- Home
- Archief
- 1998

Uit: Ravage 273/274 van 18 december 1998

Botje bij botje: een beetje tentoonstelling

Bij de ingang van de tentoonstelling 'Botje bij botje' in de Rotterdamse Kunsthal staat een bordje: "De tentoonstelling bevat elementen die als schokkend ervaren kunnen worden". Vreemd genoeg is dat juist wat de meeste bezoekers trekt. Schokkend is veelal fascinerend. Deze fascinatie bleek ook uit de enorme hoeveelheid publiciteit die de in wezen zeer klein opgezette tentoonstelling kreeg. Dagbladen en tv programma's doken op de tentoonstelling voor verhalen, diverterend zowel als moraliserend. Een bescheiden internationale storm van protest brak los en luwde weer. En langzaamaan gaat de media aandacht weer uit naar andere, dringender, zaken. Beetje bij beetje.

De tentoonstelling zelf, geopend op 12 november door niemand minder dan Wim de Bie, is gehuisvest in een uit de hand gelopen zolderzaaltje van de Kunsthal. Wie een groots opgezette tentoonstelling verwacht, die is opgezet om bezoekers een beter beeld te geven van de verhalen achter een klein gedeelte van de curiosa in de enorme collectie menselijke resten in Nederland, komt bedrogen uit. De tentoonstelling doet eerder aan als een soort side attraction van de grote M.C. Escher expositie op de begane grond. Dat betekent niet dat de displaykasten niks boeiends bevatten. Integendeel.

Op sterk water staan een cycloopje van een dag of wat oud en een siamese tweeling op de glazen plank in hun glazen potten. Levend redden ze het niet zo lang, dood echter worden ze eeuwenoud. Een kast verderop zou de tong van Johan de Witt kunnen verhalen van de ronduit gruwelijke dood die hij en zijn broer Cornelis stierven in 1672. De twee staatslieden werden door het gepeupel gelyncht en hun lichamen in stukken gesneden. Omstanders konden de delen bij opbod kopen. Johan's tong doet er echter al 326 jaar het zwijgen toe, sinds lange tijd overigens in gezelschap van de grote teen van Cornelis. Het kistje waarin de twee stukjes vlees liggen is een driedimensionale zwarte bladzij in het boek van de vaderlandse geschiedenis.

Inuit

Een vitrine verderop ligt het onderwerp van een Deense storm van kritiek. Naast een Drents veenlijk liggen de resten van de mummie van Hoorn. Een eeuw of twee geleden werd het lijk van een Groenlandse Inuit bij Hoorn uit de Zuiderzee gevist. Hij zat nog aan zijn kajak verbonden met een touw. Door de lange tijd die de verdronken zeevaarder doorgebracht had in het water, was zijn huid gemummificeerd. De Denen waren woest. De Inuit organisatie Arctic Peoples Alert tekende protest aan tegen het publiekelijk tentoonstellen van de overblijfselen van de Inuit. De Kunsthal legde dit naast zich neer en koos ervoor de nog steeds onbekende Groenlander op te nemen in de expositie. De Inuit organisatie was furieus en zocht met succes de aandacht van de Deense media. De tentoonstelling van slechts één zaaltje haalde alle Deense kranten. En dat terwijl de mummie al bijna twee eeuwen publiek trekt.

De resten van de man zijn nauwelijks herkenbaar. Een soort leren wambuis zonder gezicht is het, ernaast liggen de handen en een voet. Maar het was ooit een Inuit. En hij verdiende beter dan te verdrinken, te mummificeren, aan te spoelen en z'n laatste dagen van museum tot museum te trekken als curiosum, zo redeneert Arctic Peoples Alert. Het enige dat de Kunsthal deed, was het ophangen van de vele Deense krantenartikelen. En toen nam de media aandacht langzaam af.

Nummertjes

Curieus, dat zijn de verzamelde objecten absoluut. Kunst uit lichaamsdelen: een tandwiel gemaakt van echte tanden, een onderbroek vervaardigd uit mensenhaar of een potje met stront. Een schril contrast vormen de reliekhouders van honderden jaren oud die de vaak minuscule restjes bevatten van onbekende heiligen. Een Chinese ingebonden vrouwenvoet op sterk water, een geprepareerde arm die z'n spierballen laat zien. Haarkunstwerkjes herdenken de dode donoren. Achter al de stukjes mens steekt een verhaal. Maar bij de expositie wordt helaas slechts vermeld wat het nummer dat erbij staat precies is. De vaak immens interessante verhalen achter de genummerde delen zijn slechts te vinden in het boekje dat bij de tentoonstelling te koop is.

Uit het boek Botje bij botje, menselijke resten in musea, geschreven door de samensteller van de expositie Ewald Vanvugt, blijkt dat zelfs van de enorme hoeveelheid menselijke resten de selectie in het boek een summiere samenvatting is. Van die samenvatting haalde slechts een klein gedeelte het tot in de Kunsthal. De in de Nederlandse collecties aanwezige resten vertegenwoordigen honderdduizenden mensen, een kleine stadspopulatie dus. Daarvan staart slechts een klein gedeelte postuum de bezoeker van 'Botje bij botje' aan. De weinige vitrines die daarmee gevuld zijn en het ontbreken van de verhalen achter de inhoud van die vitrines doen akelig kaal aan voor een kunsttentoonstelling die pretendeert de verhalen te willen vertellen achter de doden uit de archieven van musea.

Het meest symbolische is wel de geconserveerde lijkschim die aan de muur hangt. In sommige soorten grond vergaat een menselijk lichaam volledig. Slechts de contouren van het lichaam blijven achter als een donkere vlek tegen een lichtere achtergrond. Deze lijkschim is alles wat de tentoonstelling belichaamt. Hij is oppervlakkig, tijdelijk en weinig diepgaand. Gelukkig is het boek aanmerkelijk interessanter.

Eric Munk

De tentoonstelling is tot en met 10 januari 1999 te zien in de Kunsthal in Rotterdam.

Het boek 'Botje bij botje, menselijke resten in musea' van Ewald Vanvugt verscheen bij Uitgeverij Jan Mets. 112 pagina's, 24,50 gulden.

 

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1998