Naar archief

Uit: Ravage #254 van 6 maart 1998


Het hemd is nader dan de rok

Een beweging die pretendeert een alternatief voor de reguliere maatschappij te zijn, moet nadenken over haar eigen beperkingen. Welke idealen heeft de autonome beweging? Hoe geeft ze die vorm in het dagelijks leven? Daarom is mijn motto voor dit verhaal: Een beweging die haar eigen vanzelfsprekendheden niet ter discussie stelt, beweegt niet.

In hoeverre kan een beweging autonoom zijn? Ja, zij kan geheel los staan van bestaande partijen, vakbonden, organisaties... Maar kan een beweging ook los staan van de maatschappij waarin de leden van die beweging zijn opgevoed? Welke vanzelfsprekendheden neem je mee de beweging in?

Een van de meest hardnekkige vanzelfsprekendheden zijn die tussen mannen en vrouwen. Hierover zijn al heel lang behartenswaardige dingen gezegd, die echter telkens, en dat is het rare, weer vergeten blijken te zijn.

Om enkele voorbeelden te noemen: Reeds de eerste socialisten (later door Marx en Engels 'utopisch' socialisten genoemd) stelden rond 1830 dat je kritiek op de economische verhoudingen niet los kon zien van de sekse verhoudingen. De beste graadmeter voor de werkelijke verandering van de maatschappij waren volgens hen de veranderde sekse verhoudingen. In deze tijd, dus rond 1830, richtten socialistische mannen al een soort mannenpraatgroepen op om hun eigen conditionering ter discussie te stellen. Dit ter discussie stellen van je eigen gedrag is echter in het latere dominante socialistische marxisme, maar ook grotendeels in het anarchisme verloren gegaan.

Toen tegen 1900 het niet marxistische socialisme opnieuw opkwam werd er (opnieuw) gesteld: Een van de eerste vereisten om de maatschappij te veranderen is 'een mentale revolutie in mannen'. In dezelfde tijd werd in het blad van het Nederlandse anarchisme De Vrije Socialist kritiek op de sekseverhoudingen verbonden met 'de grote zaak'. (Niet zozeer door Domela Nieuwenhuis trouwens, daar kom ik zo dadelijk op terug).

Zelfs Trotsky, hoe we ook over hem kunnen denken, stelde rond 1920: "Om de levenscondities te veranderen moeten we leren deze te zien door de ogen van vrouwen." Hij wees er tevens op dat socialisten veel makkelijker de wetten en de economische verhoudingen konden veranderen dan de sekse verhoudingen... Maar zonder veranderingen van de sekseverhoudingen kon er volgens hem eigenlijk niet van socialisme worden gesproken.

Persoonlijke

Het belang van de beroemde sixties is m.i. onder meer dat ze zowel de liberalen als 'oud links' uitdaagden de grenzen van wat als politiek werd opgevat te verleggen. Ze bekritiseerden (eerst) niet alleen de economische verhoudingen, maar ook het autoritaire en op consumptie gerichte patroon van het gezinsleven. Het privéleven was volgens hen een politieke kwestie. Maar in hun maatschappijkritiek speelde de sekse verhoudingen nog geen enkele rol. Ze hadden het begrip politiek uitgebreid met seks, maar niet met sekse, met kritiek op het gezin, maar niet met de werkzaamheden daarbinnen.

Rond 1970 echter leek Marx een effectievere 'praxis' te beloven dan Marcuse en werd de voordien geuite kritiek op het (autoritaire) socialisme ingeslikt en het nadenken over de uitbreiding van het begrip politiek uitgesteld tot na de revolutie. Het was de vrouwenbeweging die begin jaren zeventig de discussie over de grenzen van de politiek opnieuw oppakte en uitbreidde met de man vrouwverhoudingen en de arbeidsdeling naar sekse. Deze uitbreiding werd samengevat in de leuze 'het persoonlijke is politiek'.

