Naar archief

UIT: Ravage #224/225 van 20 december 1996 [thema: politieke correctheid]

Een collectieve xenofobie

PC: de crisis van de multiculturele samenleving

De uitdrukking politically correct, oorspronkelijk als ironische term in zwang binnen leninistische linkse groepen in de Verenigde Staten, werd eind jaren tachtig door neo-conservatieven overgenomen en ingezet tegen het multiculturalisme op de Amerikaanse universiteiten. Eenmaal beland op de conservatie agenda groeide het al snel uit tot een media-hype en werd politieke correctheid de verbindende schakel in een aantal media-spektakel vertellingen. Terwijl rechtse intellectuelen de ondergang van de westerse beschaving voorspellen, vreest links een nieuwe heksenjacht.   

    'Hoewel er nog steeds een paar figuren waren die van die nationalistische petjes droegen, en 'Black is Black' of 'Black is the future'-sweaters, dreadlocks, was het feminisme de bepalende ideologie van de jaren tachtig. Puttbutt was nog steeds een feminist. Onthield elke middelmatige zin van Zora Neale Hurston. Kon Sylvia Plath uit z'n hoofd voordragen. Kon met termen strooien als phallocentriciteit. Ploeterde om iets te snappen van Catherine A. MacKinnon. Maar nu was hun macht tanende - de weinige zwarte vrouwen die zich hadden aangesloten bij de blanke feministische zaak waren eruit gestapt en hun eigen organisaties begonnen, en de Californische blanke mannen, zoals Rhett Butler, lieten de Scarlet O'Hara's in de steek, verlieten blanke vrouwen voor Aziatische vrouwen. Van degenen op de Afdeling Menswetenschappen die zouden gaan stemmen over zijn vaste aanstelling waren sommigen feminist, en hij moest dus bevriend blijven met ze voor het geval hij hun stem nodig had. Zij waren bezig April Jukojuku, een vurige radicale lesbische milieu-activiste, naar de campus te halen. Zij zouden haar drie keer zijn salaris gaan betalen. Haar poëzie verzamelde sociale kwesties zoals sommige mensen  zwerfkatten verzamelden.' 

Benjamin 'Chappie' Puttbutt is de hoofdpersoon in de sardonische roman Japans in 'n jaar (In de Knipscheer, 1995) van de radicale zwarte Amerikaanse schrijver Ishmael Reed. Puttbutt is een jonge zwarte hoogleraar aan het overwegend blanke 'Jack London College' in Californië die hunkert naar een vaste aanstelling en een mooie academische carrière. Op jacht naar macht en aanzien waait hij met alle ideologische winden mee.  

In de jaren zeventig is hij actief binnen de Black Panters en hult hij zich in Afro-kapsel en Malcom X t-shirt. Daarna bekeert hij zich tot het feminisme en nu - begin jaren '90 - probeert hij respect te verwerven van de neo-conservatieven die de positieve actie-programma's en het multiculturalisme op de universiteiten bekritiseren.  

Zonder wroeging uit hij, als er weer een paar zwarte studenten door witte Anglo-Saxische neo-nazi's op het campusterrein in elkaar zijn geslagen, voor de tv-camera's zijn ongenoegen over het door zwarte studenten beleden Afrikaans-Amerikaans nationalisme. Zo roepen ze dit geweld over zich af. "Zij zouden moeten ophouden die arme blanken te verontrusten met hun extreme eisen. De blanke studenten worden kwaad om deze eisen. Positieve actie. Quota's. Ze raken over hun toeren." 

Het is duidelijk dat zijn vrijages met het neo-conservatisme hem niet populair maken bij de Afdeling Afrikaans-Amerikaanse Studies waar hij probeert een vaste aanstelling te veroveren. "Zij maakten hem duidelijk dat ze een 'clublid' wilden, wat de codenaam was voor degenen van gelijkgestemde ideologie, en de ideologie bleef wisselen. Puttbutt vertrouwt er echter op dat de neo-cons de strijd op de universiteiten zullen winnen en schaart zich daarom alvast aan hun zijde. 

Gezien het ideologisch klimaat in de Verenigde Staten heeft Puttbutt waarschijnlijk op het juiste paard gewed. In de loop van de jaren tachtig verklaarden neo-conservatieven in de Verenigde Staten de oorlog aan positieve actie, quota's, multi-

culturalisme en political correctness in de Amerikaanse hoger onderwijsinstellingen.  

