- Home
- Archief
- 1998

Uit: Ravage #269 van 16 oktober 1998

Marinus van der Lubbe en de Rijksdagbrand

Deel 2: Brand in Berlijn

Direct na de brand in het Rijksdagsgebouw in Berlijn op 27 februari 1933, speelt in de internationale media een weerzinwekkende propagandaslag af tussen nationaal socialisten en stalinisten. De nazi's, die in Duitsland net aan de macht zijn gekomen, lijden een gevoelige nederlaag. De stalinisten, die in Sovjet Rusland beginnen met de systematische invoering van de terreur, komen als "kampioenen van de democratie" uit de propagandaslag tevoorschijn. De inzet en dupe is de Leidse metselaar Marinus van der Lubbe.

Met de benoeming, op 30 januari 1933, van Adolf Hitler tot nieuw regeringsleider, heeft zich een kabinetswisseling voltrokken, die in de praktijk neerkomt op een politieke revolutie. Dat wordt ook allerwegen zo gevoeld. Zeven uur lang trekt 's avonds een opgetogen stoet van getrouwen langs de Kanselarij in Berlijn om hun nieuwe Leider te begroeten. Vanaf nu gaat het er Hitler en zijn trawanten om de overwinning te consolideren: de afrekening met de "marxistische" tegenstander kan beginnen!

In het nieuwe kabinet van twaalf leden is Hitler met twee getrouwen (Göring als minister van Binnenlandse Zaken van Pruisen en voorzitter van de Rijksdag, en Frick als Rijksminister van Binnenlandse Zaken) numeriek in de minderheid, hoewel zij kwalitatief al goede posities bezetten. Hitler eist meteen al nieuwe verkiezingen voor 5 maart, en op 1 februari wordt het Duitse parlement, de Rijksdag, officieel ontbonden.
De al bestaande repressie gaat onder het nieuwe coalitiekabinet onverminderd door; hooguit verschillen de kabinetsleden van mening over hoe de opstandige en overtollige arbeidersmassa moet worden uitgeschakeld.

In Duitsland waren destijds vier officieel erkende burgerlegers, oftewel para militaire organisaties: de Roter Frontkämpfer Bund van de Duitse Communistische Partij (RFB), de nationaal socialistische Sturm Abteilung (SA), de rechtsnationalistische Stahlhelm, en de sociaal democratische Reichsbanner (Rijksbanier). Al op 2 februari 1933 verbiedt Göring een aantal demonstraties van de communisten. De volgende dag verbiedt hij voor drie dagen de verschijning van de sociaal democratische Vorwärts en van bijna dertig andere kranten in Pruisen. Op 4 februari tekent Rijkspresident en oud generaal Von Hindenburg het "decreet voor de bescherming van de Duitse natie", dat de persvrijheid en het recht van vergadering aan banden legt. Sinds die tijd wordt ook systematisch geprobeerd om alle communistische wapens in beslag te nemen (wat natuurlijk nooit lukt).

Rood Bruin Berlijn

Op straat trekken SA troepen luid zingend door de rode arbeiderswijken van Berlijn om te laten zien wie er de baas is. Al maanden lang worden als militante strijders bekend staande arbeiders in heel Duitsland vermoord. Ondertussen gaat de Communistische Partij door met haar aanvallen op de sociaal democraten, die zij voor "sociaal fascisten" uitmaakt. Dit beantwoordt aan de politiek, die op dat moment vanuit Moskou aan de Komintern wordt opgelegd.

De Komintern is de internationale organisatie van communistische partijen onder leiding van Sovjet Rusland. Oorspronkelijk bedoeld om de Russische revolutie van 1917 naar het buitenland te "exporteren", wordt de Internationale al gauw door de Sovjetleiders gebruikt als steunpunt van de Russische diplomatie, "om zo iedere revolutionaire beweging te saboteren en burgerlijke regeringen te ondersteunen, waarvan zij steun verwachten in de internationale politiek", aldus Guy Debord in de Spektakelmaatschappij. In verband met de schommelingen in die buitenlandse politiek, verandert ook de koers die Moskou aan de Komintern oplegt, voortdurend van richting. Voor Duitsland was begin jaren dertig de leus: "Sla de fascisten waar je ze vindt!". Maar onder de nieuwe partijleider Ernst Thälmann geldt sinds eind '32 het gebod: "Laat je niet provoceren!".

