UIT: Ravage #224/225 van 20 december 1996
De zot van zomergem vs harvard's golden boy
'Ik denk dat iedereen het kwaad wil wegprojecteren op de ander'
In mei van dit jaar werd de Belgische Arkprijs van het Vrije Woord uitgereikt aan de ethicus en historicus Gie van den Berghe. Dit vooral naar aanleiding van twee zijner boeken die de 'judeocide', de jodenmoord door de nazi's, tot object van analyse en overdenking hebben. Van den Berghe's vrije woord werd niet altijd evenzeer op prijs gesteld. Allerwegen bijval voor zijn verzet tegen de overdrijvingen, vervormingen en vervalsingen van historische gegevens door de ontkenners van de holocaust, maar afwisselend lof en blaam voor zijn kritiek op het misbruik van het leed en de ondergang van de miljoenen slachtoffers van de nazi-terreur door bepaalde zionisten. Een gesprek met 'de zot van Zomergem'
De kritiek op zijn boeken De uitbuiting van de holocaust (1990) en De zot van Rekem (1995) kwam vooral vanuit Nederland. De auteur Philo Bregstein noemde Van den Berghe 'een gevaarlijk revisionist' en de Groene Amsterdammer kwam gevaarlijk dicht in de buurt van een beschuldiging van anti-semitisme.
Snel geraakt waar het Israël betreft en overhaast met categorisering en stigmatisering, zo kenschetst Van den Berghe zijn Nederlandse oppositie, niet zonder grond. Een beter overwogen beschouwing zou leren dat Van den Berghe's kritiek op Israël's 'Realpolitik' (sinds 1980 vooral) is gebaseerd op een anarchistische gezindheid, die iedere staatsmacht ter discussie stelt.
Gie van den Berghe heeft geen bezwaar wanneer men hem een dwarsligger, een ondergraver noemt. De epiloog van het eerste deel van De zot van Rekem ondertekent hij zelfs met: 'De zot van Zomergem, Dr. Gie van den Berghe'. Bespotting van de hofnar is best en zelfspot nog beter, zolang een ieder maar beseft dat hij onbevangen, zonder voorafgaand moreel oordeel, maar met behulp van gedegen bronnenonderzoek en met kritische zin te werk gaat. Hoort en zegt het voort aan Daniël Goldhagen, Harvard University's 'Golden Boy', wiens bestseller Hitler's willing executioners kortelings onder Van den Berghe's loep is geraakt.
De uitbuiting
In De uitbuiting van de holocaust ontmantelt Van den Berghe het negationisme, een agglomeraat van theorieën, die het feit van de jodenvernietiging onder leiding van de nazi's ontkennen. Toch hecht Van den Berghe belang aan deze beweringen. Niet vanwege hun wetenschappelijk gehalte, maar door het politiek-ideologische gebruik dat ervan wordt gemaakt, door rechts en door links.
Beginpunt van Van den Berghe's onderzoek was de theorie van Robert Faurisson: ,,Faurisson is een Frans literatuurdeskundige. Tijdens zijn kortstondige universitaire loopbaan analyseerde hij in een reeks colleges Het dagboek van Anne Frank. Dat deed hij volgens een wel heel vreemde methode, die hij zelf de Ajax-methode noemde, naar het schuurmiddel. Die werkwijze kwam erop neer dat je de bron, dus in dit geval Het dagboek van Anne Frank, moet isoleren van zijn historische, maatschappelijke context en vervolgens kapot moet denken.
,,Van kwaad kwam in dit geval ook erger. Hij begon te geloven dat de gaskamers in de Duitse vernietigingskampen niet hadden bestaan. Daarbij kon hij terugvallen op een vrij onverdachte zegsman, Paul Rassinier, die als links-socialistisch, pacifistisch nazi-gevangene de kampen van Buchenwald en Dora had overleefd en in het begin van de jaren '60 via merkwaardige redeneringen tot de slotsom was gekomen dat het bestaan van de gaskamers op verzinsels berust.
