Naar archief

UIT: Ravage #219 van 4 oktober 1996  

VVDM opgeheven, missie geslaagd? 

Met het opschorten van de dienstplicht komt er ook een einde aan het bestaan van de Vereniging Van Dienstplichtige Militairen (VVDM). Op 14 september jl hield zij haar opheffingscongres. De VVDM heeft het een ander bereikt: afschaffen groetplicht, vrije haardracht, verbetering van de arbeidsvoorwaarden... Maar haar oorspronkelijke doelstelling, de 'vermaatschappelijking van het leger', is niet binnengehaald.  

Het begrip 'vermaatschappelijking van de krijgsmacht' stond lange tijd centraal in de VVDM. In haar actieprogramma uit 1982 stelt zij dat dienstplichtigen "ontwikkelingen die zich in de burgermaatschappij afspelen, in het leger inbrengen".  

Die doelstelling had alles te maken met de radicalisering van jongeren eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Destijds moest nog één op de drie jongens onder de wapens. Daardoor was de anti-autoritaire trend ook terug te vinden in het militaire apparaat, een pilaar van het establishment, waar de jongerenrevolte zich juist tegen keerde. Technologische ontwikkelingen hadden het leger veranderd van een organisatie van 'bewapende mannen' naar een organisatie van 'bemande wapens'. Van 'absoluut heerser' naar 'coördinator'. Het ideologisch klimaat in het leger bleef echter onveranderd conservatief. Tegen deze achtergrond zag de VVDM in 1966 het daglicht.  

De discussie over een keuze voor een vrijwilligers of een beroepsleger, kwam in Nederland op gang toen halverwege de jaren zeventig de commissie Mommersteeg werd ingesteld. Deze moest zich buigen over de wenselijkheid van een vrijwilligersleger. Dit was voor de VVDM aanleiding om haar standpunt over de vermaatschappelijking van het leger in te nemen.  

Vrijwilligersleger 

In haar actieprogramma uit 1982 stelt de VVDM: 'Dat op dit moment de dienstplicht onrechtvaardig geregeld is, ligt aan de manier waarop dat gebeurd, niet aan het principe... Het optreden van de VVDM de afgelopen jaren heeft bewezen dat juist dienstplichtigen op een zeer concrete wijze ontwikkelingen, die zich in de burgermaatschappij afspelen, in het leger inbrengen... Op het moment, dat er een vrijwilligersleger zou komen, zal juist deze invloed vanuit de maatschappij op het leger gaan verdwijnen. De vrijwilligers zijn veel afhankelijker van de leiding en zullen niet zo gauw hun mond open doen.' 

'Daarmee zouden een aantal gunstige ontwikkelingen, die zich de laatste jaren in het leger hebben voorgedaan, worden teruggedraaid. Door het grote isolement van de vrijwilligers ten opzichte van de burgermaatschappij en hun grotere afhankelijkheid van het militaire apparaat is het gevaar groot, dat zij zich gemakkelijker in laten zetten tegen stakingen of buitenparlementaire acties in Nederland. Wij eisen: een rechtvaardiger dienstplichtbeleid; vrije opkomstkeuze tussen 18 en 27 jaar; kortere diensttijd (12 maanden); geen stap in de richting van een vrijwilligersleger.' 

Afgezien van wat details lijkt me dit standpunt nog steeds juist. Maar omdat op basis van de krachtsverhoudingen de dienstplicht steeds oneerlijker uitwerkte en ook in de burgermaatschappij allerlei progressieve organisaties zich steeds minder druk maakten over de dreigende introductie van een geheel uit vrijwilligers bestaand leger, kon de VVDM bijna niet anders dan opkomen voor de meest directe belangen van de dienstplichtigen - daarvoor was ze nota bene opgericht. De mogelijkheid van een sterk verkorte dienstplichtperiode was niet interessant voor de legerleiding en ook maatschappelijk gezien lukte het niet om daar veel mensen warm voor te krijgen, ook binnen de VVDM niet. De VVDM kon bijna niets anders dan pleiten voor opheffing van de dienstplicht. Dat is nu gebeurd. De eerste echte soldatenvakbond in de wereld heeft zichzelf overbodig gemaakt. 

Dat is overigens niet alleen het werk van de VVDM. Het verkleinen van de legers en het opschorten van de dienstplicht is een trend. In België is het al gebeurd, Frankrijk en Spanje zullen waarschijnlijk volgen en ook in Duitsland is de discussie geopend. Deze ontwikkeling kan niet los worden gezien van de val van de communistische regimes. Na het verdwijnen van het spookbeeld van het 'communisme' is de militaire strategie veranderd. Sommige van de landen die vroeger tot het vijandelijke Warschaupact behoorden, staan nu te dringen om NAVO-lid te worden. Tot ontwapening heeft dit niet geleid. Er wordt hard gewerkt aan het stroomlijnen van de legers om in internationaal verband (NAVO Rapid Reaction Force, VN, Eurokorps) sneller en beter te kunnen opereren onder de nieuwe omstandigheden. In Nederland heeft dat onder andere geresulteerd in de vorming van de luchtmobiele brigade.  

De wereld is er ondertussen niet stabieler op geworden. Onlangs nog vond er een oorlog plaats op Europees grondgebied, in voormalig Joegoslavië. Het militair reageren middels snelle interventiemachten vereist een grote mate van flexibiliteit bij het uitzenden van troepen. De dienstplicht vormde daarbij een belemmering. Dienstplichtigen kunnen met een beroep op de grondwet weigeren om buiten Europa uitgezonden te worden.  

