te gaan, met elkaar, met de politiek en later ook met de wereld", riep de toenmalige loco-burgemeester Frank de Grave in januari 1994 bij de lancering van DDS. Hoewel de Stad al snel een groot succes was en de modems in Amsterdam niet aan waren te slepen, zijn de hoogdravende politieke ambities nooit waar gemaakt. Mensen bleken meer geïnteresseerd in elkaar dan in de overheid. Slechts een enkeling keek verlekkerd als er een nieuwe beleidsnota online verscheen. Uit DDS zijn vooral liefdes, vriendschappen en andere sociale verbanden ontstaan, maar de belangstelling voor de (gemeente) politiek is sinds 1994 alleen maar verder afgenomen.

Sociaal netwerk

Virtuele gemeenschappen zoals De Digitale Stad, maar ook mailinglists, nieuwsgroepen en Multi User Domains (muds) hebben vooral een sociaal-culturele functie, zo stelt 'internet-antropoloog' Marianne van den Boomen in haar eind vorig jaar verschenen boek Leven op het Net. Want hoewel internet geen grote verandering in de politiek heeft bewerkstelligd en de dotcom-economie als een zeepbel uit elkaar is gespat, heeft het Net wel nieuwe sociale verbanden mogelijk gemaakt. Volgens Van den Boomen moeten we internet in de eerste plaats zien als een sociaal netwerk van zo'n 400 miljoen mensen in ruim tweehonderd landen. Deze sturen elkaar persoonlijke berichten, stellen vragen en nemen actief deel aan discussies op mailinglijsten en nieuwsgroepen, kletsen in chatrooms, wisselen nuttige tips uit, lossen elkaars problemen op en maken hun eigen homepage. Soms voor de lol, maar vaker om er iets van op te steken. Internet is, zo benadrukt Van den Boomen, meer dan het World Wibe Web en meer dan een verzameling homepages en sites waar je informatie en amusement kunt vinden. Uit elk onderzoek naar internet-gebruik blijkt dat mensen het Net vooral gebruiken voor email, zowel privé als zakelijk. Vervolgens komt het gericht zoeken naar informatie aan de orde en pas als laatste wordt er voor de lol gesurft en gesnuffeld. De computer heeft niet alleen een beeldscherm, maar ook een toetsenbord en wie oog heeft voor het internet als sociaal netwerk "ziet mensen niet zielloos zappen maar hartstochtelijk op hun toetsenbord tikken", aldus Van den Boomen. In plaats van willoze consumenten wordt het Net bevolkt door 'prosumenten', mensen die zowel iets consumeren als produceren.

Geworteld

Ook de veronderstelling dat het vooral geïsoleerde verveelde individuen zijn die op het Net nog naar een beetje (virtueel) sociaal contact zoeken, wordt door Van den Boomen ontkracht. Mensen gaan niet het Net op om nieuwe mensen te leren kennen, ze doen dat juist om contacten te onderhouden met mensen uit hun reeds bestaande netwerken. Dat ze daarbij en passant ook nieuwe contacten opdoen en hun sociale netwerken uitbreiden, betekent niet dat zij eigenlijk eenzame verveelde mensen zijn. Daarbij is totnutoe uit geen enkel onderzoek gebleken dat mensen die veel op het Net doorbrengen hun sociale contacten in real-life verwaarlozen. Juist omdat het Net vooral gebruikt wordt voor communicatie met bekenden worden deze contacten vaak alleen maar steviger. Veel cybergemeenschapen hebben hun wortels in groepen die geografische of biografische kenmerken als geboorte- en woonplek, leeftijd, levensfase, sekse of huidskleur delen. In veel gevallen krijgen bestaande gemeenschappen er een virtuele component bij: moslims vinden elkaar in IslamCity (islam.org), homo's chatten in een van de chatrooms van Gay.com, biologen komen bij elkaar in de mud BioMoo, activisten vinden elkaar op de Aktielijst en krakers op de Kraaklijst. Door het open karakter van het Net ontstaat daarnaast de mogelijkheid om uit de eigen 'reële' identiteit te breken of 'ongewone' verbindingen te maken en te delen met anderen. Zo creëert ze sociale dwarsverbanden die er eerder niet waren en in die zin veroorzaakt het Net iets nieuws. Gemeenschappen op het Net zijn veel heterogener en omspannen grotere geografische regio's - een globalisering van onderop. Al chattend, discussiërend en scheldend geven de verschillende cybergemeenschappen in feite vorm aan een nieuw publiek domein die in de 'reële wereld' door de oprukkende verkeersstromen en privatisering van de openbare ruimte vrijwel verdwenen is.