Het begrip politieke correctheid dat binnen universiteiten was ontwikkelt als kritiek op dogmatisch links kon in handen van conservatieve geleerden, zakenmensen, politici en vooral de media uitgroeien tot de verbindende term in een serie televisie spektakel-verhalen als de Golfoorlog, de Hill/Thomas hoorzittingen ("Het nationale spelprogramma waarvan de prijs bestond uit genitaliën van de zwarte man" - Reed) en het O.J. Simpson-proces.  

Nieuwe bewoners 

De controverse over politieke correctheid en multiculturalisme heeft haar wortels in de veranderingen die sinds de jaren '60 binnen de Amerikaanse hoger onderwijsinstellingen hebben plaatsgevonden. Universiteiten en hogescholen waren lange tijd het domein van de witte man. In 1960 was 94 procent van de studenten wit, waarvan 63 procent man. Op een aantal publieke en private universiteiten werden zwarten, en in een enkel geval ook vrouwen, niet eens toegelaten.  

Van het bijna volledig witte onderwijzend personeel was tachtig procent man; bij de hoogleraren zelfs negentig. In 1991 is deze situatie, onder andere als gevolg van de diverse positieve actie-programma's, ingrijpend gewijzigd. Twintig procent van de studenten is niet-wit of Hispanic; 55 procent is vrouw. Het onderwijzend personeel bestond inmiddels voor 28 procent uit vrouwen en het percentage niet-witte docenten nam toe. 

De nieuwe bewoners van de campussen brachten verhalen met zich mee waarvoor binnen het traditionele curriculum geen plaats was. Onder druk van deze groepen kwamen er eerst aparte cursussen Afrikaanse-Amerikaans studies, Aziatische studies, Latino-studies, vrouwenstudies, gay and lesbianstudies, etcetera. Later werden veel van deze cursussen zelfs verplicht onderdeel van het curriculum, ook voor de traditionele campusbewoners die zichzelf nu leerde kennen als de Anglo-Saxische witte man.  

Reacties konden niet uitblijven. Naast de niet zelden met geweld gepaard gaande acties van witte studenten, die hun ongenoegen over speech codes (het verbod op racistisch en sexistisch taalgebruik) en de verplichte cursussen 'raciaal bewustzijn' en 'sensibiliteitsstraining' afreageerden op hun niet-witte mede-studenten, kwamen ook academici en andere intellectuelen in verzet. Zo liet de schrijver Saul Bellow weten dat "als de Zulu's ooit een auteur als Tolstoi zouden voortbrengen, wij hem hier heus wel zouden lezen", maar dat dat nu eenmaal niet het geval is.  

In conservatieve wetenschappelijke bladen verschenen al in het begin van de jaren '80 artikelen waarin werd gewaarschuwd voor een nieuwe academische 'Bende van Vier' bestaande uit feministen, neo-marxisten, multiculturalisten en deconstructivistische literatuurtheoretici die verraad pleegde aan het nationale culturele erfgoed. Niet lang daarna dook dezelfde klacht op in meer populair-wetenschappelijke werken zoals de bestseller The Closing of the American Mind (1987) van de hoogleraar filosofie Alan Bloom.  

Hierin trekt hij, financieel gesteund door de conservatieve Earthart en Olin Foundation, van leer tegen het 'culturele relativisme', dat aanvankelijk alleen werd gepropageerd door linkse intellectuelen, maar zich nu zou manifesteren in de gehele maatschappij. Dit uitte zich onder andere in te weinig bijbelkennis en teveel MTV. De oorzaak van dit verval van de Amerikaanse maatschappij was het verdwijnen van de etnocentrische vooroordelen. "Cultureel relativisme", zo schrijft hij, "slaagt er in de westerse universele en intellectuele imperialistische aanspraken te vernietigen, en het af te doen als slechts één van de culturen."  

Vrijheid van onderwijs 

Eind 1987 organiseerden conservatieve academici zich in de National Association of Scholars (NAS). Volgens de NAS was het hoger onderwijs gepolitiseerd en daarmee kwam de academische vrijheid in gevaar. Wetenschap hield zich immers bezig met eeuwige en universele waarheden. De Bende van Vier ontkende met hun 'cultureel relativisme' het bestaan hiervan.  

