Naar archief

UIT: Ravage #208 van 19 april 1996   

Is er nog toekomst voor het antimilitarisme?  

Het einde van de opkomstplicht levert niet alleen het Ministerie van Defensie vraagtekens op, maar ook vredes- en antimilitaristische groepen. Velen, zeker de meeste mannen, in de vredesbeweging werden door de dienstplicht persoonlijk met het militarisme geconfronteerd. Groeperingen als de Vereniging Dienstweigeraars en AMOK hebben er als het ware hun bestaan op gefundeerd. Hoe moet dat verder? 

"Ondergeschiktheid is de ziel van de militaire dienst", luidde artikel 2 van de Militaire Krijgstucht. Maakt de beëindiging van de dienstplicht een einde aan het principe van de ondergeschiktheid in het leger, in Nederland of de rest van de wereld? 

Het bestrijden van ondergeschiktheid en het (bestrijden van het) principe van het bevel dat een bevel is, is een van de wezenlijke kenmerken van democratie. Het voorbereiden op oorlog is daarmee in strijd. Het tegenwerken van oorlog, oorlogsvoorbereiding en onderdrukking zijn specifieke uitwerkingen van een antimilitaristische politiek. De opschorting van de opkomstplicht brengt hierin geen verandering. 

Het einde van de dienstplicht markeert het einde van een bepaald type burgerschap. De dienstplicht was een belangrijk element voor mannelijke burgers die als (potentieel) hoofd van een gezin de weerbaarheid van de staat moesten vormgeven - voor hun vorst, hun vaderland en hun vrouw. De zelfstandigheid van de natie-staat in West-Europa is inmiddels zodanig verminderd dat deze voor de organisatie van een oorlog tegen een grote vijand buiten de Westeuropese grenzen, dus niet tegen elkaar, veel te klein geworden is. 

Inmiddels heeft de moderne staat behoefte aan een nieuw type burger waarbij dienstplicht voor de nationale zaak geen rol meer speelt. De nationale zaak is bovendien vervaagd. De Nederlandse zaak is een Westeuropese zaak geworden, hoe onuitgekristalliseerd die ook mag zijn. Langzaam komt er een Westeuropese (romp)staat tot stand. Hoe lang dat nog zal duren is onduidelijk, maar deze ontwikkeling is een feit. De acute oorlogsdreiging in West-Europa is afgenomen. 

De politieke hoofddoelstellingen van West-Europa zijn de handhaving van rust en welvaart voor de meeste burgers en toezicht over grote delen van de wereld om deze rust en welvaart in stand te houden. De politieke rechten en de levensomstandigheden van de gemiddelde Westeuropese burger worden wel eens verward met wereldburgerschap.  

Een status die geen geldingskracht heeft, omdat het overgrote deel van de wereldbevolking uitgesloten is van bijvoorbeeld dagelijks drie maaltijden, schoon drinkwater en een fatsoenlijk dak boven het hoofd, laat staan dat de meeste mensen op aarde een telefoonverbinding hebben of een aansluiting op het world wide web. De voorwaarden voor een evenwichtig wereldburgerschap voor iedereen ter wereld ontbreken volledig. Het gevolg is dat politieke spanningen tussen hen die deze situatie willen behouden en zij die zowel hun economische als politieke positie willen verbeteren, zullen oplopen. 

Als gevolg van de voortschrijdende techniek is bovendien de noodzaak aan massaal optrekkende legers van infanteristen drastisch afgenomen. De Westerse verzorgingsstaat, waartoe het pacifisme als belangrijke (onder)stroming gerekend mag worden, heeft voor een taboe op sneuvelen van de eigen onderdanen gezorgd. Het is een ontwikkeling die als winst kan worden geboekt, maar het is absoluut geen reden tot tevredenheid.  

Een volgende opdracht van een vredesbeweging zou het taboe op oorlog moeten zijn. Niet zozeer het bereiken van een morele terugdeinzing voor oorlog, maar het feitelijk onmogelijk maken van oorlog door het radicaal democratiseren van zowel staat als krijgsmacht en tegelijkertijd het ontwapenen van de laatste. Het militarisme is met het einde van de dienstplicht allerminst verdwenen, maar is van karakter veranderd. 

