UIT: Ravage #223 van 29 november 1996
International Documentary Filmfestival Amsterdam 1996
Gedurende het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA), dat deze week van start is gegaan, strijden 25 geselecteerde documentaires in competitie-verband om de Joris-Ivens Award. Ze zijn zo verschillend van vorm en inhoud dat het vergelijken een onbegonnen zaak is. Hoe valt een documentaire over de Amsterdamse kraakbeweging te vergelijken met een stil portret van het leven van drie bejaarde vrouwen in een Litouws dorpje? Niet dus. Vandaar dat we er een paar uitpikken om te beschrijven en waar nodig op hun plaats te zetten.
Lyrisch portret over kunstproject
Anderhalf jaar geleden liet het kunstenaarsechtpaar Christo en Jeanne-Claude de Rijksdag inpakken. Over dit opzienbarende kunstproject en vooral over de lange weg naar de verwezenlijking ervan, gaat Dem deutschen Volke, een van de meest toegankelijke en qua vorm klassieke documentaires.
Dem deutschen Volke ('Aan het Duitse volk') begint met een toespraak van Thomas Mann voor de BBC-radio in 1941. Terwijl de gevluchte schrijver het Duitse volk vraagt zich te verzetten tegen de Nazi-barbarij, vult de met zilverkleurig wit ingepakte Rijksdag het beeld. Het volgende shot gaat - visueel gezien - dertien jaar terug in de tijd en toont de twee kunstenaars, wandelend door de sneeuw dat het gras bedekt voor het gebouw waar het Duitse parlement over een paar jaar weer zal vergaderen. Ze spreken over de architectonische details, die zullen wegvallen als het gebouw verandert in een sneeuwpaleis. Dat was toen nog hoogst onzeker, ook al gezien de Koude Oorlog, die ten tijde van de Sovjet-inval in Polen en het aantreden van Ronald Reagan kouder was dan ooit.
De gebroeders Hissen tonen het gelobby, het gesmeek, het geleur en het enthousiast maken van mensen waarmee Christo en Jeanne-Claude vanaf 1972 begonnen waren. Door politiek en kunst te laten samenkomen op een plek die tegen wil en dank symbool staat voor de korte Duitse geschiedenis, moest een dialoog ontstaan tussen beide werelden. Kunst als communicatie, merkt Christo in de film ergens op. Willy Brandt, oud-burgemeester van Berlijn, juichte het toe, hetgeen niet van iedereen kon worden gezegd.
De verfilming van het debat dat twee jaar terug in het Duitse parlement werd gevoerd is het interessantste deel van de ruim anderhalf uur durende documentaire. De parlementsleden mochten zonder ruggespraak stemmen, waardoor de voors en tegens dwars door de partijen heenliepen, al bevonden de meeste tegenstanders zich ter rechterzijde. Omdat Christo het project zelf financierde, het tijdelijk werkgelegenheid schiep en de enorme hoeveelheid stof zou worden hergebruikt, namen de tegenstanders hun toevlucht tot emotionele en principiële argumenten. De nationale trots, het heilige symbool van de natie was in gevaar.
Dit roept de vraag op hoeveel Duitsers er nu werkelijk trots zijn op een gebouw dat sinds haar opening in 1894 weinig verheugende feiten heeft ondergaan. Een ander argument was dat 'de mensen' het niet zouden begrijpen. Uiteindelijk stemde een meerderheid voor, sommigen uit gelatenheid, de meesten vol enthousiasme.
Voor Christo was het weer eens wat anders dan het inpakken van Pont-Neuf, zoals hij al eerder had gedaan (saillant detail: de documentaire 'Christo in Paris' won de Ivens Award in 1990). Hij vertelde het in eerste instantie voor zichzelf te doen, maar het is nuttig te weten dat het persoonlijke bij hem meer dan bij vele anderen politiek is. In 1957 ontvluchtte hij Bulgarije, maar de Koude Oorlog bleef een belangrijke rol in zijn leven spelen.
Vandaar zijn belangstelling voor het gebouw dat geografisch gezien nagenoeg op de grens staat tussen Oost en West. Het inpakken van de Rijksdag is op meerdere manieren te interpreteren. Een gebouw dat door het amper te gebruiken onder het stof zit? Een bevroren monument, een ijsklomp? Of een gebouw dat juist in beweging is, want de lakens dansten in de wind? Een nieuw begin voor Duitsland, een schoon blad? Iedereen mocht het zelf uitzoeken.
Sceptische parlementsleden waren bang dat Christo's kunstwerk polariserend zou werken. Tijdens de twee zonnige juni-weken waarin het gebouw onzichtbaar was, bleek het tegengestelde waar te zijn. De Rijksdag werd het middelpunt van een volksfeest, met lange, zwoele avonden waarop vrolijke mensen muziek maakten en lol hadden. Brandt had dit wellicht voor ogen toen hij voorspelde dat de Rijksdag er dan eindelijk uit zou zien op een manier dat alle Duitsers zich erin konden weerspiegelen.
