Homepage

Uit: Ravage #250 van 9 januari 1998

Het einde van de democratie

1998 is het jaar van de verkiezingen. In een aantal artikelen belicht Ravage het democratisch gehalte van de parlementaire schijndemocratie. Aflevering 1: het einde van de democratie aan de zwevende hand van de Franse cultuurcriticus Jean Baudrillard.

Zijn politici niet vooral onbedoelde komedianten? Hebben hun daden nog betekenis? Bestaat er nog zoiets als 'representatieve democratie'? Is de legitimatie definitief zoek? Vragen waar een verlichte politicoloog liever geen aandacht aan besteedt en een politicus al helemaal niet, want die is druk bezig stemmen te winnen voor de aankomende verkiezingen. Is het einde van de geschiedenis, van de kritiek, van de tijd en van de politieke filosofie tevens het einde van de representativiteit?

Als er een historisch moment is waarop de representatie van de politiek begint, is dat het einde van de achttiende eeuw, als een deel van de Fransen genoeg heeft van de Lodewijksiaanse dynastie. Onder haar flamboyante hoede had de politiek veel weg van een Renaissancistisch theater met vuurwerk, een feestelijke sfeer en machinale uitvindingen, zorgend voor een scenische illusie, die haar macht behoudt zonder haar geheim prijs te geven, als ze al een geheim heeft. Er was sprake van semiurgie en strategie, niet van ideologie. Virtuositeit in plaats van waarheid. De machiavellistische politiek was een cynisch spel zonder doel.

Het kritische tijdperk van het theater denk aan Molière's Le Bourgeois Gentilhomme valt samen met de opkomst van sociale tegenstellingen en psychologische conflicten. De burgerij verbant de illusie en de esthetisering van de politiek kent een voorlopig einde. De politieke scène wordt moralistisch en serieus, draaiend om de historische objectiviteit. Ze krijgt een fundamentele betekenis: het volk, de wil van het volk en sociale tegenstellingen.

Ze krijgt de taak om te beantwoorden aan het ideaal van een goede vertegenwoordiging. De ethische kristallisatie van de politieke scène vangt aan en brengt een lang proces van verdringing op gang. "Aanvankelijk was er het geheim, en dat was de regel van het spel der verschijningen. Vervolgens was er het verdrongene, en dat was de regel van het spel van de diepte," zo vat Baudrillard in De fatale strategieën de eerste twee stappen samen.

De derde stap begint met de uitvinding van de (visuele) media, zorgend voor een overrepresentatie, maar niet op inhoudelijk niveau. Lang voor het begin van deze ontwikkeling uitte Sören Kierkegaard hierover al zijn twijfels: "Stel je eens voor dat iemand een instrument uitvond, een handige kleine spreekbuis, die toch zo sterk is dat men deze over het hele land kan horen, zou de politie dat ding dan niet direct moeten verbieden?"

Wat moet de Deense filosoof wel niet van iets als televisie hebben gedacht? De alomvertegenwoordigde macht van de televisie zorgt ervoor dat alles aan de oppervlakte komt, maar die oppervlakkige dingen bezitten geen geheim meer. Het laatste stukje illusie is verdwenen en zonder mythe, zonder speelse dimensie bestaat er geen politieke scène waarin iets zou kunnen gebeuren: wat er is, is een overrepresentatie door de media, maar niet echt een voorstelling, waardoor de kijker een voyeur wordt zonder illusie. Zo verloor het Britse Lagerhuis haar mythische kwaliteiten met de entree van de BBC camera's.

Een treffender voorbeeld is de Golfoorlog, waarover Baudrillard het provocerende boek De Golfoorlog heeft nooit plaatsgevonden schreef. CNN laat precisiebombardementen zien, een futuristisch spektakelstuk zonder illusie: een videospelletje, gemaakt in het Pentagon, aanschouwd door een verdoofd, geamuseerd kijkerspubliek. Tussen de werkelijkheid en de media ontdekte Baudrillard een kortsluiting omdat CNN en de computers het slagveld vormden.

