Naar archief

UIT: Ravage #215/126 van 9 augustus 1996  

Journalistiek onder de loep 

Onlangs verschenen vier boeken over de Nederlandse journalistiek en media. De krant en de kwaliteit van de krant krijgen daarin de meeste aandacht. Journalisten zien zichzelf als een bijzonder soort mensen dat met argusogen de samenleving beziet en feiten, achtergronden en meningen weergeeft. Maar hoe vertekenend is hun beeld van de werkelijkheid? 

Volgens de flaptekst van De keuken van Argus is dit boek bedoeld voor 'lezers, luisteraars en kijkers die wel eens willen weten wat er achter de journalistieke schermen gedacht en gedaan wordt.' Mijns inziens is het vooral boeiend voor (beginnende) vakgenoten. Aan de orde komen onderwerpen als de eerste plaatsing, honoraria en het schrijven van recensies, waarbij aardige tips gegeven worden. Marc Koenen gebruikt zijn verhaal om Panorama - waar hij voor 'freelance-te' - een trap na te geven. Hij verlaagt zich daarmee tot een niveau waar hij Panorama van beschuldigt. 

Margreet Fogteloo is het meest kritisch in haar bijdrage over nieuwsberichten: "Zo worden in achtergrondverhalen soms mensen opgevoerd die niet echt bestaan maar handig zijn voor de smeuïgheid van het verhaal, verschijnen er verkeerde namen onder foto's om op lengte te komen en worden dodenaantallen met een paar nullen meer afgedrukt. Sommige gijzelaars blijven eeuwig zitten omdat een redacteur vergeten is ze te bevrijden." 

Zelfgenoegzaam 

Het gebeurt weinig dat een auteur reageert op recensies van zijn werk. Jammer, mijns inziens is het een belachelijke regel van het literaire wereldje, opgelegd door critici. Ik geniet nogal van een stevige reactie van de aangevallen schrijver; bij De Schepping van de Wereld in het Nieuws kon ik daarom mijn hart ophalen. De schrijver, psycholoog Jaap van Ginneken, zullen sommigen van u nog wel kennen als actief lid van solidariteits- en revolutionaire bewegingen in de jaren zestig, waaronder het Cuba-comité.  

In zijn boek neemt hij alvast een voorschot op de recensies: "Er is zelfs wel gezegd dat weinig beroepsgroepen zó zelfgenoegzaam en lichtgeraakt zijn als juist die van journalisten. Kritische boeken of studies van buiten de beroepsgroep worden vaak unaniem neergesabeld," schrijft hij. Van Ginneken rekent erop dat zijn studie over journalistiek dit lot zal delen: "Dat er in het proces van nieuwsgaring allerlei onbedoelde vertekeningen optreden, komt dus niet doordat journalisten lui of dom zouden zijn (zoals boze critici van dit boek niet na zullen laten te impliceren): het merendeel is bij uitstek energiek en intelligent."  

Het boek tracht de mythe te doorbreken dat media en journalisten objectief kunnen oordelen. Van Ginneken schopt hard tegen dit heilige huisje van de journalistiek aan. In een vaak stellige, vaak polemische stijl wijst hij op vertekeningen van de realiteit in het nieuws. Een voorbeeld: "Journalisten, docenten en researchers pretenderen voortdurend dat zij slechts de feiten en niets dan de feiten brengen. Zij vergeten daarbij voor het gemak dat het woord 'factum' stamt van het Latijnse werkwoord 'facere' of maken. Alle feiten zijn door mensen gemaakt (...) In tegenstelling tot wat vaak gesuggereerd wordt zijn er ook geen feiten die 'voor zichzelf' spreken." 

Van Ginneken constateert dat nieuws per definitie niet de werkelijkheid weergeeft. Dat lijkt een open deur, maar Van Ginneken stelt de situatie als zeer ernstig voor. Veel factoren en aspecten van de werkelijkheid worden systematisch onderbelicht; andere krijgen bovenmatig veel aandacht. Hij noemt dit het burda-model, naar het modeblad Burda, waar steeds één knippatroon gekozen wordt, terwijl de andere worden genegeerd.  

Vooral de berichtgeving over de derde wereld, maar ook over weinig machtige groepen in de eerste en tweede wereld is nogal eenzijdig. Niet alleen krijgen zij minder aandacht, ook wordt over hen op een andere manier bericht: "Palestijnen zijn 'terroristen', terwijl Israëli's 'vergeldingsacties' uitvoeren. Nogmaals: geen bijvoeglijke naamwoorden, alleen zelfstandige naamwoorden en werkwoorden. Maar toch een heleboel waarde-oordelen (dat wil zeggen impliciete legitimering en delegitimering), die zich voordoen als 'feitelijke' beschrijvingen." 

'Wiens brood men eet' 

Hoe komt dat het nieuws zo vertekend wordt? Van Ginneken geeft vele verklaringen, van zeer filosofische tot praktische. De volgende wil ik u niet onthouden. Volgens de auteur gaat de stelling 'wiens brood men eet, diens woord men spreekt' juist bij media op. Media richten zich op het publiek en passen hun boodschap daaraan aan.  