Rechten 

Een beroepsleger dus, aangepast aan de huidige internationale situatie. De vraag is wat dat betekent voor de verworven rechten. Rechten waar de VVDM een pioniersrol in vervuld heeft en ook de beroepsmilitairen van geprofiteerd hebben.  

De algemene aanval op de verworven rechten in de burgermaatschappij, flexibilisering, privatisering en bezuinigingen laat natuurlijk ook zijn sporen na in het leger. Autoritaire en conservatieve ideeën krijgen weer meer kans. Onder beroepsmilitairen is er toch al sprake van een gemiddeld meer behoudend opinieklimaat. Wat dat op de langere termijn gaat betekenen is moeilijk te zeggen. Na de val van Sebrenica brak er een discussie uit over de vraag of het Nederlandse leger niet te vermaatschappelijkt is. Het zou niet meer in staat zijn om nog daadwerkelijk in gevechtssituaties op te treden. Het zou aan 'moed' en 'eer' ontbreken.  

Generaal b.d. Loos vindt dat de werktijdenregeling voor militairen is 'doorgeschoten'. Een inmiddels ingetrokken voorstel van het Eerste Legerkorps bevat striktere voorschriften op het gebied van kleding en uiterlijk. In internationaal verband zouden de 'afwijkende Nederlandse normen' stuiten op onbegrip en afkeuring. Dus: geen vrije haardracht meer, geen kettingen en sieraden.

Het blijkt dat de overgang naar een beroepsleger niet probleemloos verloopt. Het nieuwe beroepsleger kampt met relatief meer problemen, zoals onzedelijk gedrag, kleine criminaliteit, drugs- en drankgebruik en (gok-)schulden.  

Ook is het niet uitgesloten dat er in de toekomst sprake zal zijn van een 'oververtegenwoordiging' van allochtonen in het Nederlandse leger. In het Amerikaanse leger, dat sinds de Vietnamoorlog weer geheel uit beroepssoldaten bestaat, is een relatief groot deel van de soldaten zwart. In een maatschappij geteisterd door werkloosheid en racisme, zijn de strijdkrachten voor achter gestelden een mogelijkheid om een baan te vinden en een beroepsopleiding te volgen.  

Resultaat is dat het percentage Afro-Amerikanen in het leger groter is dan in de burgermaatschappij. De Amerikaanse snelle interventiemacht (RDF) bijvoorbeeld, bestaat voor een belangrijk deel uit zwarte soldaten. De RDF is met name bedoeld voor interventies in de Derde Wereld. Volgens verschillende hoge officieren en beleidsambtenaren op Defensie is deze situatie een groot probleem voor de inzetbaarheid van het Amerikaanse leger. Zwarten en latino's zouden zich mogelijkerwijze sneller identificeren met de bevolking in de Derde Wereld. Op dit moment is de defensieleiding dan ook bezig om een aantal onderdelen van de RDF te ontdoen van zwarte soldaten.  

In Nederland kan een soortgelijke ontwikkeling zich voordoen. Veel functies sluiten goed aan op het gemiddeld lagere scholingsniveau van allochtonen. Of dit zonder problemen zal blijven is de vraag. Chan Choenni constateerde in zijn onderzoek Kleur in de Krijgsmacht (Utrecht, 1995) dat 'discriminatie, negatieve bejegening, discriminerende grappen en pesterijen, én ontoereikende beschikbaarheid van cultureel geëigende voorzieningen' tot vroegtijdige uitdiensttreding heeft geleid. De vraag is of dit in een beroepsleger snel zal veranderen. Een gunstig integratieklimaat voor allochtone soldaten vereist dat er rekening gehouden wordt met (culturele) diversiteit (voedsel, religie, etc.). Maar een leger is juist gebaseerd op uniformiteit en als er ergens niet geleerd wordt om elkaars uiteenlopende identiteit, achtergrond, cultuur en karakter te accepteren, dan is het wel in het leger.  

Doorgaans zoekt de legerleiding de oplossing van genoemde problemen in het aanstellen van meer onderofficieren en meer toezicht op militairen buiten werktijd. Kortom, meer disciplinering. De kans bestaat dat ook het recht op (vakbonds-)organisatie onder vuur komt te liggen.  

Militarisering 

Om de kwaliteit van de nieuwe beroepssoldaat te verbeteren experimenteert de landmacht nu al met militair onderwijs op de scholen. Jongeren vanaf zestien jaar kunnen straks in het beroepsonderwijs een speciaal 'groene' opleiding volgen ter voorbereiding van een loopbaan in het leger. Om de aantrekkelijkheid van een militaire job te vergroten heeft Defensie besloten om in zee te gaan met tv-producent John de Mol.  

Dat moet resulteren in een populaire televisieserie voor jongeren over de avonturen van de rode baretten van de 'Charlie Compagnie' in het buitenland. Mocht het risicovolle uitzenden van troepen als gevolg van een tweede 'Sebrenica' politiek gezien minder opportuun zijn, dan kan Defensie altijd nog via de redactieraad ingrijpen.

Het lijkt er dus op dat de 'vermaatschappelijking van de krijgsmacht' waarnaar de VVDM streefde, wordt teruggedraaid. We kunnen eerder spreken van een militarisering van de burgermaatschappij.  

Er is per slot van rekening een beperking aan de concessies die een leger zich kan veroorloven. Legers rekruteren het overgrote deel van hun soldaten uit de lagere klassen. Om er voor te zorgen dat die soldaten bereid zijn om gedood te worden voor de belangen van de rijken, moeten legers wel rigide en autoritair zijn. Conflicten zullen dus onvermijdelijk blijven voortduren. Soldaten, dienstplichtigen of beroeps, zullen de meest subversieve vraag moeten blijven stellen: 'Waarom?'.

Ron Blom

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1996