Verveling

Politici zijn allemaal gedwongen om te simuleren in een pathetische gebarentaal. "Pornografen van de onverschilligheid," noemt Baudrillard ze. Een John F. Kennedy die hét televisiedebat wint van Richard Nixon, omdat deze er door schminkfouten meer dan gebruikelijk als een schurk uitziet. Een Ronald Reagan, die van voren niet weet dat hij van achteren leeft, maar in het gelukkige bezit is van een ongekend retorisch repertoire en dito charisma. Een Bill Clinton, die er veel jonger, energieker uitziet dan zijn Republikeinse tegenstanders.

De massa (*) is, volgens Baudrillard in In de schaduw van de zwijgende meerderheden, alleen nog geïnteresseerd in spektakel, actie en sensatie. Ze consumeert, maar produceert niet meer. Ze fungeert niet meer als spiegel, maar als spons. Het doel van politici (en politicologen) is om haar een betekenis te geven, te leren kennen. Dat gebeurt doorgaans op een sociaaldemocratische, moralistische wijze: informeren en socialiseren om het culturele niveau te verheffen, oftewel, het maken én controleren van de samenleving.

De Amerikaanse politicoloog Ian Budge meent dat in een consumptiemaatschappij alles constant in beweging is, dat er competitie bestaat tussen verschillende groepen "om een definitie te geven en controleren van de werkelijkheid", terwijl onder dictaturen de tijd stil staat en de mensen uit verveling een voortdurende siësta houden. Wat te denken van de verveling in de Westerse democratieën? Vanwaar die fascinatie voor het extreme, het nog snellere, het nog grotere, het nog spectaculairdere...?

De massa consumeert en zwijgt, maar het is een paradoxale stilte, want met deze stilte zorgt ze ervoor dat niemand in haar naam spreekt. De massa is geen autoriteit meer, in wiens naam, refererend aan een klasse of een volk, iemand spreekt. Ze is geen subject meer en kan daardoor niet meer vervreemd raken. Het betekent het einde van alle revolutionaire aspiraties, want de massa kent geen explosiegevaar, ze is een plaats waar absorptie plaatsvindt. De strategie van de macht is gebaseerd op de apathische houding van de massa. De passiever ze is, de veiliger de situatie.

Om de schijn op te houden proberen politici de mensen te activeren, bijvoorbeeld door het verstrekken van informatie. Tevergeefs, volgens Baudrillard: "De massa is een koud reservoir, in staat om alles te absorberen en alle hete energie te neutraliseren." Ze is onderzocht als een dier in een laboratorium, maar ze kan niet zeggen of de waarheid ter linkerzijde of ter rechterzijde van het politieke spectrum ligt. Ze weet niet of ze revolutie wil of repressie. Ze is zonder waarheid en zonder rede. Ze is zonder bewustzijn en zonder onbewustzijn. Ze wil met rust worden gelaten.

Opiniepeilingen

Voor de politici is de stilte ondraaglijk. Het fenomeen opiniepeiling is uit die nood geboren, maar net als een scherm van de televisie, representeert een peiling niets. Het is een vergissing te denken dat peilingen representatief voor iets kunnen zijn, zoals een woord het is voor een ding, een beeld voor een realiteit of een gezicht voor innerlijke gevoelens. Een peiling berust op een virtuele, toevallige en intimiderende simulatie.

"Reclame en opiniepeilingen zijn niet in staat iemands wil of opinie te vervreemden, aangezien ze niet optreden in de tijdruimte van de wil en de representatie waarin het oordeel gevormd wordt. Om dezelfde reden kunnen ze onmogelijk iemands wil of opinie verlichten, omdat ze niets gemeen hebben met die tegelijk theatrale en representatieve scène van de opinie die de scène van de politiek was," schrijft Baudrillard in De fatale strategieën.

Opiniepeilingen zijn niets meer dan statistisch exhibitionisme, een onophoudelijk zelfvoyeurisme. De massa heeft geen mening en de overvloed aan informatie informeert haar niet. Opiniepeilingen verschillen niet veel van weersvoorspellingen en toto uitslagen.