Van Ginneken: "De begrippen 'objectief' en 'subjectief' zijn van betrekkelijk recente datum, zowel in de wetenschap als in het onderwijs en de media. In feite behelzen zij niet meer dan een min of meer pragmatisch onderscheid tussen díe beperkte aspecten van een observatieverslag waarover men meent dat relevante groepen het betrekkelijk gemakkelijk eens kunnen worden en andere aspecten waarvan men meent dat dit niet het geval is. Men kiest ervoor de eerste alvast te consolideren en de laatste nog even apart te zetten voor later debat."  

Volgens Van Ginneken is objectiviteit tevens een economisch instrument. Nieuwsberichten richten zich namelijk op díe aspecten van de waargenomen realiteit waarover alle relevante publieksgroepen het gemakkelijk eens zouden kunnen zijn. 

Van Ginneken prikt verder de mythe van het live verslaan van gebeurtenissen door, schrijft over de onmogelijkheid van neutraal taalgebruik, geeft aan hoe documentaires vaak gemaakt worden (vooral de financiering is daarbij interessant!) en geeft, zoals gezegd, zijn kritische visie op journalisten: "Hoewel journalisten zichzelf vooral als vrij en autonoom zien, werken de meesten binnen hiërarchische organisaties die hun eigen doeleinden hebben."

Loodgieter

Van Ginneken schreef jarenlang voor diverse periodieken als Psychologie, De Groene Amsterdammer en Trouw. Onlangs zei hij: "Ik heb het altijd vreemd gevonden dat journalisten nauwelijks beperkingen aan hun eigen vak zien, terwijl ze die onmiddellijk zien bij loodgieters of hartchirurgen. Ik zet vraagtekens bij ons beeld van de werkelijkheid, van andere culturen. Het boek is eigenlijk een verslag van mijn zoektocht naar het antwoord op de vraag: 'Hoe komt dat de media vertekenen, terwijl er zoveel goedwillende, kritische journalisten zijn?' Ik stoor mij aan de afstand tussen universiteit en publiek debat. Die benadering van nieuws als sociale constructie speelt nauwelijks een rol in het publiek debat en ik hoop met dit boek dat te veranderen. Nu realiseer me dat ik net gestopt was met journalistiek werk, toen ik aan dit boek begon. Misschien had ik anders meer een blad voor de mond genomen. Ik heb me nu nog ingehouden..." 

Een krant met karakter is de inaugurele rede van de vorige hoofdredacteur van de Volkskrant, Harry Lockefeer. In vogelvlucht behandelt hij de geschiedenis van de verzuiling en ontzuiling van de Nederlandse kranten en de gevolgen die dat heeft voor de pluriformiteit - verscheidenheid - van de pers. Links engagement in de jaren zestig en zeventig heeft plaatsgemaakt voor professionalisering en kwaliteit. Lockefeer schermt met het begrip 'kwaliteit', noemt kenmerken daarvan als stijl, nieuwsgierigheid en onafhankelijkheid, maar omschrijft het nauwelijks. Daarnaast geeft Lockefeer tegenwicht aan de vooral in progressieve kringen onuitroeibare opvatting dat fusies tussen kranten en marktgerichtheid per definitie slecht zijn voor de identiteit van de krant. 

Krant en kwaliteit is een degelijke wetenschappelijke studie, waarin zes communicatiewetenschappers ieder verslag doen van een onderzoek naar een vraag die Lockefeer zal interesseren: is de kwaliteit van een krant te meten en zo ja, hoe? Ook proberen ze de vraag te beantwoorden of het journalistieke product de markt bepaalt of andersom. De ondertitel ('Verkenningen rond de onderzoekbaarheid van de journalistiek') geeft al aan dat het bij verkenningen blijft; een eensluidend antwoord zal denk ik een onmogelijkheid blijven.  

Ik vind dit boek soms wat saai en weinig gedurfd, maar dat zal aan de onderzoeksopzet liggen. Het meest interessant zijn de bijdragen van Huub Evers over ethiek in de journalistiek en van James Stappers over journalistiek als onderzoeksobject. Stappers: "(...) journalisten doen, net als artsen en mogelijk nog een paar beroepen, iets waar de buitenstaander zich geen mening over mag aanmatigen." 

De reacties op deze boeken zijn bijzonder interessant. NRC-journalist Tom Rooduijn bijvoorbeeld gaat in zijn recensie voorbij aan Van Ginnekens kritiek op media. Rooduijn zet televisienieuws en sommige kranten in een kwaad daglicht en hemelt zijn eigen krant op. Daarmee geeft hij Van Ginneken onbedoeld gelijk. Deze schrijft: "Door vol te houden dat objectiviteit een relatief eenvoudig te bereiken ideaal is, creëert men in feite een tamelijk uniforme manier van denken en voelen, die haar eigen ideologische lading niet onderkent." 

Renzo Verwer   

Huub Evers e.a./ Krant en kwaliteit : verkenningen rond de onderzoekbaarheid van de journalistiek. - Bohn Stafleu Van Loghum 1996. 162p. ƒ 55,-

Jaap van Ginneken/ De Schepping van de wereld in het nieuws : de 101 vertekeningen die elk 1 procent verschil maken. - Bohn Stafleu Van Loghum, 1996. 191p. ƒ 55,-

Liesbeth Koenen e.a./ De keuken van Argus : achter de schermen van de journalistiek. - Atlas, 1996. 153 p. ƒ 29,90

Harry Lockefeer/ Een krant met karakter : enkele opmerkingen over identiteit en verscheidenheid. - Meulenhoff, 1996. 48p. ƒ 15,-

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1996