|
Naar archief
De uraniumduif De ijselijke kreten van miljoenen slaven die eeuwenlang over plantages heen werden geslagen. Het gebrul van woedende menigtes die het racisme en de onderdrukking niet langer pikten, in het zuiden van de VS, in iedere uithoek van de planeet, in het zuiden van zomaar een hoofdstad. Zomaar een zondagavond. De angst van de piloot. Het ongeloof. De ramptoeristen. De duisternis van de met uranium doordrenkte grond. Het wegstromende, ziekelijke water. Negenhoog achter reikt een gulzig kindermondje naar de hals van een kraan. Over elkaar heen schuiven de krantenberichten. De bange vermoedens worden later ingehaald door de werkelijkheid. Duivenstront in geuren en kleuren op mijn tafel, tussen hoop en vrees, oorlog en vrede. Ingewanden, onontwarbaar, het bloed al aangekoekt, in een beginnende staat van verrotting. De vleugels verwelkt, doorweekt, ronduit dood. De ogen, rooddoorlopen, blind. De pootjes: verkrampt. De snavel: opengesperd. Dit allemaal keurig, haast klinisch uitgestald op het schamele dichterstafeltje, bijgelicht door een kaarsenstomp. Burengerucht dreunt niet meer door de gewapend betonnen muren heen. Ik werk, onderzoek, neem mijn taak serieus. Tot aan de ellebogen gedrenkt in de resultaten. Vond haar op het balkon. Verderop scheen de zon. Geen bloemen, geen toespraak. Alleen dit. Je vliegt voortaan (in flarden beschreven met mijn schaamteloze pen) door de papieren werkelijkheid heen. Dag, uraniumduif. Manik Marc
Naar boven Naar Jaargang 1998 |