Zoals Judith Metz in haar boek Het Gekraakte Ideaal laat zien is het ook in de huidige autonome beweging nog steeds moeilijk de consequenties van deze leuze serieus te overdenken. De consequentie nl. dat je je idealen leeft in het hier en nu en dat je je eigen vanzelfsprekendheden durft te doordenken. Dit geldt, zoals ik in dit verhaal zal benadrukken, natuurlijk ook voor vrouwen. Alleen is het zo verdomde jammer dat Anja Meulenbelt ruim 20 jaar geleden reeds schreef: "Binnen links worden de manieren waarop mensen in organisaties met elkaar omgaan, hun emoties en relaties genegeerd. Concurrentie en verzakelijkte relaties komen binnen links net zovaak voor als erbuiten." En dat Judith weer opnieuw deze omgangsvormen aan de kaak moet stellen.

Hoe komt het toch dat er in de geschiedenis regelmatig een verband is gelegd tussen links en seksestrijd, tussen maatschappijverandering en verandering van de sekse verhoudingen en dat dat verband telkens weer verdwijnt?

Ik vind hiervoor een uitspraak van Bebel (uit ongeveer 1875) nog steeds leerzaam, een uitspraak die hierop neerkomt: iedere socialist snapt dat de kapitalisten de baas spelen over de arbeiders en vindt de kapitalisten stom dat ze dat ontkennen. Maar diezelfde socialist wil liever niet begrijpen dat hij de baas speelt over vrouwen, omdat zijn eigen lieve ik daarbij ter discussie wordt gesteld. Wat dat betreft, zo stelde Bebel, is het hemd nog steeds nader dan de rok: de grote strijd moet niet te dichtbij komen en te persoonlijk worden. (Deze uitspraak van Bebel is echter, opmerkelijk genoeg, in de latere versies van zijn beroemde boek De Vrouw en het Socialisme, verdwenen, toen hij zich aan ging passen aan de marxistische lijn. Want zoals U allen weet, werd daarin het persoonlijke afgedaan als bourgeois: het ging tenslotte om de grote revolutie).

Tegenstellingen

Vanuit mijn actie verleden: illegaal wonen (het begrip 'kraken' bestond nog niet), Provo, studentenbeweging, Derdewereldbeweging, Vrouwenbeweging ben ik, toen ik eenmaal op de universiteit was beland, altijd geïnteresseerd gebleven in allerlei sociale bewegingen. De laatste 15 jaar is mijn belangstelling vooral gericht op alternatieven voor de bestaande maatschappij, ook wel 'utopische bewegingen' genoemd.

Ik zoek het dus meer in de richting van alternatieven dan in de grote revolutionaire strijd. Dit komt ook door allerlei postmodernistische noties met hun kritiek op het denken in tegenstellingen: mannen tegenover vrouwen, gevoel tegenover verstand, wij (de autonomen) tegenover de reguliere maatschappij, de goeden tegenover de slechten...

Er bestaat een verschil tussen 'alternatieve'/utopische bewegingen en revolutionaire bewegingen. Dit verschil zit niet zozeer in de aangehangen idealen, maar in de strategie. Alternatieve bewegingen zoeken naar gemeenschappelijke idealen en trachten deze idealen in het hier en nu te leven. Revolutionaire bewegingen daarentegen wijzen dit direct in praktijk brengen van hun idealen af, omdat eerst een algemene vijand (de reguliere maatschappij?) verslagen moet zijn voordat de idealen geleefd kunnen worden.

Deze strategiekwestie heeft verreikende consequenties. Want als al het denken en actievoeren wordt geconcentreerd rond de tegenstelling wij de anderen en de laatsten als algemene vijand wordt voorgesteld, dan is er geen ruimte om na te denken over het 'goede' leven in het hier en nu. Want dat kan pas aan de orde komen als de reguliere maatschappij totaal (hoe totaal?) veranderd is.

Je kan mijn verhaal dan ook beschouwen als een pleidooi om na te denken over het goede leven, de alternatieven in het hier en nu te leven en het wij zij denken te verlaten. Ook wat betreft de sekse verhoudingen.

Maar... tegelijkertijd weet ik uit mijn actieverleden hoe leerzaam en strijdbaar het wij zij denken kan zijn. Bijvoorbeeld het 'wij vrouwen' idee van de zeventiger jaren heeft het toen (en nog/weer?) bestaande concurrentie idee tussen vrouwen afgebroken en de noodzakelijke solidariteit tussen hen teweeggebracht.