Daarmee rebelleerden zij niet alleen tegen instituties, maar zoals de Californische hoogleraar Wilson beweerde op een conferentie van de NAS "tegen de rede zelf". Uit naam van de rede en de westerse beschaving moest political correctness van de academies verdreven worden en daarmee positieve actie, multiculturalisme en de veranderingen die er onder druk van linkse intellectuelen in het lesprogramma waren aangebracht.

In feite ging achter dit academische debat over de (on-)mogelijkheid van een universele waarheid een machtsstrijd schuil over posities binnen de Amerikaanse onderwijsinstellingen. Rechtse Anglo-Saxische intellectuelen zagen met veel ongenoegen hoe een grote groep linkse intellectuelen - voor een relatief groot deel gekleurd en vrouw; de meeste 'geschoold' in de sociale en politieke bewegingen van de jaren '60 - posities binnen de universiteiten betrokken. Omdat de strijd niet binnen de onderwijsinstellingen kon worden beslecht, traden zij naar buiten en werd het begrip politiek correctheid begin jaren '90 op de nationale politieke agenda gezet.  

Al snel groeide het uit tot een gigantische media-hype. Dinesh D'Souza, auteur van het werkje Illiberal Education: The Politics of Race and Sex on Campus (1991) - meer een vergaarbak van anekdotes uit het campusleven dan een serieus betoog over de vrijheid van onderwijs - was niet meer uit talkshows weg te slaan. In talloze dag- en weekbladen verschenen artikelen en essays waar het politiek-correcte hoger onderwijs op de korrel werd genomen.  

Newsweek en Time wijdden er coverstories aan en in meer gerenommeerde kranten als The New York Times en Wall Sreet Journal verschenen artikelen van spraakmakende neo-conservatieven als Richard Bernstein en Arthur Slesinger Jr. De teneur van al deze media-vertellingen was ongeveer hetzelfde: de vrijheid van onderwijs en daarmee de westerse beschaving wordt bedreigd door kleurlingen, homofielen en feministen die met hun nadruk op differentie en multiculturalisme The American Way of Life bedreigen.  

Heksenjacht 

Volgens Alice Jardine, hoogleraar literatuur op Harvard, die de twijfelachtige eer had een belangrijke rol te vervullen in D' Souza's boek, is de aanval op politieke correctheid feitelijk een aanval op links. Door dogmatici en genuanceerde critici samen te voegen onder het begrip politieke correctheid wordt geheel links verdacht en daarmee eveneens hun onderzoek en vragen naar de racistische en sexistische uitsluitingsmechanismen in de Amerikaanse maatschappij.  

Omdat nieuw-rechts zich in haar kritiek gesteund wist door oud-links wiens politieke programma door feministen, multi-culturalisten en structuralisten eveneens bekritiseerd werd, vernam je in de Verenigde Staten van alle kanten hoe een "samenzwering van radicale, oud jaren '60-activisten, feministen en minderhedenprofessors er in waren geslaagd de Amerikaanse hogescholen en universiteiten over te nemen en daar een uniform neo-marxistisch ideologisch programma onderwezen dat de westerse beschaving afwijst ten gunste van Afro-centrisme, deconstructief nihilisme, Hollywood films, kasteelromans en MTV", aldus Jardine.(1)  

De campagne tegen politieke correctheid vertoont in haar ogen veel gelijkenis met de heksenjacht op communisten in de jaren vijftig onder leiding van senator McCarty. Ook toen werd de vijand 'over there' gesitueerd - toen in Korea, nu in Irak - en vervolgens thuisgebracht. Evenals in de jaren vijftig is 'back home' het terrein van de intellectuelen en hun institutionele verbanden zoals universiteiten, kunstinstellingen, musea, theater en de pers, waar machtbeluste liberalen, vrouwengroepen, mensenrechtenorganisaties en homosexuelen samenzweren en middels het gebruiken van de categorieën als ras en sexe de westerse beschaving bedreigen.  

Zo zag D' Souza als reden voor het toenemende radicalisme in de Verenigde Staten de ineenstorting van het marxisme en socialisme in de gehele wereld: "De energie van activisten die voorheen gericht was op het bevrijden van het proletariaat, is nu 'thuisgekomen' en wordt geïnvesteerd in de binnenlandse bevrijdingsagenda".  