Ze zijn inmiddels een vermakelijk middel geworden om de spanning te verhogen tijdens een verkiezingsstrijd, die te vergelijken is met het algemeen klassement tijdens de Tour de France. Ondertussen zitten de politici verstrikt in de cijfers die ze halen bij de publieke opinie.

De grootsheid van de statistieken ligt niet in hun objectiviteit maar in hun onbedoelde humor. De humoristische voorzienigheid bracht de Britse verkiezingen van 1992 in de war, de massa gebruikte het wapen van een radicale dissumilatie in antwoord op het gesimuleerde antwoord zoals dit door de peilingen en de statistieken wordt geënsceneerd. De Tories wonnen nadat alle peilingen een Labour winst hadden aangegeven.

Schrik in medialand, onrust bij de politiek en vermaak bij de massa. De peilingindustrie laat een onderzoek uitvoeren en zal de problemen proberen op te lossen middels anonieme vragenlijsten zodat niemand zijn amodieuze voorkeuren hoeft te verbergen. De opiniepeilingen zullen blijven functioneren als spektakel van de informatie, net als bij de revolutie wil het volk van de informatie alleen het spektakel. Men denkt echter het volk te peilen, maar dit verlustigt zich voor de televisie dag in dag uit met de veranderingen van zijn eigen opinie.

Impliciet geven de politici die opiniepeilingen nodig hebben om beslissingen te nemen het failliet van de representatie toe. Ze bezitten zodoende geen enkel initiatief meer: ze proberen wanhopig uit te vinden wat de massa wil (referenda, peilingen, enquêtes, onderzoeken) en stemmen daar het beleid op af. De politici slepen de massa niet meer 'vooruit' naar een betere wereld, een einddoel, maar de massa sleept de politici mee in haar vrije val. Iedereen probeert de massa te verleiden, maar ze reageert niet, ze neutraliseert het politieke vertoog. Er is sprake van een massale wilsafstand. Het diepste verlangen bestaat hieruit het eigen verlangen aan een ander over te laten.

De Franse verkiezingen vormen een interessante illustratie. Twee jaar terug kregen de gaullisten Jacques Chirac en Alain Juppé een carte blance om het verdoemde land te regeren. 'Links' was op sterven na dood, maar afgelopen voorjaar bleek ze opeens weer springlevend te zijn, getuige een enorme overwinning in de door Chirac uit overmoed gehouden parlementsverkiezingen. In Groot Brittannië speelt ongeveer hetzelfde, al is daar net als in de Verenigde Staten en Nederland het verschil tussen 'links' en 'rechts' nagenoeg weggevallen. Verkiezingen, opiniepeilingen en politieke debatten zijn louter simulaties van de politiek.

De politiek is nu gereduceerd tot speciale effecten. In deze situatie is het niet toevallig dat artiesten als Yves Montand, Frank Zappa, Glenda Jackson en Ronald Reagan met wisselend succes hun intrede deden in de politieke arena. In de mediamaatschappij zijn het de charismatische media specialisten, eerder dan Plato's filosoof koningen of Max Weber's technocraten, die aan zet zijn. Baudrillard: "We are perhaps going toward the republic of crooners, of speakers, of sprinters, of animators. Why not? In Rome, they had crowned a horse emperor." Politiek staat intrinsiek gelijk aan reclame, sport, cabaret, mode en poker. Het is de ultieme wil van de massa's die niets dan vermaak verwachten van de politieke kaste.

Schijndemocratie

Zijnde een vrolijk nihilist treurt Baudrillard geenszins om het einde van het verlichtingsproject, dat (representatieve) democratie als belangrijke peiler had. Het verlangen om de wereld te verbeteren, te produceren, betekenis te geven, draagt toe aan de overproductie van betekenissen en 'realiteit'. Het spektakel vereert zichzelf als de nieuwe en enig mogelijke (hyper)realiteit: een wereld vol beelden en verschijningen. Elke poging tot kritiek zal falen en opgegeten worden door het spektakel.