Overigens dacht men indertijd in vele partijen, rijen en standen dat het met die Hitler wel zou loslopen. Nu hij regeringsverantwoordelijkheid draagt, zou die "huisschilder" vanzelf wel door de mand vallen. De Communistische Partij van Duitsland (KPD) doet er nog een schepje bovenop: om de eigen schandalige capitulatie tegenover de opkomst en machtsovername van Hitler te camoufleren, ontvouwt de KPD de 'theorie' dat het fascisme een "historisch noodzakelijke tussenfase" is op weg naar de communistische heilstaat. "Nach Hitler kommen wir!" is de leus.

Intussen gaat de nieuwe Pruisische minister van Binnenlandse Zaken, Hermann Göring, onverminderd door met het verbieden van communistische en socialistische demonstraties, en van linkse en ook liberale kranten. Op 24 februari doet de politie een inval in het Karl Liebknechthuis, het hoofdkwartier van de communisten in Berlijn. Ze beweert bewijzen te hebben gevonden voor de "gewapende opstand van de bolsjewieken", waaronder grote wapenarsenalen in onderaardse gangen. Die zogenaamde 'bewijzen' werden nooit aan het publiek getoond.

Verkiezingsbijeenkomsten voor de vijfde maart worden door de politie ontbonden, zo gauw er enige kritiek op de Hitler regering wordt geuit. Eventueel mokkend gaan de arbeiders braaf naar huis. En wat heeft het voor zin om op dat moment de Internationale te zingen?

Laatste reis

Begin februari is Marinus uit Leiden vertrokken om zich, zoals gewoonlijk, lopend en liftend naar Berlijn te begeven. Onderweg discussieert hij met mensen die hij in daklozentehuizen en gaarkeukens tegenkomt. Op 18 februari komt hij in Berlijn aan en begeeft zich naar het slaappension in de Alexandrinenstrasse, waar hij al eerder, in april 1931, had vertoefd. De komende dagen stelt hij zich op de hoogte van de situatie en bemerkt al gauw dat die hem tegenvalt.

Bij steunlokalen stelt hij aan gespreksgenoten voor om een demonstratie te houden, zoals ie dat in Leiden gewend was, maar de mensen zeggen hem dat je daarvoor bij de partij of de vakbond moet zijn. Na een week rondlopen, eten en slapen wat tenslotte ook geen actievoeren is beseft Marinus dat hij iets op eigen houtje moet ondernemen. Op zaterdag 25 februari koopt hij lucifers en vier pakjes vuurmakers (Kohlenanzünder). De Duitse vuurmakers waren indertijd een soort tabletten, bestaande uit naftaline, gelardeerd met kleine houtspaanders. Ze waren bedoeld om de kachel mee aan te steken. Als je een half pakje in één keer aansteekt, ontstaat een intensief vuur, dat een half uur kan aanhouden.

Zaterdagavond trekt Marinus erop uit. Hij gaat naar het steunlokaal in de wijk Neukölln, waar ie al eerder met werklozen had gediscussieerd. Al snel schieten rookwolken op uit het met sneeuw bedekte dak. Voorbijgangers en een toegeschoten smeris blussen het zaakje bijtijds. Marinus is intussen al op weg naar het volgende object: het stadhuis. Daar werpt ie een brandend pakje vuurmakers door een openstaand raam in het souterrain naar binnen. Een onraad ruikende bewoner weet het vuurtje bijtijds te blussen. Marinus trekt verder naar het keizerlijk paleis. Langs een steiger klimt hij omhoog en steekt op het dak bij een optrek van een kantoor met één pak vuurmakers een kozijn in brand. Binnen korte tijd wordt ook dit maal het vuur ontdekt en geblust. Van deze laatste poging tot brandstichting wordt de volgende dag in de pers melding gemaakt.