Vóórdat dit 'wij vrouwen' idee bestond, ging ik in de sixties mee met: ik ben geëmancipeerd want mannen (in de diverse bewegingen waarin ik toen actief was) zien mij als belangrijk. Het heeft mijzelf een tijd gekost om mannen en mannelijkheid niet als norm te zien, maar om me solidair te kunnen voelen met vrouwen. Maar het heeft me ook weer een tijd gekost om afstand te nemen van het 'wij vrouwen' tegenover het 'zij mannen'. Ik heb moeten leren dat je, door het denken in tegenstellingen, in die tegenstellingen blijft hangen.

Grensgebieden

Uit Judith's boek blijkt hoe groot deze spanningsverhouding tussen het leven van je idealen in het hier en nu en het 'wij' tegenover de reguliere maatschappij nog steeds is in de autonome beweging. Ofwel de spanning tussen het alternatieve leven en revolutie.

Reeds in het begin van hoofdstuk 1 stelt Judith enerzijds dat de autonome beweging in staat is om te overleven doordat ze nog altijd wordt gedragen door een alternatieve jongerensubcultuur. Anderzijds geeft ze aan dat in de beweging de overheidsautoriteiten per definitie tegenstanders zijn en de confrontatie met hen op de voorgrond staat. De idealen uiten zich in negatie.

De vraag is echter, zo toont Judith's boek aan, of die negatie van de reguliere maatschappij wel zo geslaagd is wat betreft man vrouwverhoudingen en daarmee ook de vormgeving van een alternatieve aparte levensstijl. Het 'wij' tegen 'zij' bood volgens Judith vrijheid. veiligheid en ruimte om te leren en jezelf te ontwikkelen. Maar, zo stelt ze, omdat er niet meer nagedacht werd over mythes en taboes en de gevolgen daarvan, zie ik geen verschil meer tussen de beweging en de rest van de maatschappij. Beiden bieden geen leefbaar alternatief. Alleen met bepaalde mensen uit de beweging is er ruimte om te bepalen over hoe je wel wilt leven en wilt werken.

Het doet me bijna pijn dit te lezen. Verdomme, nog steeds... of: steeds weer. Opmerkelijk vind ik haar opmerking hierna: Mensen en groepen die zich wél binnen de beweging verder ontwikkelen bevinden zich meestal op de grens tussen beweging en reguliere maatschappij, waardoor het onderscheid tussen wij en zij is vervaagd. Ook al concludeert Judith dit niet, ik lees hieruit wederom een pleidooi voor het opheffen van het denken in tegenstellingen... Niet wij/de autonomen tegenover zij/de regulieren, mannen tegenover vrouwen, maar het gaat juist om de grensgebieden, daar waar het vrouwelijke en het mannelijk, het alternatieve en het reguliere elkaar raken!!!

Uit het boek van Judith spreekt voortdurend het dilemma tussen: er moet nu iets gebeuren om de wereld te redden en: het is moeilijk om de reguliere maatschappij/de anderen te veroordelen als de autonome beweging zelf geen leefbaar alternatief biedt. Inderdaad ja, want waarvan moet de wereld nu dan gered worden?

Hiermee hangt m.i. nauw het al eeuwenoude dilemma van sociale bewegingen samen: Kan je alleen maar ergens tégen zijn? Kan je zonder opbouwende activiteiten? (zie hoofdstuk IV in Judith's boek). Deze vraag wordt mooi geïllustreerd in de kritiek van Domela Nieuwenhuis op de kolonie beweging. Rond 1900 probeerden een aantal niet marxistische socialisten en anarchisten 'kolonies' te vormen om hun alternatieve idealen vorm te geven in het hier en nu en zo het kapitalisme van binnenuit uit te hollen.

Domela was hier fel op tegen: dit zou afleiden van de grote strijd. Maar wat was de grote strijd? De algemene werkstaking, waarna alles plotseling anders zou worden. Maar, zo stelden de anarchistische kolonalisten, we willen niet alleen overal tégen zijn, maar ook ergens vóór zijn. Volgens Judith kiezen vooral vrouwen voor opbouwende activiteiten; rond 1900 durfden echter meer mannen dan vrouwen te kiezen voor liet alternatieve leven in de kolonies. (Ook niet voor niets trouwens, maar dat voert nu te ver).

