| Homepage |
|
Dodelijke machtsspelletjes in Funny Games
Michael Haneke zet mes op je oogleden
Een toeschouwer zal niet gauw de bioscoop verlaten, al was het
maar vanwege het dure toegangskaartje. Een film waarbij dat gebeurde
was ooit het roemruchte Salo of de 120 dagen van Sodom van Pier Paolo
Pasolini. Hetzelfde lot beschoren lijkt Funny Games, de nieuwe film
van Michael Haneke, die wordt vertoond op het Filmfestival van Rotterdam.
"Je verlaat ofwel woedend ofwel enthousiast de zaal, maar hoe dan ook niet onverschillig," merkt regisseur Michael Haneke terecht op. Zijn nieuwe film, Funny Games, veroorzaakte een rel tijdens het filmfestival in Cannes in 1997. De zaal liep voortijdig leeg, op degenen na met een sterke maag en met vertrouwen in de Oostenrijkse duivelskunstenaar. Liever wordt men geamuseerd, op het eind van een bloederig epos gerustgesteld, bijvoorbeeld door het opentrekken van een blik politie-agenten die over de kleinburger waken.
Haneke's nieuwste zoektocht naar de banaliteit van het kwaad is even kil en ijselijk als het eerder genoemde Salo, en zal tevens dezelfde cultstatus verwerven. Want Funny Games is een meesterwerk. In meerdere opzichten laat Haneke zien dat hij veel van Pasolini heeft geleerd, dat hij de Italiaanse maestro welhaast evenaart in zijn analyse van de kleinburgerlijke moraal die kan leiden tot fascistische uitspattingen.
Hockeystick
Net als in Salo spelen de gebeurtenissen zich ver van de bewoonde wereld af, in een idyllisch vakantiehuisje aan een meer. Funny Games, de naam suggereert het al, zit boordevol spelletjes, zowel onschuldige als dodelijke. Het gezinnetje George, Anna en zoontje Georgie rijdt naar hun vakantiehuisje. Dat Händel plotsklaps plaatsmaakt voor de loeiharde trashmetal van John Zorn kondigt de hel die ons te wachten staat al aan. De levensmiddelen zijn amper uitgepakt, de herdershond heeft het huisje amper verkent, de boot is door vader en zoon nog maar net te water gelaten, of een jongen genaamd Peter komt om eieren vragen. Hij laat 'per ongeluk' de mobiele telefoon in het slawater vallen, zodat ieder contact met de buitenwereld is afgesneden. De psychologische oorlogvoering kan beginnen.
In no time, als ook Paul zijn akelige kop vertoont, raakt het gezin in handen van deze twee levensgevaarlijke Beavis en Butthead-klonen, die met de afstandsbediening in de hand een weddenschap afsluiten dat de drie over 12 uur het loodje hebben gelegd. "Waarom doen jullie dit," vraagt pa aan George als hij is toegetakeld met een hockeystick. "Waarom niet?" bijt Paul terug.
Diverse ontsnappingspogingen worden verijdeld, en de film eindigt niet happy. Dat kun je ook niet verwachten van Michael Haneke, die zich met zijn debuut Der Siebente Kontinent (1989) en later Benny's Video en 71 Fragmente einer Chronologie des Zufalls al liet kennen als een genadeloos portretteur van de hedendaagse, gewelddadige generatie. Een generatie die geen plaats heeft in de Oostenrijkse maatschappij. En niet alleen de Oostenrijkse. De machteloosheid van het gezin, dat zo gelukkig aan de vakantie begon en zo sukkelig in de val loopt, en de werkelijk schokkende onverschilligheid waarmee met name Paul zijn machtsspelletjes speelt, worden door Haneke op bijna klinische wijze in beeld gebracht. Sommige scènes zijn van een fabelachtige, gruwelijke schoonheid die ik nog maar zelden op het witte doek heb mogen beleven.
Schijngeluk
Opvallend is dat er in de film geen seconde seks of erotiek voorkomt, dat dit zelfs niet één enkele keer wordt gesuggereerd. Ook niet als Anna zich gedwongen moet uitkleden om het leven van haar man en zoontje een paar uur te rekken, lijkt het zich langs de lippen likken van Peter in de verste niet op een teken van geilheid. Ook komt er geen politie in voor.
Haneke borduurt voort op het thema van Pasolini: het schijngeluk van de kleinburgers dat wordt verstoord door indringers. De geweldsfilms van Quentin Tarantino zijn nog geruststellend, want onderhoudend, vergeleken met de wijze waarop Haneke je het mes op de oogleden zet. Verder is Funny Games te vergelijken met het al even de sadistische A Clockwork Orange van Stanley Kubrick. "Een bewegend beeldhouwwerk van meedogenloosheid" is de film genoemd en daar is geen woord Oostenrijks bij.
Funny Games toont tevens aan hoe ver al die discussies de plank misslaan over de vraag waar toch al dat 'zinloze geweld' van jongeren vandaan komt. Wie op die vraag echt een antwoord wil vinden, moet het moralistisch gelul laten voor wat het is en het werk van Michael Haneke gaan zien. Of gewoon om zich heen kijken in de eigen door de treurbuis overbelichte huiskamer.
Michael Haneke, geboren in 1942 in München, ontdekte betrekkelijk laat dat zijn passie bij het filmen lag. Na een jaar of vijftien maatschappijkritische TV-films te hebben gemaakt, maakte hij op 46-jarige leeftijd zijn speelfilmdebuut. "Het probleem is niet hoe je geweld laat zien," filosofeert Haneke, "maar hoe je de kijker diens eigen positie laat zien in verhouding tot het geweld zoals het wordt uitgebeeld."
Dat verduidelijkt meteen de enige minpuntjes in de film: de momenten waarop Paul zich tot de toeschouwer in de zaal richt. Een dergelijke cliché-matige techniek om de toeschouwer op diens eigen verantwoordelijkheid te wijzen heeft Haneke echt niet nodig, want als je naar deze film zit te kijken besef je donders goed dat jij het bent wiens keel wordt dichtgeschroefd. Een komische vondst van Haneke is wel dat hij een keer de film terugspoelt als een gebeurtenis niet bevalt; ik zal niet verklappen welke gebeurtenis.
De minpunten mogen de totale suspense-ervaring niet in de weg staan. Haneke biedt geen enkele valse hoop, neemt je als toeschouwer serieus, laat je met een verontrustend gevoel achter. Een gevoel dat precies past bij de gruwelijke geschiedenis die hij vertelt. Daar kunnen we hem alleen maar dankbaar voor zijn. Vandaar het verzoek: loop niet halverwege weg.
Marc Hurkmans
Naar Jaargang 1998 |