|
Naar archief
Uit: Ravage #254 van 6 maart 1998
Vergezeld van zijn advocaat en een groepje sympathisanten, stelde de actieve baanloze Wim Smit voor de bestuursrechter niet alleen de (on)rechtmatigheid van de sollicitatieplicht aan de orde, maar zetten hij ook vraagtekens bij de legitimiteit van de rechtbank, en bij de monarchie. De beweging van actieve baanlozen doet vooral van zich spreken als weer eens iemand de sociale dienst van zijn of haar gemeente voor de rechter daagt. Vrijdag 20 februari werd het estafettestokje overgenomen door Wim Smit uit Rotterdam. Wim is niet ongenegen om te solliciteren op werk waar hij volledig achter kan staan, maar hij verzet zich tegen de plicht om te moeten solliciteren. Hij ervaart dat als een inbreuk op zijn recht op zelfbeschikking. Omdat Wim weigerde te solliciteren kortte de Rotterdamse sociale dienst eind 1992 zijn uitkering gedurende drie maanden met zes procent. Wim vocht die maatregel aan bij de bestuursrechter, en won op procedurele fouten. Toen hij vervolgens niet meewerkte aan de legitimatieplicht en zich daarbij opnieuw verzette tegen de sollicitatieplicht werd zijn uitkering volledig stopgezet. Later werd die weer hersteld, maar Wim bleef sollicitatieplichtig. In 1995 was Wim die plicht zo zat dat hij besloot de hem opgelegde sollicitatieplicht opnieuw aan te vechten. En zo stond hij op 20 februari opnieuw voor de bestuursrechter. Tijdens zijn rechtszaak stelde Wim niet alleen de (on)rechtmatigheid van de sollicitatieplicht aan de orde, maar zette hij ook vraagtekens bij de legitimiteit van de rechtbank, en bij de monarchie. Wim, die overtuigd republikein is, besloot zijn pleidooi met een verwijzing naar de 'Eed van trouw aan de koning en het Koninkrijks statuut', die ook rechters bij hun ambtsaanvaarding moeten afleggen. "Zolang die eed niet in overeenstemming is gebracht met artikel 1 van de Grondwet, kan ik niet worden gehouden aan navolging van de besluitvorming van het Nederlandse politieke bestel, omdat ik wederrechtelijk van participatie ben buitengesloten", aldus Wim. Wim weigert als overtuigd republikein immers trouw te zweren aan de koningin. Wim's advocaat De Bruin stelde in zijn pleidooi dat vrijstelling van sollicitatieplicht op grond van sociale, medische of andersoortige argumenten ook voor mensen met levensbeschouwelijke en principile bezwaren moet gelden. Ook wees hij op de ongelijke behandeling van mensen die onbetaald werk verrichten, vergeleken bij mensen die betaald werken. En de ongelijke behandeling die republikeinen krijgen vergeleken bij al dan niet openlijk monarchistisch ingestelde personen. Bovendien spreekt artikel 19 van de Grondwet over arbeid, maar nergens blijkt dat daar alleen betaalde arbeid wordt bedoeld. In Smit's situatie is bovendien sprake van dwang tot het verrichten van werk waarvoor hij niet vrijelijk heeft gekozen. Dat lijkt strijdig met artikel 4 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en met artikel 8 van het Internationaal Verdrag Burgerlijke en Politieke Rechten. Beide verdragen vormen een garantie tegen dwangarbeid en bieden een bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ook maken beide verdragen geen onderscheid tussen betaald en onbetaald werk. De meest prangende vragen van de Bruin waren: "Wie bepaalt wat voor iemand passende arbeid is" en "Hoe past de gemeente Rotterdam de haar toegemeten beleidsvrijheid toe?". Het verweer van de heer Van der Hoeven van de gemeente Rotterdam was kort: "Wij hebben ons te houden aan de wet en moeten die zo goed mogelijk uitvoeren. Wij hebben ons aan de wettelijke regels gehouden. Het aangevoerde argument van dwangarbeid is nieuw voor mij; dat argument is niet meegewogen in de besluitvorming van B&W. Overigens is er in de praktijk niet veel sprake van dwang, want meneer Smit hoeft nog(!) niet te solliciteren op banen die hij niet ziet zitten. Maar bij niet solliciteren zal er zeker een sanctie volgen''. De rechter had geen vragen. Hij deelde slechts mede dat de rechtbank binnen zes weken uitspraak zou doen. (Marta Resink) Naar bovenNaar Jaargang 1998 |