Goudmijn

Dit 'succes' van internet is ook het bedrijfsleven niet ontgaan. De 'communities' zijn de lievelingen van e-commerce-marketeers geworden. Vrijwel elke grote site heeft ergens een afdeling 'communities'. Deze sites leveren vaak gratis diensten en moeten het hebben van webadvertenties. Daarvoor dienen ze hun publiek zo lang mogelijk op de site te houden. Door mensen de mogelijkheid te geven een eigen gemeenschap te starten, inclusief het benodigde gereedschap, kun je daarvoor zorgen. En waar mensen zich organiseren tekenen zich vanzelf hun voorkeuren en interesses af. Het resultaat is een soort doorlopend marketingonderzoek. Een goudmijn voor marketeers en adverteerders want een bloeiende virtuele gemeenschap is vanuit dotcom-perspectief een geprofileerd potentieel klantenbestand; een doelgroep bereikbare consumenten die praktisch bij je op de stoep bivakkeren. En de dotcom-economie draait, (of moeten we al draaide zeggen?) in feite op deze belofte: publiek=markt=geld. De dotcom-communities zijn daarentegen gebaseerd op de gift: op grote schaal worden tips, praktische informatie, troost en kritiek, maar ook software en data-files waaronder beeld en geluid weggegeven. Hoewel deze gifteconomie steeds weer wordt bedreigd door de ruil- of markteconomie, is ze vrijwel onaantastbaar voor externe autoriteiten. Het juridisch verbod op de activiteiten van het bedrijf Napster (dat zowel een index als software levert waarmee individuele internet-gebruikers muziekbestanden van elkaars computer kunnen plukken) kan niet voorkomen dat gebruikers onderling bestanden blijven uitwisselen met andere open-source software als Gnutella en Freenet. Zolang internet een open systeem blijft zullen er altijd kieren en gaten optreden waar zich vormen van publiek en pseudo-publiek domein zullen nestelen. "Sterker nog, zo'n open systeem bestaat vooral uit kieren en gaten", aldus Van den Boomen. Het is in deze tijdelijke autonome zones waar de virtuele gemeenschapsvorming plaatsvindt. Hier wordt los van de overheid en markt het sociale of het publieke domein beheerd en vormgegeven. Dit is altijd tijdelijk, omdat er op de achtergrond altijd een 'eigenaar' is die kan besluiten dat het nu genoeg is geweest. Gratis providers gaan geld vragen voor het gebruik van bandbreedte of schijfruimte en idealistische internetpioniers 'zien zich genoodzaakt' hun non-profitorganisaties om te smeden tot winstgevend bedrijf.

Holding

Dit laatste lot trof De Digitale Stad. De gemeente Amsterdam zag de Stad van begin af aan als experiment en wilde het al na een jaar niet meer financieren. Vanaf dat moment werd het publieke deel van de Stad gefinancierd uit ander activiteiten zoals consultancy en het bouwen van websites. In eerste instantie lukte dat uitstekend, maar toen eind jaren negentig het bedrijfsleven het Net ontdekte moest DDS als non-profit organisatie toekijken hoe anderen er met het grote geld vandoor gingen. De stichting had volgens de directeuren Joost Flint en Chris Göbel te weinig geld voor onderhoud en vernieuwing en om de dringende behoefte aan kapitaal te bevredigen werd stichting De Digitale Stad in maart 2000 veranderd in DDS Holding. De holding bevatte vier BV's: DDS City, DDS Venture, DDS Projects en DDS Services. Deze laatste is als internetbedrijf overgenomen door het telecombedrijf Energis en DDS Ventures is verkocht aan uitgever Malmberg. DDS Projects is een gezond bedrijf dat vooral websites maakt en DDS City is de BV met daarin De Digitale Stad. Flint en Göbel werden de directeuren van de holding. Veel gebruikers van het eerste uur waren woest omdat een door alle bewoners opgebouwde publieke voorziening werd geprivatiseerd. Flint reageerde destijds laconiek. "Als het bedrijfseconomisch niet kan bestaan, dan houdt het op te bestaan." De overstap naar een BV met winstoogmerk was in zijn ogen onvermijdelijk. Wel werd beloofd dat het publieke domein van DDS behouden zou blijven. Wat deze belofte waard is blijkt nu. "Er moet nu maandelijks geld bij om De Digitale Stad te laten draaien en dat kan niet langer zo", maakte Joost Flint onlangs bekend. Zoals het er nu voor staat, is het niet ondenkbaar dat "de stekker eruit gaat".