Diezelfde zondag is Marinus al op weg naar huis. Zijn geld is bijna op, zijn pogingen in Berlijn iets te ondernemen hebben niets opgeleverd en over de houding van de mensen is hij teleurgesteld. Aan het begin van de avond meldt ie zich, wat in die tijd gewoon was, bij het politiebureau in Henningsdorf, een dorpje buiten Berlijn, om in het daklozencompartiment te overnachten. Maar 's nachts bedenkt hij zich. Hij wil het nog eenmaal proberen. Maandagmorgen keert hij te voet terug naar Berlijn en koopt daar 's middags vier pakjes vuurmakers. Daarna gaat ie naar het Rijksdaggebouw om de zaak van buitenaf goed in zich op te nemen.

Glasgerinkel

Na wat te hebben rondgehangen in de stad keert Marinus tegen negen uur, als het donker is geworden, terug naar de Rijksdag. Het kolossale gebouw ligt er verlaten bij. Rinus klimt rechts naast de hoofdingang langs een muur met diepe richels naar boven en belandt op een klein balkon op de hoofdverdieping. Hier trapt hij een dubbelglazen ruit van de balkondeur in, wat hem - zoals hij later zal verklaren - heel wat moeite kost. Zonder dat ie het weet, komt Marinus binnen in het restaurant, waar hij direct fikjes begint te stoken.

Door het glasgerinkel werd de aandacht getrokken van een toevallige passant, die Van der Lubbe naar binnen ziet dringen. Hij waarschuwt onmiddellijk een om de hoek staande politieagent. Men beschikte toen nog niet over mobiele telefoons, en de knulligheid van de optredende agent was groot. Hij beval een paar toevallige voorbijgangers om te voet honderden meters verderop de politie en brandweer te waarschuwen! Samen met nog wat voorbijgangers blijft de agent intussen gefixeerd naar de lichtverschijnselen kijken, die door de diverse door Rinus ontstoken brandjes worden opgewekt.

Marinus begint een koortsachtige race van 15 tot 20 minuten door de Rijksdag. Overal vuurtjes stichtend dringt hij in het donkere gebouw naar binnen. Hij steekt flarden gordijn, gevonden handdoeken en tenslotte zijn eigen bovenkleding in brand om als fakkels mee te nemen. Zo komt hij ook in de grote parlementszaal. Daar steekt hij achter de voorzitterszetel razendsnel drie lange gordijnen in brand. Zoals langs alle wanden in de vergaderzaal bevindt zich ook boven die gordijnen een veertig jaar oude, kurkdroge houten lambrizering, waarop het vuur grip krijgt. Terwijl Marinus verder door het gebouw raast, begint op dit punt de brand uit te slaan.

Vaak wordt beweerd dat "het hele Rijksdaggebouw in lichterlaaie stond". Daarvan bestaan dan ook filmbeelden en foto's, die telkens weer in allerlei documentaires over de Rijksdagbrand opduiken. In deze beelden, die tegenwoordig als "archiefmateriaal" worden gepresenteerd, zien we de vlammen gestaag uit alle ramen van de Rijksdag slaan. Deze filmbeelden zijn zowel in de studio's van de Duitse nationaal socialisten als - na de Tweede Wereldoorlog - in filmstudio's van de Oosteuropese communisten gemanipuleerd om te suggeren dat zo'n enorme brand onmogelijk door één persoon gesticht kan zijn. Maar wat is er echt gebeurd?

De parlementszaal bevindt zich in het centrum van het enorme Rijksdaggebouw. Boven die zaal is een 75 meter hoge koepel van glas en staal gebouwd. Deze koepel is van de vergaderzaal gescheiden door een glazen plafond. Wanneer het vuur van de door Marinus in brand gestoken drie gordijnen overslaat op de eikenhouten lambrizering daarboven, knapt het glazen plafond van de hitte. Er ontstaat een enorme schoorsteenwerking. De vlammen schieten omhoog naar de koepel, waarvan bijna alle ruiten springen. Hoog in de koude vrieslucht veroorzaakt het vuur grote rookwolken.
Na de brand, die rond 11 uur 's avonds was uitgeraasd, zag de grote zaal eruit alsof daar een brandend vliegtuig was neergestort. De rest van het gebouw bleef intact. Het enige wat de volgende dag aan de buitenkant te zien was, waren de vernielde ruiten van de koepel.