,,De grote vernieuwing van Faurisson is hierin gelegen dat hij als eerste voor de dag kwam met technische argumenten: hoe groot waren de gaskamers, wat schrijven bepaalde getuigen over de capaciteit van de gaskamers en zo meer. Daarna, profiterend van de menselijke feilbaarheid waar het de weergave van herinneringen betreft, ontwikkelt hij zijn stellingen, die in 1989 samenkomen in een bijzonder overtuigend betoog.
Tegelijkertijd zie je dat de belangstelling voor zijn theorie zich gaat vermengen met de negatieve aandacht die in die periode naar Israël uitgaat. Een absurd fenomeen wordt een maatschappelijk fenomeen. Hier al dringt zich een vergelijking op met Goldhagen's boek, dat de overdadige aandacht die het ten deel valt wel moet krijgen, omdat het inmiddels een door de media 'gehyped' maatschappelijk fenomeen is geworden.
,,Maar laat ik eerst mijn verhaal over de holocaust-ontkenners afmaken. De uitgever had mij gevraagd in kort bestek de negationistische theorieën te weerleggen. Dat heb ik gedaan, consciëntieus en eerlijk in mijn erkenning dat ik af en toe geen antwoord op hun beweringen heb. Ik las ook echt alles, geschriften van rechtse, maar ook van linkse ontkenners. In de jaren '60 had je al een paar marxistische ontkenners, die afwilden van het beeld van Auschwitz als de hel van het fascisme, omdat dit de gedachten afleidde van het 'echte' kwaad, het kapitalisme.
Toen Faurisson in 1989 afkwam met zijn ontkenning voor het volle pond, sprong een aantal marxistisch geïnspireerde anarchisten, waaronder ook joden, op zijn kar om de ontkenning van de holocaust als wapen in de strijd tegen de politiek van Israël te gebruiken. Rond die tijd steeg het belang van de ontkenningen verder, doordat Israëlische regeringen, met name de bestuurders van Likoed, ideologisch profijt van de holocaust gingen trekken.
Steeds nadrukkelijker beklemtoonden de machthebbers de uniciteit, de onvergelijkbaarheid van de holocaust, om daaraan toe te voegen: "Wij mogen iets meer", of: "De wereld mag ons dit niet kwalijk nemen". Wat de wereld hun niet kwalijk mocht nemen? Het gedrag van bepaalde regeringen tegenover de Palestijnen en de bezette gebieden natuurlijk. Door de parallellie van deze tendens en het negationisme werd het steeds belangrijker de ontkenners de mond te snoeren.''
Het intentionalisme
Na de Jom Kippoer-oorlog van 1973 ontwikkelde de staat Israël zich steeds meer tot een theocratie, die zich voor de rechtvaardiging van zijn bestaan en daden beriep op de holocaust. Deze historische grondslag werd als 'uniek feit' verbijzonderd en als 'mysterie' gesacraliseerd.
Volgens Van den Berghe is de kern van de uniciteitsgedachte gelegen in het beginsel van intentionaliteit: gebeurtenissen worden herleid tot een satanisch plan of een anonieme, alles beheersende macht.
In het geruchtmakende boek van Daniël Goldhagen, enige tijd geleden in opdracht van uitgeverij Van Reemst vertaald als Hitlers Gewillige Beulen, is de verbondenheid van deze twee begrippen evident: "wat deze gebeurtenis uniek maakt is de gedrevenheid van de Duitsers om de joden te vermoorden in naam van Duitsland en zijn populaire leider Hitler", schrijft Goldhagen in zijn inleiding.