Repressie 

Helmut Kohl heeft eind januari 1996 gewaarschuwd voor oorlog in West-Europa, omdat de eenwording niet vlot genoeg loopt, maar we kunnen ervan uitgaan dat in West-Europa zelf geen oorlogsdreiging meer bestaat. Een onderlinge oorlog in West-Europa of het dreigen daarmee door een Westeuropese elitegroep kan niet als serieuze politieke strijdwijze worden gezien (tenzij Kohls woorden als zodanig worden beschouwd.) 

De duidelijkste kenmerken van het Westeuropees militarisme zijn momenteel:

a) De vervanging van grote massalegers, die waren gericht tegen het Oost-Europa van het Warschau Pact en die vooral bestonden uit dienstplichtigen, door interventielegers die gevormd worden door beroepssoldaten;

b) Repressie als belangrijkste methode van staatscontrole in de binnenlandse politiek. De uitvoering van deze repressie is voor een belangrijk deel in handen gekomen van de militaire politie (de marechaussee) die toezicht houdt op legitimatieplicht en persoonsregistratie. Deze verplichtingen treffen vooral niet-witten. Deze controle, die beschouwd kan worden als militarisme in eigen land, wordt snel uitgebreid. Ook deze ontwikkeling wordt gestimuleerd door de vorming van een Westeuropese staat, die scherpe repressieve maatregelen heeft getroffen tegen vooral niet-Europese ingezetenen. 

Op deze twee terreinen hebben zich de laatste vijf jaar enkele belangrijke ontwikkelingen voorgedaan. De Golfoorlog symboliseert het einde van de Koude Oorlog en het begin van het interventietijdperk. In de Golfoorlog bleken de massale legers van de anti-Irak coalitie uiteindelijk amper te hoeven vechten, omdat het Iraakse leger door wekenlange bombardementen murw gebeukt was.  

Het interventietijdperk wordt vooralsnog vooral gekenmerkt door vredesoperaties waarbij de val van Srebrenica een markant dieptepunt is, evenals bijvoorbeeld de afmars van de Verenigde Staten uit Somalië. Het Akkoord van Schengen en de daarmee verband houdende (zogenaamd beperkte) legitimatieplicht alsook de invoering van de koppelingswet vormen het tweede belangrijke terrein. 

Het Nederlandse leger heeft drie manieren om zich per 1999 volledig aan te passen aan de veranderde doelstellingen voor een Westeuropees defensie- en buitenlandbeleid.

a) Door deelname aan internationale vredebewarende operaties, zoals bijvoorbeeld in Cambodja of momenteel in Bosnië.

b) Door het in gebruik nemen van nieuw transportmaterieel, zoals helikopters en transportvliegtuigen.

c) Door te beginnen met Westeuropese defensiepolitiek die zich onafhankelijker opstelt van de VS. Dat kan ook na het beoogde jaartal 1999 het geval zijn. 

Vijanden 

Een (Westeuropese of in afwachting daarvan een NAVO-) interventiemacht zal zich in de eerste plaats richten tegen die landen waarvan de Westeuropese economie afhankelijk is. Dan moeten overigens eerst andere drukmiddelen hebben gefaald. Dit was het geval bij de inval van Irak in Koeweit in 1990. Het gaat daarbij om gebieden die cruciale grondstoffen leveren. In de eerste plaats het Midden-Oosten, maar ook het gebied rond de Kaspische Zee en wellicht in een later stadium Siberië. 

De oude vijand, de Sovjet-Unie, zal zich weer manifesteren, in de vorm van Rusland. Dat is vooral een reactie op de expanderende energiepolitiek van het Westen. Dat gebeurt op die plaatsen waar Rusland zijn invloed aan het Westen aan het verliezen is. 

Naast grote reële vijanden kunnen ook groeperingen als vijand worden misbruikt. Als voorbeeld hiervan gelden de waarschuwingen van voormannen als Claes en Bolkestein over de oprukkende islam. Dat rechtvaardigt in hun ogen niet alleen een militaire versterking in het Middellandse Zeegebied, maar tovert bovendien een grote in West-Europa verblijvende groep godsdienstigen om in potentiële binnenlandse vijanden. Een belangrijk kenmerk van deze echte of vermeende gevaren is dat ze wisselwerking van militarisme in eigen land (controle en toezicht en militarisme in het buitenland (interventiedreiging) mogelijk maken. 

