Naar archief

UIT: Ravage eXtra editie na inval, 8 mei 1996

Dagboek van een gegijzelde

"...Kijk je wel eerst door het raampje als er wordt aangebeld?", riepen Alex en Guido mij smalend toe voordat ze in het kader van onze promotietournee naar Hilversum vertrokken. "Ach, dat zal zo'n vaart niet lopen, passen jullie maar op dat jullie niet door al die media-types in Hilversum in de kraag worden gevat, dan ben je veel slechter af", riep ik hen nog na.

De hele dag had de telefoon immers al roodgloeiend gestaan van journalisten die meer wilden weten over de 'claimbrief'. Zelf had ik het 'nieuws' die ochtend uit de krant vernomen. Ik wist natuurlijk wel dat er in de laatste editie van Ravage melding werd gemaakt van de claimbrief, maar niet dat enkele overgebleven redactieleden, terwijl ik de nieuwste editie van Ravage naar de post bracht, een persverklaring naar de landelijke pers zonden. Dat leek hun wel een goeie grap.

Nadat Alex en Guido waren vertrokken, bleef ik alleen in het redactielokaal achter. De dagen na verschijnen van het nieuwe nummer gebruik ik altijd om wat praktische klussen te doen, zoals de boekhouding.

Ik was hier nog maar net mee begonnen toen er werd aangebeld. 'Het zal toch niet waar zijn?', flitste het even door m'n hoofd. Een paar seconden later besefte ik dat het waar was. Een agent in uniform en een keurig geklede man die me hun pasjes lieten zien, daarachter nog wat mannetjes, type stille. Hoeveel kon ik op dat moment niet zien. Voordat ik wat kon zeggen werd me een bevel tot huiszoeking onder de neus geduwd. "Of ze binnen mochten komen?" "Heb ik enige keus?", vroeg ik. Dat bleek inderdaad niet zo te zijn.

Op de een of andere manier wist ik m'n zenuwen in bedwang te houden en vroeg, eenmaal in het redactielokaal, of ik het huiszoekingsbevel nog even mocht zien. Ik ging er rustig voor zitten, meer om de tijd te nemen om na te denken over wat te doen, dan om te lezen wat er exact stond.

De heer in pak bleek rechter-commissaris Vegter uit Arnhem. Ik wist zeker wel waar ze voor kwamen? Een sterk vermoeden had ik inderdaad wel, maar liet hem toch zelf de vraag stellen. Of ik hen de persverklaring van het E.L.F. wilde overhandigen. Nou had ik dat ding sinds we hem op 25 april ontvingen niet meer gezien en zei dus maar dat hij volgens mij door een ander redactielid mee was genomen en inmiddels vernietigd. Vegter deelde me mee dat hij dan genoodzaakt was de gehele ruimte te doorzoeken.

Ik kreeg even medelijden met de man, daar het bij ons een gigantische papiertroep is, waar we zelf ook vaak niks in terug kunnen vinden. Mijn medelijden was echter snel over toen bleek dat hij daar maar liefst twaalf man en een vrouw voor had mee genomen. Voor ik het wist hadden ze bezit genomen van de ruimte, waren de taken verdeeld en hadden twee van hen zich al vol overgave op de afvalbak gestort.

Vegter vroeg ondertussen wat mijn naam was en of de abonnee-administratie hier ook aanwezig was? Wat dat met de persverklaring te maken had, begreep ik niet zo goed. Ik was echter te beduusd om hem op dat moment gepast van repliek te dienen. Wel wist ik er nog uit te brengen dat mijn naam er niet toe deed en dat we de abonnee-administratie uit 'veiligheidsoverwegingen' niet in het redactielokaal bewaren. Dat dit meer uit voorzorg voor inbraakpogingen van extreem-rechts bedoeld was, dan voor politie-invallen, liet ik in het midden.

Toen het gespuis zich over de ruimte had verdeeld en driftig aan het fotograferen en speuren sloeg, kwam ik op het heldere idee om te vragen of ik niet eerst een advocaat mocht bellen. Dat mocht, maar dan zou Vegter wel voor me bellen om te voorkomen dat ik alarm zou slaan. Op het kantoor van Ties Prakken bleek niemand aanwezig en belde ik - of beter Vegter - na een boodschap te hebben achter gelaten Joop Segers. Hij wist wel te vertellen dat de inval hem volledig rechtmatig leek en dat er niet veel aan te doen viel.

Daar zat ik dan. Temidden van een overkill aan driftig speurende dienders en een akelig beleefde RC. Ik besloot maar zoveel mogelijk hun gedrag te observeren en te achterhalen waar ze naar zochten en wat ze allemaal de moeite waard vonden om mee te nemen. Het bleek heel moeilijk veertien man tegelijk in de gaten te houden en ondertussen ook nog eens te bedenken wat ik nou in godsnaam kon doen.