'De Duitsers' als duivelse uitvoerders van een sinds 1920 vaststaand plan? Van de Berghe heeft zo zijn bedenkingen: ,,Het intentionalisme wil dat Hitler en met hem zijn acolieten direct na de Eerste Wereldoorlog het plan hebben opgevat om de joden zo snel mogelijk uit te roeien. En vervolgens wordt alles, ook het voeren van de Tweede Wereldoorlog, in het teken van dat plan herdefinieerd.
Die opvatting vind je in al zijn consequenties terug bij Goldhagen. En direct rijst dan de vraag: als het zo is geweest dat Hitler vanaf de Eerste Wereldoorlog het plan had om alle joden te vermoorden, waarom brengt hij dat dan niet direct ten uitvoer als hij in 1933 de macht grijpt? Want de eerste concentratiekampen zijn bestemd voor politieke tegenstanders, meestal communisten of sociaal-democraten. Daaronder bevinden zich ook joden, echter niet in hun kwaliteit van jood, maar in hun kwaliteit van politiek opposant van het nazi-regime.
Pas in 1938, na de 'Kristallnacht', komen de joden in hun kwaliteit van jood in de kampen terecht. Nadien worden 20 tot 30 duizend joden opgesloten in Buchenwald, Sachsenhausen en Dachau, bij wijze van laatste pressiemiddel om de joden tot emigratie te dwingen. Daarbij worden overigens al vreselijke middelen gebruikt. Dan komt de oorlog, 1 september 1939, de inval in Polen. Maar ook dan begint Hitler nog niet aan de jodenmoord. Daarmee wordt gewacht tot de inval in Rusland, midden 1941.
Nu komt de intentionalist met een groot probleem te zitten. Waarom wacht Hitler zo lang? Goldhagen weet dat ook niet en daarom gaat hij in zijn boek naarstig op zoek naar rationalisaties, die verklaringen opleveren in de trant van: 'aan het begin van de oorlog vreest Hitler dat de Sovjet Unie Duitsland zal verpletteren indien zij weet krijgt van de jodenmoord'. Een merkwaardige redenering als je weet dat de Sovjet Unie door de tijden heen niet bepaald vermaard is om haar filo-semitisme. Al met al construeert Goldhagen een verklaring die er geen is. Wat verklaard moet worden is hoe het van discriminatie tot uitroeiing van de joden is kunnen komen.
,,Ik ben nu langs de weg van het intentionalisme bij Goldhagen terecht gekomen, maar misschien is het goed Goldhagen en zijn onderzoek eerst in een kader te zetten. Goldhagen is een Amerikaans-joods onderzoeker, politicoloog, sociologisch geschoold en een veelgeroemd pupil van de Harvard University. Zijn vorig jaar in Amerika gepubliceerde dissertatie Hitler's Willing Excecutioners werd in sneltreinvaart in het Nederlands vertaald. Met de nodige fouten overigens: 'torturers' zag ik ergens als 'martelaars' vertaald en op enige plaatsen werden 'daders' en 'slachtoffers' door elkaar gehaald, wat die passages volstrekt onbegrijpelijk maakt. En dit allemaal omdat het boek als mediagebeurtenis snel de markt op moest.
,,Goldhagen's stelling in het boek komt neer op zijn ondertitel, die in de Nederlandse versie merkwaardigerwijs is weggelaten: 'Gewone Duitsers'. Hier is geen sprake van zomaar een nadere aanduiding, doch van een correctief op de titel van het geruchtmakende boek van Christopher Browning, Ordinary Men. In dat boek toont Browning aan dat een gewoon politiebataljon, dus geen boosaardige SS-ers, maar brave huisvaders, tot de wreedste moorden op joden en anderen in staat bleken. Goldhagen corrigeert eigenlijk deze titel door te zeggen: 'Nee, geen gewone mensen, gewone Duitsers'.