De beelden van de ingepakte Rijksdag, die door de documentaire-makers werkelijk vanuit alle hoeken worden getoond, zijn buitengewoon lyrisch, zoals over (de skyline) Berlijn in een ver verleden (en minder ver voor wie Wim Wenders' In weiter ferne so nah heeft gezien), meer films zijn gemaakt. De documentairemakers hebben hun kans benut. (Patrick v. IJzendoorn)
Het maken van morele keuzes
Dezer dagen richten documentairemakers zich steeds meer op het persoonlijke. Ook hier zitten de 'grote verhalen' in een crisis. Een voorbeeld hiervan is de Finse productie Sin - A daily documentary on daily offences van Susanna Helke en Virp Suutari.
De sfeer die de film uitademt is als het Finse klimaat met haar vele regenbuien, lage temperaturen en gure wind. De muziek, die in de verte lijkt op iets als Signs of Life van Pink Floyd, maar dan wat wranger, maakt het er niet vrolijker op. Afgewisseld door beelden van het beboste landschappen, onder water staande huizen en desolate vlakten vertellen 'gewone mensen' achtereenvolgens over de zeven doodzonden (voor wie in de bijbel gelooft): hoogmoed, gramschap, jaloezie, wellust, gierigheid, luiheid en vraatzucht. De meeste biechten hun zonden onwennig en emotieloos op voor de camera, terwijl degenen over wie ze het hebben - collega's van het werk, vrienden/vriendinnen of familie - even emotieloos en statisch luisteren.
Soms staat de reactie van iemand boven in beeld geprojecteerd. De stiltes die vallen zijn ongemakkelijk en zeggen soms meer dan woorden. Het gaat doorgaans over alledaagse handelingen, zoals de vrouw die haar man verwijt dat hij niet goed afwast, waarna de man meldt dat hij het prettig vindt dat ze soms dagenlang geen woord wisselen. Op deze manier laten de makers zeer sec zien hoe en waarom mensen bepaalde morele keuzes maken.
Af en toe doen de beelden surrealistisch aan, bijvoorbeeld als mensen, alleen of met z'n tweeën, stil staan in een bos. Het gebrek aan warmte - letterlijk en figuurlijk - zorgen voor een zekere kilte en weinig optimisme. Kortom, typerend voor de tijd waarin we leven. (PvIJ)
They built a house
Naast Scandinavische zijn ook Russische documentaires doorgaans goed vertegenwoordigd op de IDFA. Dit jaar echter dingt slechts één productie uit Mother Russia mee naar de Joris Ivens Award, maar meteen wel als favoriet.
Het ironische Today We Are Going to Build a House speelt zich af op een bouwplaats waar een huis moet verrijzen. De zwart-wit film opent met beelden van het modderige terrein waarop een magere hond scharrelt tussen de her en der verspreide bouwmaterialen. Nadat de regen eindelijk is opgehouden gaan de bouwvakkers verder met werken. Dat gebeurt met een communistisch arbeidsethos. Niemand lijkt zich echt in te spannen en tijdens de pauzes drinkt men wodka. Het mag een klein wonder heten dat het gebouw ooit af is gekomen.
Maar juist dat ontspannen element is zo boeiend, als tegenhanger van het rusteloze gewerk dat we in het Westen om ons heen mogen aanschouwen. Door het oog voor het alledaagse - weer!! -, het ontbreken van tekst en de compositie van de beelden krijgt de film een poëtisch-realistisch karakter waar het trots op mag zijn. De Estonische volksmuziek zorgt er bovendien voor dat de troosteloosheid naar de achtergrond verdwijnt. (PvIJ)
Denkend aan de dood
Zou het eigenlijk wel mogelijk zijn om zorgeloze of voor mijn part Paul de Leeuw-achtige films te maken in de Voormalige Sovjetunie? Gebeurt er nu echt niets opbeurends?
Reminiscence lijkt op het eerste gezicht de verfilming van Momento Mori. Drie oude vrouwen leven in een Litouws dorpje waar voor de val van het realistisch-bestaande socialisme zeker dertig mensen woonden. Ze denken dagelijks aan de dood. Soms handelen ze er ook naar. Zij wilden of konden niet naar de stad om wanhopig te zoeken naar betere leefomstandigheden.
In de film laat regisseuse Diana Matuzeviciai zien dat die zoektocht bar is tegengevallen. De meeste 'vluchtelingen' wonen in vervallen flatgebouwen, 'Death With Walls' zoals je ze zou kunnen noemen. Daarentegen leven de verlaten vrouwen zoveel mogelijk in harmonie met de natuur, zodat de vraag gesteld kan worden wie er eigenlijk beter af is. De film verraadt dat de liefde voor het melancholische plattelandsleven in Mother Russia en omstreken nog altijd aanwezig is. Deze stille en in bruintinten geschoten film is derhalve minder somber dan aanvankelijk het geval lijkt. (PvIJ)
Liefde belangrijker dan welvaart
Triest is het beeld dat de jonge Amerikaanse filmer Steven Bognar schetst van zijn Hongaarse vader Bela in het persoonlijke document Personal Belongings.