Na ongeveer drie kwartier kwam de buurman binnenlopen die bij ons van de wc gebruik maakt. Hij werd wel even door de politie aan de tand gevoeld, maar mocht, na mij een vragende blik te hebben toegeworpen, weer vertrekken. Zou hij alarm slaan?

Niet veel later belde Ties Prakken. Ook zij wist niet veel meer te vertellen dan dat het een rechtmatige actie was en dat ik later, als ze weg waren nog maar eens terug moest bellen. Tenzij ik er veel behoefte aan had dat zij langskwam. Ik voelde me echter op geen enkele wijze bedreigd en dacht het wel alleen af te kunnen.

Vegter was de formele beleefdheid zelve en ook de andere speurders waren overdreven beleefd. Vegter ging zelfs op de gang staan roken, omdat de hoofdredacteur het niet op prijs stelt dat dit gebeurt in ons benauwde kantoor. Ondanks deze beleefde behandeling werd ik natuurlijk wel gegijzeld; ik mocht niet weg en ook niet bellen - behalve dat ene telefoontje naar m'n ouders om te zeggen dat ik wat later zou komen eten. Ga je een keer bij je ouders eten, valt de politie binnen...

De buurman bleek ondertussen wel een gedeelte van z'n werk gedaan te hebben. Hij had niet alarm geslagen, maar wel de pers ingelicht over de inval en de eerste foto- en cameralenzen verschenen voor de ruitjes van de voordeur. Ook advocaat Mark van Wijngaarden was inmiddels ingeschakeld en op z'n vrije dag naar het redactielokaal gekomen. Ik was blij dat hij er was, want ik begon me steeds minder op m'n gemak te voelen. Ze namen wel erg veel mee en sommige vondsten werden als een ware trofee aan elkaar getoond. Alsof ze het bewijs voor de aanslag hadden gevonden.

Het speurwerk van de Arnhemmers naderde langzaam z'n einde. De computers waren al eerder verdwenen, daar het kopiŽren van alle harde schijven te lang zou duren. Na ruim drieŽnhalf uur besloten ze eindelijk te vertrekken. Vegter maakte zich wat zorgen over de grote hoeveelheid pers die zich voor de deur had verzameld. Hij instrueerde vlak voordat ze in groepjes zouden vertrekken zijn 'mannen' om vooral hun mond te houden.

Zowel hij als ik wisten toen nog niet dat er naast de pers ook nog tientallen actieve Ravage-lezers zich voor het pand hadden verzameld. Toen de deur eenmaal openging en de eerste rechercheurs met zakken materiaal naar buiten stapten, ging het dan ook mis. De zakken werden uit hun handen gerukt, een viertal vluchtte weer snel met het meeste materiaal naar binnen, de rest wist zich zo goed als het kon door de woedende menigte heen te werken.

Op dat moment was ik niet zo blij met deze steunbetuiging, omdat ik nu wťťr met die lui zat opgescheept. Wel waren de rollen nu omgedraaid. Ze waren duidelijk heel zenuwachtig. Gewapend met houten latten en ijzeren staven verschansten ze zich achter de deur. Om de vijf minuten moest er wel een naar de plee. Vegter telefoneerde ondertussen druk naar de 'buitenwacht' of het allemaal niet wat sneller kon en informeerde of er geen andere uitgang was. Dat leek me beter van niet.

Inmiddels kon ik weer bellen, maar beschikte helaas niet meer over een telefoonlijst omdat ze die mee hadden genomen. Ik kon alleen naar huis bellen om te zeggen dat met mij alles in orde was. Toen ik later de telefoon opnam begon een smeris van de 'buitenploeg' mij te vertellen dat ze binnen vijf minuten een poging zouden wagen. Ik zei dat hij aan het verkeerde adres was en gaf hem - stom genoeg - aan Vegter. Het probleem was dat ik geen idee had wat er buiten precies aan de hand was.

Pas een minuut voordat de ME haar charge inzette werd ik gebeld door iemand die mij vroeg de sympathisanten buiten te waarschuwen omdat de charge zou worden ingezet. Ik kon echter op geen enkele manier de mensen buiten waarschuwen omdat de vier speurders nog steeds gewapend met stokken en pijpen voor de deur stonden. Aan het geschreeuw buiten begreep dat er gechargeerd werd. Niet lang daarna werd de deur ingetrapt omdat die op slot bleek te zijn. Wie dat heeft gedaan is nog steeds een raadsel. Men vroeg om mijn sleutel, maar dat bleek al snel niet meer nodig - de deur werd van buiten open gedaan.

Eindelijk waren ze weg. De andere redactieleden en nog wat medewerkers kwamen binnen. De schade kon worden opgenomen.

Freek Kallenberg

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1996