Zijn subtitel luidt dus een stelling in, die erop neerkomt dat er een bijzonder soort anti-semitisme heeft bestaan, namelijk een Duits anti-semitisme, of liever een Germaans anti-semitisme, want het bestond al voordat de Duitse staat gevestigd werd. Dat Duitse anti-semitisme zou bovendien een eliminatie-antisemitisme zijn, waarin de uitroeiing al lag besloten. Voor de Duitsers waren de joden een probleem waarvan ze verlost wilden zijn, meent Goldhagen.
Merkwaardig is dan natuurlijk dat hij zich beperkt tot het anti-semitisme in Duitsland en niet ziet dat zich in Frankrijk met de Dreyfus-affaire aan het eind van de 19e eeuw en in Polen met de pogroms gedurende de 19e en 20e eeuw al grootschalige en ernstige gevallen van anti-semitisme hadden voorgedaan. Daarover zegt hij dan met een van zijn merkwaardige, intelligente, bijna onweerlegbare cirkelredeneringen: 'We moeten ons niet laten afleiden door het anti-semitisme in andere landen, want als we ons met de holocaust bezig houden, hebben we te maken met het anti-semitisme van Duitsers'.
Nu is het natuurlijk zo dat je alleen maar kunt zeggen dat dit een specifiek soort anti-semitisme is, als je het vergelijkt met het anti-semitisme in andere landen op hetzelfde moment. Je kunt de specificiteit van het fenomeen niet afleiden uit het resultaat van het fenomeen. Want bij dat Duitse anti-semitisme is een dictatuur gekomen en dat was in die andere gevallen niet zo. En daarbij voegt zich een derde verklarende bron, die van de moderniteit, waarvoor ik mag verwijzen naar het schitterende boek van Zygmunt Bauman, Modernity and the holocaust.''
Ik heb begrepen dat Goldhagen ook nogal slordig omspringt met zijn bronnen?
Van den Berghe: ,,Ik geef Goldhagen zoveel mogelijk het voordeel van de twijfel, maar ik denk dat er iets met zijn methode mis is. Ik vermoed dat hij al een aantal jaren, mede beïnvloed door persoonlijke achtergronden, die hij in zijn boek ook beschrijft, met een bepaalde bril op naar de bronnen heeft gekeken, daaruit naar behoefte heeft gekozen en bepaalde passages met veronachtzaming van de context op fiches heeft overgezet. Dat gebeurt overigens heel vaak in de wetenschappelijke praktijk. Ik moet mezelf er ook te vaak op betrappen.
,,Een goed voorbeeld van Goldhagen's gerommel met bronnen is zijn beroep op Bernt Engelman's boek In Hitler's Germany: Everyday Life in the Third Reich. Eerst moet ik vertellen dat Engelman de nazi-periode als adolescent, sociaal-democratisch geïnspireerd en deel uitmakend van de socialistische jeugdbeweging der Rode Valken, heeft meegemaakt en dat hij als lid van een familie, die zich binnen de mate van het mogelijke heeft ingespannen om joden te helpen (een houding die Goldhagen zo goed als uitsluit!) door de nazi's in Dachau gevangen is gezet. Goldhagen verwijst op een bepaald moment naar een passage in genoemd boek, waarin de tante van Engelman op de ochtend na de kristalnacht verzucht: 'Wij Duitsers zullen zwaar moeten boeten voor wat de joden de afgelopen nacht is aangedaan. Onze kerken, onze huizen en onze winkels zullen vernietigd worden, daar kun je op rekenen'. Volgens Goldhagen bedoelt de tante hiermee dat de joden zich zullen wreken zodra zij zich de wereldmacht hebben toegeëigend.
,,Welnu, ik heb het boek van Engelman in mijn bezit, ik had het al eerder gelezen en herinnerde mij de strekking van de passage heel anders. Het boek was trouwens in zijn geheel een getuigenis over de wreedheid van de nazi-misdaden en de hoge waardigheid van de mensen die joden hebben geholpen. Ik heb de passage erop nageslagen en werd bevestigd in mijn vermoeden dat Engelman's tante de vrees uitsprak dat de mensheid in een later oordeel Duitsland voor zijn terreur zal straffen.''