Evenals in de jaren '50 hadden nu de regeringen Reagan en Bush met deze verdachtmakingen een prima argument om te snoeien in het universitaire onderwijs en konden een hoop criticasters van het Amerikaanse beleid worden ontslagen. Tegelijkertijd kregen veel bedrijven en rechtse fondsen de mogelijkheid cursussen te financieren waarin het lesprogramma diende om 'de westerse normen en waarden' zoals gedefinieerd door rechtse geleerden te onderwijzen. "Door ze te presenteren als westerse normen en waarden kunnen neo-conservatieven als D' Souza verhullen dat hun strijd tegen politieke correctheid in feite het spiegelbeeld is van hun eigen politiek correcte agenda: homofobie, racisme, sexisme en een verfijnd elitisme", aldus Jardine.  

Identiteit 

Toch is het wat al te eenvoudig om de strijd tegen politieke correctheid en multiculturalisme af te doen als een samenzwering van rechts en 'oud'-links tegen 'nieuw'-links. De politieke crisis die in de jaren '90 in de Verenigde Staten manifest werd, legt in feite de zwakke plek van de multiculturele samenleving bloot. Centraal hierin staan de begrippen cultuur en identiteit.

Aan het eind van de jaren zestig wendden grote delen van de Afro Americans zich, evenals het radicale deel van de homo- en vrouwenbeweging, af van de burgerrechtenbeweging en haar streven naar gelijke rechten. Gelijke 'burgerrechten' bleken niet genoeg om de sexistische en racistische uitsluitingsmechanismen in de Amerikaanse maatschappij te slechten. Volwaardig Amerikaans staatsburger werd je alleen als je je volledig aanpaste aan de identiteit van de witte man.  

Omdat men dat niet kon of niet wilde, gingen vrouwen, homoseksuelen, Afrikaanse-Amerikanen, Hispanics, Aziaten, etc. op zoek naar hun 'eigen' culturele identiteit. Binnen de academies werd door deze groepen de eigen geschiedenis onderzocht, naast de bestaande geschiedenis die nu ontmaskerd werd als de geschiedenis van de Anglo-Saxische witte man. Deze 'nieuwe' verhalen moesten bijdragen aan het zelfbewustzijn van vrouwen, homosexuelen en kleurlingen en hen van een eigen niet-afgeleide identiteit voorzien. 

De ontdekking/her-ontdekking van hun identiteit stelde zwarten volgens de socioloog Stuart Hall in staat een soort claim te leggen op een stuk van de aardbol dat niet van hen is. De her-ontdekte identiteit stelde hen in staat twijfels weg te nemen omtrent het eigen ik. Maar, zo vervolgt Hall, tegelijkertijd is het een instabiele identiteit omdat 'zwart' daar nooit geweest is. "Het is altijd een instabiele identiteit geweest - in psychisch, cultureel en politiek opzicht. Het is ook maar een vertelling, een verhaal, een geschiedenis. Iets dat geconstrueerd is, verteld, besproken, niet simpelweg gevonden." (2) 

Zwart is in Jamaica, waar Hall vandaan komt, een identiteit die geleerd moest worden. Jamaica is een maatschappij van zwarte en bruine mensen die daar drie tot vierhonderd jaar geleefd hebben zonder zichzelf ooit te hebben kunnen benoemen als 'zwart'. Hun identiteit als zwarte kon pas ontstaan met de komst van de witte man. De 'eigen' identiteit kan pas worden ontwikkeld op het moment dat het verschil 'ontdekt' is. Evenzo werd een witte middenklasse studente die woonde in een door Latino's gedomineerde slaapzaal zich pas bewust van haar identiteit als Anglo-Saxische toen een van de Spaanstalige studentes haar vroeg "what it felt like to be anglo?".  

Deze toch al problematische 'identiteitspolitiek' verbond zich in de Verenigde Staten alras met een dogmatisch moralisme toen de slogan van de jaren zestig en zeventig 'het persoonlijke is politiek' in de jaren tachtig terugkeerde als 'het politieke is persoonlijk'. Vragen omtrent individueel gedrag, attitudes en levensstijlen namen de plaats in van de politieke analyse van het sociale. Individuele strijd werd gezien als de enige relevante en legitieme vorm van politieke strijd.  