In 1956 vocht Bela Bongar als een van de duizenden jonge Hongaren tegen de Sovjet-invasie. De hoop die gloorde na het aantreden van Nikolai Chroestjov werd met geweld teniet gedaan en Bela ontvluchtte zijn land om in de Verenigde Staten (Ohio) een nieuw bestaan op te bouwen, een leven als middle class American met alle materiële welvaart die daar bij hoort.
Dertig jaar later bezoekt hij zijn familie die in een Hongaars plattelandsdorpje is achtergebleven. Daar merkt hij wat hij al langer voelde aankomen, namelijk dat hij indertijd de verkeerde beslissing heeft genomen. Moraal: hoe (fysiek) zwaar de omstandigheden ook zijn, samenzijn met vrienden en familie is belangrijker dan welvaart in een land waar mensen hun persoonlijkheid meer dan waar ook verliezen.
De manier waarop deze documentairefilm is gemaakt doet denken aan Robert-Jan Westdijk's Zusje. Een beetje video-8-achtig -waar Bognar veel mee speelt - met een bij vlagen humorrijke voice-over van de maker zelf. In Personal Belongings zijn daar historische beelden aan toegevoegd, terwijl de krantenkoppen het verhaal vertellen. Pas aan het einde wordt de tragische situatie duidelijk waar Bela in verkeerd, zeker na de val van De Muur, die zorgt voor een vacuüm (en ellende) in zijn leven. (PvIJ)
Krampachtig portret van kanslozen
God kolere. Voor de zoveelste maal komt er een aanstootgevende smerige sigaret in beeld. Er gaat geen scène voorbij, of er wordt wel gerookt. Zou Marlboro de film soms sponsoren?
Een raar begin van een filmrecensie beste lezers, ik weet het. Als iets boeit, dan neem je veel voor lief. Daarentegen was de dik negentig minuten lange zit voor de Zweedse 'documentaire' Vredens Barn (woedende kinderen) niet te doen. Ik schrijf het woord documentaire tussen aanhalingstekens, omdat het hier in feite om een speelfilm gaat met B-acteurs en hoort in mijn ogen dan ook niet thuis op een documentaire-festival en al helemaal niet genomineerd te worden voor de Jores Ivens Award. Maar dit terzijde.
Zoals in alle Westeuropese landen staat de verzorgingsstaat in Zweden zwaar onder druk. In de film Vredes Barn trekt een zojuist uit de gevangenis ontslagen Chileense jongen in opdracht van een tv-station met een videocamera door Zweden. Waar hij z'n voetstappen ook zet, komt hij jongeren tegen die nauwelijks nog perspectief zien in hun leven. Zo ontmoet hij in Stockholm de jeugdige dochter van een aan heroïne verslaafde vrouw. Beiden leven in een isolement, waarbij de dochter de verantwoordelijkheid voor haar moeder op zich lijkt te hebben genomen. Leegheid is troef in hun armetierige bestaan.
De samensteller van de film, Mikael Wiström, maakt echter op geen enkele wijze duidelijk hoe moeder en dochter in hun ogenschijnlijk uitzichtloze situatie terecht zijn gekomen. Het gaat slecht met Zweden, is de boodschap. Om het allemaal nog een beetje aan te dikken, onderhoudt dochtertjelief een soort van liedesrelatie met een naziskin. Deze laatste komt uiteindelijk in de cel terecht.
Naast dit clichématige portret filmt de Chileen de verwoede pogingen van een Uruguaanse vrouw, die via ettelijke telefoontjes met gemeentelijke instanties haar reis probeert te bekostigen terug naar haar vaderland. U raadt het al, ze heeft geen ene malle rotcent. Haar kinderen verzamelen om die reden dan ook lege flesjes in de straten van een winkelcentrum. Aan het einde van de troosteloze film geeft de vrouw haar bedeltelefoontjes maar op, en besluit haar meubels te verkopen. Kijk er niet raar van op als ze haar huisraad aan de straatstenen niet kwijt kan. Tot slot gaat ze maar op zoek naar werk, om zodoende de overtocht te kunnen bekostigen. Maar werk is er voor haar niet.
Mikael Wiström is er in geslaagd een van de meest nietszeggende films te maken die ik ooit heb gezien. De aangeroerde maatschappelijke thema's, een moeizame integratie en een afbrokkeling van de Zweedse verzorgingsstaat, zijn te belangwekkend om op een dergelijke fantasieloze wijze vorm gegeven te worden. De film schept een wezenloos beeld van mensen die niet de moeite nemen iets zinnigs te zeggen, of ook maar geprikkeld worden in die richting. Een film zonder ziel, zonder kop en zonder staart. (AvV)