Complex van factoren
De beweerde uniciteit abstraheert de judeocide van andere genocides en onttrekt haar aan vergelijking. Van den Berghe pleit in zijn boeken voor onderzoek naar de complexen waarbinnen genocides zich hebben voorgedaan of voordoen en vervolgens naar overeenkomsten, gelijkenissen en grote lijnen. Daarnaast acht hij identificatie met de daders een noodzakelijke voorwaarde voor begrip. Het politieke en morele effect van deze stellingname is dat herkenning van het complex en inzicht in de psychologie van de dader ingrijpen mogelijk maakt.
Van den Berghe: ,,Je moet weten hoe de ontstaansgeschiedenis of de escalatie van de genocide plaatsvindt om tijdig in te kunnen grijpen. Je schiet er dus niets mee op de genocide te wijten aan de aard van een bepaald volk. Dus als wetenschap een functie heeft, als je door kennis van zaken de toekomst kunt verbeteren, moet je proberen te begrijpen hoe zo'n evolutie in zijn werk gaat.''
Geldt dat in gelijke mate voor hedendaagse nationalistische groepen, die discriminerend te werk gaan, zoals in België het Vlaams Blok? Ook in dit verband kom je intentionalistische verklaringen tegen en ook in dit geval worden de 'daders' gedemoniseerd. Als je het verschijnsel op die manier benadert, ben je dan niet heel gauw klaar?
,,Ja natuurlijk. Maar dat is des mensen. Ik denk dat iedereen het kwaad of de oorzaak van het kwaad wil wegprojecteren op de ander. En als die ander zich als zeer verschillend van jou aandient, als migrant, als kleurling, als zwarte, dan zijn wij, witten, graag bereid die bron van het kwaad daar te zien. Maar als je de ontwikkeling van het Vlaams Blok als historicus of socioloog gaat bekijken, is het je taak te onderzoeken welke de sociaal-economische en politieke oorzaken zijn van de aanwas en de verkiezingssuccessen van deze beweging. Houden die wel verband met de ideeën van het Vlaams Blok of veeleer met de onvrede van bepaalde bevolkingsgroepen over de sociaal-economische toestanden, waarin ze verkeren? Hebben ze wel te maken met een reëel bezwaar tegen een inmiddels niet meer stijgend aantal allochtonen, of veeleer met een politiek van de regering die gericht is op het weren van asielzoekers, op het ringeloren van migranten, op het ontzeggen van stemrecht en nationaliteit aan migranten, waardoor een legitimatie van boven, van de regering zelf, ontstaat?
,,Want helaas, je moet met ontsteltenis constateren dat extreem rechts en een deel van de Belgische socialistisch-katholieke regering dezelfde xenofobe, etnocentrische betogen houden. Dus qua inhoud stemmen die overeen, zij het dat die van het Vlaams Blok veel radicaler zijn. En wat je in Nederland ziet, maar zeker ook in België, is dat de liberalen op de wagen van het Vlaams Blok springen, omdat daar stemmenwinst mee gemoeid is.''
Banaliteit van het kwaad
Het eerste deel van De Zot van Rekem bestaat uit een getuigenis van de a-sociaal Louis Nauwelaers, die, ontsnapt aan het Abnormalengesticht van Rekem, van het ene naar het andere Duitse concentratiekamp wordt gevoerd. Terug in België doet een wreed lot hem opnieuw in het Rekems gesticht belanden, waar hij zijn herinneringen op schrift stelt.
In deel 2 van dit boek gaat Van den Berghe op zoek naar het psychologisch grondpatroon van het complex dat leidt tot uitstoting of uitroeiing van volksgroepen. Zijn hypothese luidt dat de mens ertoe neigt het kwaad tot een ding te maken of te personifiëren tot een demon. De kloof tussen de 'Goeden', "met God aan hun zijde", en de 'Slechten' wordt groter en groter, tot hij onoverbrugbaar is en de een zich niet meer met de ander aan de overzijde kan identificeren. Die afstand kan mensen in de waan brengen dat ze over die anderen mogen beschikken.