Zelfs de apathische kreet "Here we are now, entertain us" van Nirvana zanger Kurt Cobain werd over de hele wereld meegezongen, op studentenfeesten, in koorhuizen, in hippe boetieken. Het monster van de commercie zal alles opeten, zeker ook haar critici, zoals in 1968. Het mislukken van déze Franse revolutie heeft duidelijk een Post Marxist Trauma (PMT) nagelaten bij de Franse intelligentsia in het algemeen en Baudrillard in het bijzonder. Uit cynisme pleit Baudrillard voor een soort van hyperconformisme, verwachtend dat het spektakel voeger of later aan haar eigen succes ten onder gaat.

De macht moet er voorlopig alles aan doen om meer betekenissen en waarheden te produceren, omdat ze anders geen macht kan uitoefenen. Om die reden bestaan er volgens Baudrillard pretparken als Disneyland: om bezoekers te doen geloven dat de wereld buiten de hekken echt is. Net zoals de gevangenissen moeten verhullen dat de wereld buiten de muren een grote gevangenis is. Michel Foucault is niet ver weg.

Utopisch zijn juist de vertogen van politicologen als Adam Przeworski, en Robert Dahl, representanten van het vermaarde Amerikaanse conformisme. Przeworski schotelt zijn lezers in Sustainable Democracy een klassiek sociaaldemocratisch menu voor: een vorm van marktsocialisme, met de illusie dat de politiek de economie op wat voor een wijze dan ook kan benvloeden. Ooit bevrijdde de economische groei de samenleving van de natuurlijke druk die haar tot een directe strijd om te overleven dwong.

Nu verandert de economie de wereld, maar verandert deze slechts in de wereld van de economie. De overvloed aan waren kan niet meer zijn dan het toegenomen overleven. Het economie verhaal kent veel aanhangers, want nadat ze haar economische noodzaak heeft vervangen door de noodzaak van de oneindige economische ontwikkeling, voorziet ze de maatschappij in een oneindige reeks schijnbehoeften.

Het is aan de politiek om deze verlangenmachine in toom te houden, maar over het algemeen houden politici zich meer bezig met persoonlijke ondeugden dan met het algemeen belang. Politiek draait niet om altruïstische vaardigheden, maar om spectaculaire verleiding, rituelen en machtspelletjes. De media adviseurs van Ronald Reagan en George Bush hebben dat beter begrepen dan Przeworski. "Het is de glimlach van Reagan, waarin de zelfvoldaanheid van de hele Amerikaanse natie culmineert en die het enige regeerprincipe dreigt te worden. Een zelfvoorspellende glimlach, zoals alle tekens uit de reclame: glimlach en men zal naar u glimlachen. (...) Reagan bereikt met deze glimlach een veel grotere overeenstemming dan welke Kennedy ook ooit had kunnen bereiken met behulp van rede of politiek inzicht," aldus Baudrillard in Sideraal Amerika.

Alle hedendaagse regeringen hebben aan de publicitaire regulatie van de publieke opinie hun stabiliteit te danken. Het gaat erom tekortkomingen, schandalen, rampen en mislukkingen geloofwaardig te maken, het verwerven van een immuniteit van een bekend wasmiddel. Er is in onze tijd zodoende hooguit sprake van een stabiele schijndemocratie. Desalniettemin gelooft ook Robert Dahl in een wereld als global village, bestaande uit moderne, democratische en pluralistische maatschappijen. Maar deze kroon op het verlichtingsproject is niets anders dan een universele en homogene staat. De wereld van Friedrich Nietzsche's 'laatste mens'...

Patrick van IJzendoorn

(*) Het woord 'massa' klinkt hier negatiever dan bedoeld is. Voor Baudrillard is het een soort transcendentaal begrip, dit in tegenstelling tot Karl Marx bij wie de massa moet zorgen voor revolutionaire opstanden en bij Gustave le Bon bij wie de mob een negatieve bijklank heeft.

 

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1998