Initiatief

Omdat hiermee een unieke, belangrijke plek op internet verloren zou gaan, heeft een aantal bezorgde 'bewoners' het initiatief genomen om DDS van de ondergang te redden. Na een maand voorbereidingstijd werd op 15 februari de Vereniging DDS opgericht. Deze telt inmiddels zo'n 450 leden. "DDS was belangrijk voor het publiek domein op internet in het verleden. Dit moet zo blijven en liefst groter worden. De vereniging meent dat het een goede oplossing is om de stad in handen te geven van de bewoners." aldus woordvoerder Reindert Rustema. De vereniging wil de zaak met vrijwilligerswerk plus sponsoring en subsidies laten draaien. "Daardoor hoeft de DDS-bewoner niet op zijn hoede te zijn voor een dubbele agenda van een gratis provider", zegt Rustema doelend op de verkoop van gebruikersbestanden en de toe-eigening van 'content' door gratis internetproviders. Naast dat de vereniging 'onderdak' voor bewoners wil garanderen (gratis email en homepage), moet DDS een vluchtplaats zijn voor inhoud en experimenten die elders geen plaats krijgen en moet het internet-historisch monument dat DDS is, behouden blijven. Of de vereniging zal slagen in haar opzet is nog maar de vraag. Aan morele ondersteuning ontbreekt het niet. Ook hebben zich al bedrijven als sponsor opgeworpen. Flint - ooit medewerker van het actieblad Bluf! en oprichter van het radicale bulletinboard Activist Press Service (APS) - vindt de club op dit moment echter te marginaal en het daardoor een risico om de 'merknaam' bij hen onder te brengen. De merknaam DDS wil hij blijven gebruiken om de webdesign-activiteiten te blijven voortzetten. In eerste instantie wordt daarom gezocht naar een investering of overname uit het bedrijfsleven. Totnutoe zijn deze echter terughoudend. De dotcom-economie is gecrasht en het dwarse alternatieve karakter van DDS werkt niet in haar voordeel.

Wonderolie

Volgens Van den Boomen zou de overheid DDS moeten adopteren in het kader van het project 'ICT en de stad'. "Dan kan ze gewoon weer gaan doen waar ze goed in is: experimenteren met sociaal-technologische vernieuwing", aldus Van den Boomen. De overheid heeft al laten weten hier weinig voor te voelen. Het project 'ICT en de stad' wil vooral middels sociale informatietechnologieën de sociale cohesie in achterstandswijken vernieuwen. Oftewel: virtueel opbouwen wat in real-life gesloopt is. Volgens Schiphol-president Cerfontaine, de opsteller van het rapport ICT en de stad, is internet sociale wonderolie: werklozen kunnen aan de slag met het bouwen van virtuele wijken, allochtonen integreren beter door de buurtgemeenschappen die op het Net zullen ontstaan, lotgenoten kunnen elkaar ondersteunen, burgers laten zich informeren en volgen de overheid kritisch. Gemeenschapszin, sociale cohesie, burgers worden weer een machtsfactor... de utopische beloften van internet vinden we inmiddels terug in beleidnota's. Reden te meer om ze met wantrouwen te bezien.

Freek Kallenberg

Marianne van den Boomen, "Leven op het Net: De sociale betekenis van virtuele gemeenschappen" Instituut voor Publiek en Politiek, Amsterdam 2000, ISBN 90 6473 389 9. Prijs: fl. 34,90

Voor meer info over de vereniging DDS zie: http://www.viodds.dds.nl

 

Terug naar boven