Dat dachten de nazi's in elk geval, toen zij eliminatieprogramma's opstelden voor zieken, gehandicapten, asocialen, homosexuelen, Jehova's Getuigen, zigeuners en joden. Ze voelden zich gesteund door de wetenschap van hun dagen, een sociaal geïnterpreteerde evolutietheorie, die de basis vormde voor de eugenetica, het sociaal-Darwinisme en de rassenleer.
Ze achtten zich ook vooruitstrevend en in staat het sociale probleem van hun tijd op te lossen. Cultuurbarbaren waren de Duitse machthebbers in de jaren '30 zeker niet. Juist hun vermogen tot regelen, disciplineren en ideologiseren stelde hen in staat de volkenmoord op de Joden te begaan.
Van de Berghe: ,,In het essay Gott mit uns ben ik in kort bestek gaan schetsen hoe het van de droom tot een nachtmerrie werd... de eugenetische droom om een perfecte menselijke soort te maken, een wereld zonder kwalen, zonder kwaad, dit zeer hoog en zeer menselijk, modern ideaal heeft geleid tot de uitroeiing van onder meer joden en zigeuners. En als je er zo naar kijkt, zie je hoe dit zich telkens in de geschiedenis herhaalt.''
En telkens plaatsen de niets en niemand ontziende idealisten God aan hun zijde. Ze zijn dienaren van God in de strijd tegen wat kwaad wordt genoemd, wat ze vrezen.
,,Ik was laatst in Nederland en ontdekte voor het eerst dat op de rand van de gulden 'God zij met ons' staat. Dat treft mij, in zijn algemeenheid, die accaparatie van God door een bepaalde natie, door een bepaald volk, men plaatst God aan zijn zijde. Wat ik als historicus telkenmale terugzie is de projectie van het kwaad in de ander. Ook in ons stereotype denken over nazi's is dat het geval, alle kwaad ligt bij de nazi's en de holocaust is uniek en onvergelijkbaar vanwege de demonische aard van nazi-Duitsland. Leg die visie nu eens vergelijkend naast de nazi-ideologie ten aanzien van joden. Dan moet je constateren dat beide psychisch-sociale redeneringen compleet vergelijkbaar zijn. En daar schrik je van, omdat je beseft dat wij in ons verweer tegen de nazi's hun redeneringen tegen de joden herhalen. En datzelfde gebeurt met betrekking tot de Vlaams Blokkers en de holocaust-ontkenners.
,,In wetenschapskringen en ook in mijn vriendenkring gebeurt het vaak dat mensen tegen mij zeggen: 'Maar Gie, hoe is dat nu mogelijk dat Faurisson en andere holocaust-ontkenners er oprecht van overtuigd zijn dat er geen gaskamers zijn geweest?'. Maar als je al tot in de intenties van mensen je afkeuring van hun stelling gaat projecteren en de integriteit van je tegenstander verwerpt, dan is het een illusie te denken dat je het object van je onderzoek tot zijn recht zult laten komen. Ik wil van Faurisson denken dat de man tenminste in het begin te goeder trouw was en dat blijf ik ook van Goldhagen denken, ook al betrap ik hem om de haverklap op gesjoemel.''
Als mensen datgene wat zij beschouwen als de bron van het kwaad demoniseren, dan ontkennen ze ook de banaliteit, de alledaagsheid van het kwaad.