Tegen half tien die maandagavond loopt Marinus in het Rijksdaggebouw, buiten adem en heftig zwetend, in de armen van een hem al minutenlang achtervolgende agent en de huismeester. Hij verzet zich niet en wordt gearresteerd. "Waarom heb je dat gedaan?", schreeuwt de huismeester hem toe. "Uit protest, protest!", is het antwoord. Een klap in het gezicht is Marinus z'n deel en hij wordt afgevoerd naar het dichtstbijzijnde politiebureau. Daar aangekomen bekent Marinus onmiddellijk wat hij heeft gedaan, en hij lijkt wel trots te zijn op zijn daad. Na drie eerdere pogingen is het nu eindelijk gelukt!

De politiecommissarissen Heisig en Zirpins zijn de eersten die Marinus ondervragen. Zij zijn verrast door de helderheid van Rinus'verklaringen, die ook bij controle ter plekke blijken te kloppen. Nadat Marinus tot in detail zijn brandweg in de Rijksdag heeft uiteengezet, loopt hij de volgende dagen meerdere malen, in aanwezigheid van diverse gerechtelijke 'deskundigen', opnieuw in recordtempo de weg af, die hij maandagavond al brandstichtend door het gebouw was gegaan.

Bekentenis

Een fragment uit het proces verbaal van het politieverhoor:
"Bij voorbaat verklaar ik dat er aan mijn handelen een politiek motief ten grondslag ligt... In Duitsland is nu een nationale concentratie [de coalitieregering onder leiding van Hitler] gevormd en ik ben van mening dat daar twee gevaren aan zitten: 1. worden de arbeiders onderdrukt en 2. zal de nationale concentratie zich nooit door de andere landen laten vernederen, zodat er ten slotte toch oorlog komt... Ik heb geconstateerd dat de aanhangers van de nationale concentratie in Duitsland kunnen doen en laten wat ze willen maar de arbeiders niet... Ik besefte dat de arbeiders uit zichzelf niks ondernemen. In de huidige tijd vlak voor de verkiezingen zullen de arbeiders niet zomaar bereid zijn om uit zichzelf tegen het systeem te vechten dat de ene kant vrijheid geeft en de andere onderdrukking. Mijn opvatting was dat er beslist iets moest gebeuren om tegen dit systeem te protesteren. Omdat de arbeiders toen niets wilden ondernemen, wilde ik gewoon wat doen. Ergens brand stichten hield ik voor een geschikt middel.

"Ik wilde geen particulieren raken maar iets wat tot het systeem behoort. Openbare gebouwen waren daar dus geschikt voor, bijvoorbeeld het steunlokaal; want dat is een gebouw waarin de arbeiders bij elkaar komen. Daarna het raadhuis, omdat het een gebouw van het systeem is, en verder het paleis. Dat laatste omdat het in het centrum ligt en je, als het gebrand had, hoge vlammen had gehad die van ver te zien waren. Omdat die drie branden toen niet functioneerden, er dus niets van mijn protest terechtkwam, heb ik de Rijksdag gekozen omdat het een centraal punt van het systeem is.
Op de vraag of ik het feit alleen heb uitgevoerd, verklaar ik dat zulks het geval is. Niemand heeft me bij mijn daad geholpen en ik ben ook in het hele Rijksdaggebouw niemand tegengekomen".

Op de avond van de brand arriveert de gewaarschuwde Göring als eerste van de regeringsploeg in de brandende Rijksdag. Een half uur later komen Hitler en Goebbels aan. Onmiddellijk spreken zij het vermoeden uit dat nu eindelijk "het sein tot de bolsjewistische opstand" is gegeven. Een halfontklede Nederlander is zojuist op heterdaad betrapt, met in zijn zakken nog een communistisch pamflet. De communistische fractieleider in de Rijksdag, Ernst Torgler, had een half uur vóór de brand, samen met twee partijgenoten, het parlementsgebouw als laatste verlaten. Hitler raakt hysterisch en beveelt "nog vannacht alle communistische afgevaardigden zonder pardon op te hangen!"...

