|
Naar archief
Hoeveel zout kun je leggen op een slak? Een kwartier over tijd val ik het feministisch café binnen waar een bijeenkomst over mannenstrijd gepland staat. Een veertigtal jongens, meiden, mannen en vrouwen luisteren geboeid naar een jongen die iets murmelt wat ik niet kan verstaan. Een van hen legt de discussie een moment lam opdat de laatkomers ook een plaatsje kunnen vinden. Met een appelsapje nestel ik me aan de rand van de 'kring' en zet mijn oren open. 'Mannen vertellen over hun zoektocht naar een vrije samenleving' luidt de ondertitel van de avond. Ik luister, en luister, en luister. Zeg af en toe aarzelend iets. Uit wat ik zoal opvang blijkt vooral een hoop goede bedoelingen, twijfel en onzekerheid. Twijfel aan het eigen roerige innerlijk, onzekerheid over de mannelijke rolpatronen die men in de boze buitenwereld dient te vervullen. "Hoi, ik ben Sjoerd, ben hier voor het eerst. Goh, ik word nu best
wel 'n beetje zenuwachtig. Maar dat is dan ook een stukje mannenstrijd
wat ik te leveren heb", hoor ik een jongen stamelen. De groep is
groot maar er wordt wonderwel naar elkaar geluisterd. Men stuit op vragen
als: "Maar wat is dan mannelijkheid" of "Maar willen mannen
wel veranderen?" De termen 'pro-feministisch' en anti-seksistisch'
vallen om de haverklap. Een soort van conclusie na anderhalf uur heen en weer gepraat kan luiden dat de mannen niet de vrouwelijk feministische norm als uitgangspunt moeten nemen bij het werken aan zichzelf, en aan de vrije samenleving natuurlijk. Dan vraagt de 'discussiebegeleider` of iemand nog iets wil zeggen. Inmiddels aan de grote tafel middenin de kroeg geschoven, vraag ik of er iemand is die maandag de deur bij Ravage heeft dichtgemetseld. Hilarisch gelach der aanwezigen. Een van de meiden houdt zich van de domme en vraagt wat ik precies bedoel en of ik misschien wil vertellen wat er is gebeurd. Een jongen roept van nabij de bar "dat ik juist blij moet zijn met het muurtje, want het is een teken dat Ravage tenminste serieus wordt genomen". Geen metselaar meldt zich, de groep valt uiteen en ik raak meer dan een uur lang aan de praat met een der frequente briefschrijvers van de laatste maanden. We voeren een open gesprek, waaruit blijkt dat onze opvattingen diametraal tegenover elkaar staan, ook al noemen we ons allebei anarchist. Hij vindt dat alles wat met seksueel geweld te maken heeft het daglicht niet kan, mag en zal verdragen. De reden voor deze angstvalligheid? Dat het wel eens kwetsend zou kunnen zijn voor het seksueel misbruikte deel van de bevolking. Het vrouwelijk deel, bedoelt hij vooral. Voor we het weten haal ik 'Oranje' te voorschijn en onderwerpen we mijn kutgedicht aan een diepte-analyse. 't Staat er nergens maar hij vindt het een oproep tot verkrachting van vrouwen in het algemeen. Uit de woorden van de jongen met wie ik ten slotte praat klinkt oprechte bezorgdheid omtrent de houding van de redactie ten opzichte van seksueel geweld. Moedeloos fiets ik naar huis. Mijn tong is pimpelblauw van het praten.
Er zweeft een botte bijl akelig dicht langs m'n wenkbrauwen. Waarmee ik
maar bedoel te zeggen dat, ik bedoel, eh, tja, nou ja, eh, hoe zal ik
het zeggen zonder iemand te beledigen, zonder de indruk te wekken dat
ik het allemaal niet serieus neem. Alles ligt zo gevoelig dat ik er misselijk
van word. Slakken zijn wij, rondkruipend in zeeën van zout, we proberen
de korrels te vermijden en noemen dat 'vooruitgang`. Veel gelul, eh geluk.
Naar Jaargang 1998 |