,,Ik kan hiervan geen duidelijker bevestiging vinden dan in het werk van Arnoni, een Nederlands-joodse (ik voeg dat eraan toe omdat het van belang is) overlevende van Auschwitz. Arnoni, inmiddels overleden, zei daar zelf over dat hij 'aan de Universiteit van Auschwitz had gestudeerd'. In een van zijn beste, maar ook moeilijkste boeken In plaats van ideologie hamert hij erop dat je iedere dag opnieuw de Eichmann in jezelf onder ogen moet durven zien. Deze boodschap vinden we ook terug bij Primo Levi. Het zijn toch wel hele uitzonderlijke mensen, die Auschwitz overleefd hebben en desondanks zeggen: 'je moet de mogelijkheid van de SS-er in jezelf onder ogen durven zien'.
,,Een bewijs van hun stelling is inmiddels ook geleverd door talloze proefnemingen in de psychologie. Ik denk hierbij aan de experimenten van Milgram, die lieten zien dat mensen 'ter wille van de wetenschap' bereid zijn hun medemens stroomstoten toe te dienen tot 450 volt, zelfs nadat hun is verteld dat het leven van de proefpersonen daardoor in gevaar kan komen. En dan moet ik ook de experimenten van Zimbardo noemen. Deze Amerikaan organiseerde een rollenspel met een groep bewakers en een groep gevangenen. Het spel zou een week moeten duren, maar na 2 à 3 dagen moest Zimbardo de test afbreken vanwege het sadisme van de bewakers ten opzichte van de volstrekt willekeurig gekozen gevangenen. Waarmee aangetoond wil zijn dat het kwaad in de mensen zit. Het is de achterkant van het goede. Het andere aspect van de vrijheid.''
Mooi aan het verhaal van Nauwelaerts is dat hij zich door het leven in de kampen heen sleurt, doordat hij een bepaalde hardheid en een zeker organisatievermogen van de daders, zijn onderdrukkers, overneemt. Het is bijna een metafoor van de stelling dat identificatie met de daders vereist is om het fenomeen van de kampen te kunnen begrijpen.
,,Dat moet in ieder geval. Bij het onderzoek naar genocides ligt de nadruk al te gauw op de slachtoffers. Dat is zeer menselijk. Weinigen leven zich in de dader in, want die vertegenwoordigt het kwaad. Maar dat biedt ons wel een verkeerde kijk op het gebeuren. Je moet er achter zien te komen hoe de dader tot dingen kan komen die jij, die zich met het slachtoffer identificeert, niet kan begrijpen. We kunnen veel lering trekken uit het schitterende boek van Raul Hilberg, The destruction of the European jews. Daarin toont hij aan dat je het bureaucratisch proces stapje voor stapje moet volgen om te ontdekken hoe de daders zover zijn kunnen komen, ... hoe uit de ene maatregel, de joden mogen het park niet betreden of het café niet in, bij ontbreken van enig protest de volgende maatregel al in de maak is en de daarop volgende maatregelen als vanzelf volgen. Dat moet je analyseren. Je moet het proces, dat voortgaat en zich versterkt doordat bijna iedereen de andere kant opkijkt, zo gedetailleerd mogelijk beschrijven. En ik zou hierbij de klacht willen deponeren dat men het door de media gecreëerde boek van Goldhagen in een ijltempo heeft vertaald, terwijl er van Hilberg's boek, dat in 1961 verscheen, nog steeds geen Nederlandse vertaling bestaat!''
Cor Gout
Bronnen
* Eigen interview voor IKON-programma DAW/Het Bestaan
* Gie van den Berghe, De uitbuiting van de holocaust, Antwerpen 1990 (Houtekiet)
* Gie van den Berghe, De zot van Rekem, Antwerpen 1995 (Houtekiet/Hadewijch)
* Luk De Vos red., 46ste Arkprijs van het Vrije Woord voor Gie van den Berghe, Antwerpen 1996 (Stichting Arkcomité van het Vrije Woord vzw)
* Daniël Jonah Goldhagen, Hitler's gewillige beulen, Antwerpen/Houten 1996 (Standaard/Van Reemst)