Paradoxaal genoeg generaliseren individuen hun percepties en claimen voor de gehele groep te kunnen spreken. Persoonlijke ervaringen van alledaags racisme en sexisme vervangen de analyse van machtsstructuren en deze ervaringsverhalen worden representatief voor de ervaring van de groep. Degene die zich niet herkennen in de ervaringen of interpretaties die naar buiten worden gebracht als de identiteit van de groep moeten hun mening voor zich houden, of worden verketterd. 

Verlicht racisme 

Als alleen de directe ervaring van de groepscultuur de test wordt voor kennis, dienen 'anderen' te worden uitgesloten van de productie van deze kennis. Een Afrikaanse hoogleraar in de roman van Reed: "Sta ik daar te praten voor een collegezaal over mijn eigen cultuur, beginnen enkele studenten mij tegen te spreken en te zeggen dat ze meer weten over Afrika dan ik."  

De kennis over Afrika, vrouwelijkheid en homosexualiteit is slechts toevertrouwd aan respectievelijk zwarten, vrouwen en homosexuelen. Alleen zij zijn gekwalificeerd om hun eigen cultuur of sexe te onderzoeken. Een open discussie wordt onmogelijk, politiek wordt een beleidsoperatie bestaande uit quotaregelingen en positieve discriminatie. Aan de grenzen van de identiteit wordt gepatrouilleerd om onvrede en afkeuring te signaleren en de test voor loyaliteit aan de groep is niet zozeer iemands daden alswel iemands woorden.  

Het is deze geïndividualiseerde en gepersonificeerde conceptie van cultuur en identiteit die aanleiding gaf tot intolerantie en moraliserend dogmatisme dat door critici politieke correctheid werd genoemd. In deze visie van identiteit en cultuur zijn 'verschillen' absoluut en gegeven. De multiculturele samenleving bestaat uit elkaar 'uitsluitende' culturen, elk met een eigen geschiedenis, normen waarden en gewoonten.  

Verborgen blijft dat identiteiten als zwart, vrouw, lesbisch èn Anglo-Saxisch niet 'gegeven' zijn, maar voortdurend worden geconstrueerd. Bovendien is de geschiedenis van Afrikaanse-, Spaanse- en Aziatische Amerikanen, vrouwen en homosexuelen ook die van de witte Anglo-Saxische man. Deze bestaan niet naast elkaar, maar zijn noodzakelijk met elkaar verbonden.

In de multiculturele samenleving kan iedere groep zich echter beroepen op een vaste, transcendente identiteit en claimen dat alleen zij deze identiteit kunnen presenteren en interpreteren. Daarmee vestigt elke groep haar eigen 'canon' en geschiedenis en wordt de relationele aard van verschil en onderlinge verbondenheid ontkent.  

De multiculturele samenleving, waarin iedereen de ruimte krijgt om zijn 'eigen' verhaal te herontdekken en beleven weet zo een collectieve xenofobie te verhullen. Iedereen laat de 'ander' voor wat hij is en zal geen onvertogen woord over hem of haar (durven) uiten. Zij zijn nu eenmaal anders. In deze 'verlichte' vorm van racisme (en sexisme) mogen de verschillende populaties naast elkaar bestaan, met de hun toegeschreven of zelf-ontdekte verlangens en behoeften. Tenminste, zolang iedereen zich bij de multi-culturele consensus neerlegt. Op het moment dat deze consensus van binnen of buiten wordt doorbroken, blijkt dat 'verschil' niet eenvoudig een anders-zijn is, maar een hiërarchisch geconstrueerde relatie.  

Als 'de wereld van ons allemaal is', zoals een actiegroep in Amsterdam beweert, zullen we hem moeten delen. Delen betekent echter zowel van elkaar scheiden (verschillen) als 'samen' iets gebruiken. Deze contradictionaire betekenis van delen noopt ons te leven met het feit dat conflicten en spanningen inherent zijn aan gemeenschappen waar 'verschillende' mensen met elkaar samenleven - dus aan elke gemeenschap. Dat is geen probleem zolang niemand de ander of zichzelf op dit verschil vastlegt, zolang iedereen 'zijn' identiteit en cultuur voortdurend op het spel durft te zetten en verschillen kunnen vloeien.   

Freek Kallenberg 

Noten

(1) Alice Jardin, Illiberal Reporting in Cristopher Newfield & Ronald Strickland (ed.), After political correctness: the humanities ans society in the 1990s, Westview Press, Boulder, Colorado 1995

(2) Stuart Hall, Het minimale zelf en andere opstellen, Sua Amsterdam, 1991  

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1996