Onderaardse gang

Voordat Hitler in de brandende Rijksdag arriveerde, had Göring al bevolen alle openbare gebouwen te bewaken en vliegvelden en grensovergangen aan strenge controle te onderwerpen. Maar hoe hebben de vermeende handlangers van de gearresteerde Nederlander ongemerkt het gebouw kunnen verlaten? Zoekend naar een verklaring herinnert Göring zich de verwarmingsbuizentunnel, die vanuit het ketelhuis onder de grond rechtstreeks naar de Rijksdag loopt. Via een aftakking is deze buizentunnel met de residentie van de Rijksdagvoorzitter verbonden, waar Göring sinds 30 januari zetelt.

Hij beveelt, in de nog brandende Rijksdag, onmiddellijk de ondergrondse buizentunnel te inspecteren. Zijn persoonlijke lijfwacht Weber onderzoekt samen met drie politieagenten de tunnel, maar alles is volledig afgesloten en er zijn geen verdachte sporen te vinden. Niettemin geeft Göring groot alarm en dezelfde nacht nog worden duizenden communisten en socialisten opgepakt. De volgende dag wordt de noodtoestand uitgeroepen, die alle burgerrechten praktisch buiten werking stelt, wat in maart wordt gevolgd door een "machtigingswet", waarmee het parlement zichzelf buiten spel zet.

Overigens werd niet alleen door de Hitlerbende gedacht dat de Rijksdagbrand het startsignaal voor de opstand was. Een vergadering van revolutionairen socialisten in de Diamantbeurs te Amsterdam wordt onderbroken met de mededeling: "Kameraden, goed nieuws uit Duitsland, de Rijksdag staat in brand!". Vanuit Nederland schrijft een kameraad aan Marinus, die in Berlijn gevangen zit: "Jouw daad heeft grote uitwerking gehad op de gemoederen van onze medestanders en de arbeiders in het algemeen". Maar de kranten die over de brand gaan berichten, zorgen ervoor dat Van der Lubbe's daad naar een provocatie gaat rieken.

Om zich te verdedigen draaien de communisten de zaak eenvoudig om. De zeven tot tien brandstichters waarover Göring zo lichtvaardig sprak, waren juist zijn eigen SA getrouwen, die hij zelf door de "onderaardse gang" had gestuurd! De brandstichting was als provocatie bedoeld om een excuus te creëren voor de uitroeiing van de "marxisten"! De daad van een onafhankelijk individu past eenvoudigweg niet in het beeld van politieke partijen die zelf complotteren en alleen maar aan opdrachtgevers denken.

Terwijl in de 'democratische westerse wereld' de theorie van de naziprovocatie opgeld begon te doen, woedde in Duitsland zelf een wilde communistenhetze. Nu Hitler en Göring de theorie van de "bolsjewistische revolutie" hadden geproclameerd, werden de media overspoeld met "plannen" die drie dagen eerder bij de inval in het Karl Liebknechthuis gevonden zouden zijn. Het zou daarbij gaan om brandstichtingen in openbare gebouwen, bomaanslagen onder de burgerbevolking, vergiftiging van het drinkwater, grootschalige plunderingen de dag na de brand in Berlijn enzovoort. Iedere dag gaf de Duitse pers sensationele nieuwe details over de "ontdekte" plannen van de "bolsjewisten". En alleen dankzij het kordate ingrijpen van minister Göring was Duitsland die "communistische pest" bespaard gebleven!

De tegenpartij liet zich niet onbetuigd en besloot direct laster met laster te beantwoorden. Al op 28 februari meldt het Nederlandse communistische partijblad De Tribune: "Het staat vast dat deze van der Lubbe wegens provocatorische handelingen uit onze beweging verwijderd is, dat hij de Partij en haar politiek voortdurend heeft aangevallen en thans door de Hitler regering als werktuig voor deze ongehoorde provocatie wordt gebruikt".

Twee weken later heet het al dat "de brandstichter Van der Lubbe reeds in 1932 in Beieren als lid van de nazipartij is beëdigd". De Haagse Post bericht dat "de brandstichter in Saksen ten huize van lokale nazileiders heeft gelogeerd". Medio maart melden verscheidene kranten dat aan Van der Lubbe 50 duizend mark is beloofd voor het in brand steken van de Rijksdag. Door zijn opdrachtgevers zou hem zijn toegezegd dat ie na twee maanden voorarrest in vrijheid wordt gesteld. Dat bericht komt uit de koker van het Franse communistische partijblad l'Humanité. Het sociaal democratische Het Volk meldt dat Van der Lubbe "reeds in Holland fascist was". Enzovoort.