Onbespreekbaar

Als laatste wil ik ingaan op Judith belangrijke opmerking (in hoofdstuk VII): Seksisme is niet alleen een probleem van vrouwen. Het probleem is echter, zo geeft Judith aan, dat als vrouwen de anti seksisme strijd niet zouden aangaan, er niet veel aan de sekseverhoudingen zou veranderen. Ikzelf heb het idee dat er enerzijds in vroegere tijden theoretisch bij een aantal mannen veel meer oog bestond over het belang van andere sekse verhoudingen dan nu. (Zie de citaten aan het begin van mijn verhaal).

Anderzijds weet ik dat er momenteel een behoorlijk aantal mannen bestaat die ook de dominante norm van mannelijkheid (zoals o.m. tot uiting komend in de grote bekkencultuur) wil veranderen. En nog steeds is het zo, zoals Judith laat zien, dat vrouwen het leven binnen de beweging beter vinden dan dat erbuiten. Maar seksisme verdwijnt alleen door het te erkennen!

Heel sterk vind ik Judith als ze aangeeft (hoofdstuk V) dat seksisme onbespreekbaar is omdat het ideologisch niet zou bestaan in de autonome beweging.

Bezig zijn met seksisme betekent voor mannen volgens Judith dat ze de confrontatie met zichzelf moeten aangaan. (En dat willen de meeste mannen niet, zoals blijkt uit de reacties van mannen op het themanummer van Ravage). Bezig zijn met seksisme betekent voor vrouwen dat ze hun eigen positie én de beweging ter discussie stellen. En dat willen de meeste vrouwen niet, zoals Judith aangeeft, omdat ze de algemene externe strijd belangrijker vinden dan de interne strijd tegen seksisme.

Judith's conclusie is dan ook dat niet alleen de mannen verantwoordelijk zijn voor seksisme, dat de structuur van de beweging de voorwaarden creëert voor een seksistische subcultuur en dat vrouwen ook het seksisme mede in stand houden.

Als laatste conclusie noemt Judith dat de impact van het seksisme voor vrouwen is: het ontbreken van vormgeving van het eigen leven. Ik zou willen zeggen: maar dat geldt ook voor mannen.

Zolang mannen zich alleen maar op hun pik getrapt voelen, in de verdediging schieten en daarbij weigeren 'hun eigen lieve ik' ter discussie te stellen, zal er niet veel aan de sekseverhoudingen kunnen veranderen. Waar blijft de morele revolutie in mannen waar ruim 100 jaar geleden al om geroepen werd? Hoe kunnen vrouwen solidair zijn met elkaar én met de mannen die wél willen nadenken over de diverse vormen van mannelijkheden en vrouwelijkheden?

Zoals duidelijk moge zijn heb ik willen aangeven dat het denken in wij zij (zowel wat betreft vrouwen tegenover mannen als autonome beweging tegenover reguliere maatschappij) niet werkt. Ik hoop van harte dat iedere 'autonoom', mannen zowel als vrouwen, Judith's boek ter harte neemt, zodat de pretentie van de beweging: een alternatief voor de reguliere maatschappij te zijn, waargemaakt kan worden.

Ik zou dan ook aan het rijtje suggesties voor verbeteringen aan het einde van Judith's boek willen toevoegen: Denk na over hoe het seksisme in de maatschappij je eigen denken en gedrag beïnvloedt. Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. Want ik vind nog steeds het meest basale: hoe je in je dagelijks leven omgaat met de mensen om je heen. Het is niet voor niets dat ik aan het begin van dit verhaal zoveel socialistische mannen heb geciteerd die het belang van andere sekseverhoudingen hebben benadrukt. De omgangsvormen binnen radicaal links, Judith's ondertitel, zijn van wezenlijk belang voor een maatschappijverandering. Lees dit boek en bedenk hoe het anders kan.

Saskia Poldervaart

Saskia Poldervaart is verbonden aan de studierichting Politicologie en Vrouwenstudies aan de Universiteit van Amsterdam. Zij sprak deze tekst uit op 28 februari jl. in Vrankrijk in Amsterdam tijdens de presentatie van het boek van Judith Metz: Het gekraakte ideaal: Seksisme en omgangsvormen binnen radicaal links. Uitgeverij Ravijn, Amsterdam.

Naar boven
Naar overzicht dit nummer

Naar Jaargang 1998