Als andere potentiële vijanden worden de internationale drugsmaffia, het internationale terrorisme of regimes die de mensenrechten stelselmatig schenden reeds gebrandmerkt. De reële problemen die deze groepen veroorzaken kunnen worden gebruikt om de krijgsmacht een nuttige functie te geven en in tijden van crisis kan op deze groepen een sterk vergroot vijandbeeld geprojecteerd worden dat dient om een oorlogszuchtige houding aan te wakkeren. 

De twee hierboven aangestipte ontwikkelingen verhinderen niet wat al sinds jaar en dag het probleem van staten is en wat een militaristische politiek voedt: het voeren van machtspolitiek door middel van wapenleveranties, geheime diplomatie en het in eigen staatsbelang steunen van de vijanden van de (staats)vijand. In weerwil van propaganda over de global village hebben deze ontwikkelingen weinig te maken met het bevorderen van een open democratisch werelddorp.  

Om een paar recente voorbeelden te noemen: de wapenleveranties van Frankrijk aan verschillende Afrikaanse dictators, met Amerikaanse goedkeuring van Saoedische wapenleveranties aan Bosnië, de onbeschaamde Westerse steun aan Turkije ondanks de vuile oorlog tegen de Koerden, het lot van het Iraakse en Iraaks-Koerdische volk dat tussen het Westerse aambeeld en de hamer van Saddam betere tijden moet afwachten, de schaamteloze jacht op (wapen)orders van Aziatische groeimachten, enzovoort. 

Wereldburgerschap 

Het belang om tegen oorlog en oorlogsvoorbereiding actief te blijven is om deze redenen niet afgenomen. Een antimilitaristische beweging in Nederland en West Europa zal zich de komende jaren dienen te richten op deze thema's. Zowel de interventies in landen ver weg als de repressie in eigen land zullen belangrijke ontwikkelingen zijn.  

De dienstplicht als aanleiding om te moeten nadenken over georganiseerd geweld en machtspolitiek valt weg. Voor de antimilitaristische beweging en de vredesbeweging was de dienstplicht net zo'n rekruteringsmiddel als dat het voor de staat was. Voor vredesgroepen, en zeker voor de Vereniging Dienstweigeraars is er noodzaak na te denken over nieuwe werkterreinen en werkmethoden. 

Het gepropageerde wereldburgerschap is voor vredesgroepen een zinnig idee dat kan dienen als ideaalbeeld. Het steunen van een eerlijke verdeling van de welvaart op de wereld, een democratische controle op belangrijke beslissingen en openheid over beleid en beleidsvoorbereiding zijn daarbij slechts enkele algemene doelstellingen. Het tegenwerken van geheimhouding, kadaverdiscipline en ondergeschiktheid is de andere zijde van dit streven. En dat blijft nodig, want de harde politieke werkelijkheid laat weinig heel van openheid en democratische controle. Zij wapent zich letterlijk met het beste dat menselijk vernuft en ijver opleveren. 

Een organisatie die al deze terreinen bestrijkt is er niet. De actieve vredesbeweging die in de Koude Oorlog bestond, is al lang weggevaagd. Een van de redenen dat een dergelijke organisatie niet bestaat is dat er ook geen vastomlijnd beleid van de Westeuropese staat bestaat. Daardoor is het moeilijk om oppositie vorm te geven. 

In de veronderstelling dat zo'n beleid gevormd wordt, is het nodig te werken aan zo gunstig mogelijke omstandigheden waaronder antimilitaristische groepen kunnen werken. Omdat in de landen van West-Europa grote groepen mensen uit omliggende gebieden wonen en in hun landen van herkomst bovendien (burger)oorlogen woeden en deze groepen mensen het eerst leiden onder repressieve maatregelen, blijft het noodzakelijk aan coalities te werken met vertegenwoordigers uit immigrantengroepen.  

De Golfoorlog werd slechts door kleine groepen uit de vredes- en antimilitaristische beweging bekritiseerd. Toch kan in deze beweging een kiem worden gezien van het soort beweging dat nodig is, want deze beweging bestond uit groepen Nederlanders en groepen van buitenlandse komaf. 

Gezien echter deze ervaringen tijdens de Golfoorlog, en de stroefheid waarmee de idealiter gewenste multiculturele samenleving (en beweging) vorm krijgt, zal het daarbij waarschijnlijk vooral gaan om tijdelijke vormen van samenwerking. In de vijf jaren die sindsdien zijn verstreken, is nog weinig gebeurd om de samenwerking tussen deze groepen, die in het interventietijdperk het meest op elkaar zijn aangewezen, te verdiepen.   

Guido van Leemput

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1996