Anti-hakenkruistocht

Zoals zovele zag ook de communistische propagandamagnaat Willi Münzenberg zich gedwongen naar het buitenland te vluchten en zijn mediaconcern in Duitsland in de steek te laten. Maar met financiële ondersteuning vanuit Moskou zet hij in Parijs onmiddellijk een nieuwe propagandacentrale op. Als naaste medewerker van Münzenberg begint de ook uit Duitsland gevluchte Otto Katz bovendien fondsen te werven in de internationale toneel en filmwereld. De spil van de nieuwe onderneming wordt het 'Wereldcomité voor de slachtoffers van het Hitler fascisme', dat in tal van landen afdelingen heeft. Langs deze weg lukt het Münzenberg en Katz een heel groot aantal spraakmakende intellectuelen in de westerse wereld te organiseren.

De firma publiceert onder meer het beruchte Bruinboek over Rijksdagbrand en Hitlerterreur, een geraffineerde combinatie van vervalsingen, geruchten en waarheid. Het Bruinboek bevat een goed en een slecht deel. In het goede deel wordt voor de eerste keer de waarheid over de concentratiekampen, de jodenvervolgingen en andere terreurdaden in het nieuwe Duitsland gedocumenteerd weergegeven. Wie toen leefde, kon niet meer zeggen: ik heb het niet geweten! Dat maakt het slechte deel van het Bruinboek, waarin Marinus van der Lubbe en zijn daad geen leugen bespaard is gebleven, des te schrijnender. In de loop van 1933 '34 wordt het Bruinboek in twintig talen vertaald en in grote oplagen over de wereld verspreid. Op de publieke opinie maakt het enorme indruk.

Een voorbeeld van de drek waarmee naar de onafhankelijke Van der Lubbe wordt gegooid: niet alleen is hij een "omgekochte naziprovocateur", hij is ook een "schandknaap" van SA leider Ernst Röhm. Indertijd was de homoseksualiteit van stafchef Röhm, en van anderen in de SA top, algemeen bekend. Van der Lubbe's zogenaamde homoseksualiteit wordt uit de duim gezogen om een brug naar de SA top te slaan. Zoals het Bruinboek smeuïg formuleert: "Van der Lubbe's homoseksuele betrekkingen tot nationaal socialistische leiders, zijn materiële afhankelijkheid van hen, maakten hem tot een willoos werktuig in de handen van de brandstichters".

Om die homosexualiteit zogenaamd te "bewijzen" wordt onder meer gebruik gemaakt van het selectieve citaat. In het Bruinboek kun je lezen: "Sjaak Vink heeft onze berichtgever [Otto Katz] verteld dat hij met Van der Lubbe vaak in één bed geslapen heeft". Nu had Vink dit inderdaad verklaard maar er aan toegevoegd: "zonder dat ik iets van homoseksuele neigingen bij hem heb waargenomen"...

Los van de partijpolitieke overwegingen die de stalinisten bewogen om Rinus nota bene aan Röhm te koppelen, was homoseksualiteit in die tijd een enorm taboe zeker in de nogal puriteinse arbeidersbeweging en het stond gelijk aan geestelijk instabiel. Daarmee wordt het beeld van Marinus bevestigd dat elders in het Bruinboek als volgt wordt omschreven: "Het werktuig was een klein, slechtziend warhoofd: Marinus van der Lubbe".

Zo werd een Leidse metselaar van onbesproken proletarische reputatie door de media in Europa, in Noord en Zuid Amerika, in Azië en in Australië door het slijk gehaald. Wat konden de met Rinus solidaire familieleden, vrienden en geestverwanten daartegen ondernemen?

Nico Jassies

Dit is het tweede deel van een driedelige serie over de Rijksdagbrand. Het eerste deel: Wie was marinus van der Lubbe? stond in Ravage # 267. Over 4 weken het derde en laatste deel: het Internationaal Van der Lubbe comité, het proces en de nasleep

 

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1998