UIT: Ravage #208 van 19 april 1996
'Denk vrij, denk aegon!'
De vrijdenker: publiek figuur of ketter?
Op 1 september 1995 verloor vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte haar zendmachtiging door toedoen van het Commissariaat van de Media. De vrijdenkers beschikten lange tijd over een enkel uurtje televisie en drie uur radio-zendtijd per jaar. Die uren zijn haar nu ontnomen - al mogen vrijdenkers nu in de marge figureren van de radio-uitzendingen van de Humanistische Omroep Stichting. De televisiepraatjes van voorzitter Jan Vis resulteerden in zo'n honderd à tweehonderd brieven per uitzending, maar leverden nauwelijks een bijdrage aan de verdere bloei van de vereniging. Het is dan ook de vraag of vrijdenkers een publieke rol nog wel langer moeten ambiëren.
De Vrije Gedachte maakte lange tijd dankbaar gebruik van de publieke media: de periodieke televisiepraatjes van haar voorzitter Jan Vis waren daarvan een treffend voorbeeld. In zijn verdediging van de televisiezendtijd voor De Vrije Gedachte - gepubliceerd in een aantal heterodoxe tijdschriften - merkte Robbert Schuster op dat De Vrije Gedachte de enige zuiver-atheïstische omroep ter wereld is en dat zij alleen al daarom recht op bestaan heeft. En hij vervolgt: "Zij kan bogen op historische namen als Multatuli, Domela Nieuwenhuis, Bolland, Leo Polak en Anton Constandse. Zo vormde de vereniging de kiem voor het atheïsme, anarchisme, humanisme, seksuele hervorming en vrouwenemancipatie".
Net als Robbert heb ook ik veel belangstelling voor de geschiedenis van het vrijdenken, maar acht het een ideologisch misverstand te claimen dat De Vrije Gedachte - of zoals ze zich vroeger noemde, De Dageraad - een zuiver eenduidige, 'nuttige' en verlichte vereniging was die de mensheid voorbereidde op atheïsme, humanisme, anarchisme, seksuele hervorming en vrouwenemancipatie. Daarvoor liepen er in de vrijdenkersbeweging te veel mensen rond die vromer bleken dan de paus, die in tegenstelling tot de uitgangspunten van het anarchisme een proto-fascistische staatsvorm proclameerden, die een fervent antifeminisme bepleitten, en mensen die in vrije liefde de oorzaak zagen van alle ellende op aarde. Vrijdenkers vormden een bont amalgaam van ketters, dwarsliggers, malcontenten, revolutionairen, zieners en dromers. Let wel, het ligt beslist niet in mijn bedoeling het vrijdenken te diskwalificeren, maar enige nuancering is toch op zijn plaats - zeker voor een vereniging met zo'n groot historisch besef als De Vrije Gedachte.
Sinds haar oprichting in 1855/1856 heeft De Dageraad steeds een problematische verhouding gekend tussen haar publieke en occulte positie. Enerzijds wilde men immers het 'gemene publiek' toespreken, maar anderzijds was zij volledig gemodelleerd naar het voorbeeld van geheime samenlevingen, zoals de Rozenkruizers en de vrijmetselarij. Met de huidige teloorgang van haar publieke rol - door het ontnemen van de zendtijd - lijkt De Vrije Gedachte opnieuw gedwongen 'ondergronds' te gaan; bij afwezigheid van publieke media dient men zich weer te beperken tot de eigen intieme media, zoals het maandblad voor de leden en de zondagochtend-bijeenkomsten in eigen kring. In onderstaand verhaal, van vooral historische aard, wil ik drie typerende aspecten aanstippen van het Nederlandse vrijdenken, waarin het vraagstuk 'publiek/occult' nader wordt toegelicht. Achtereenvolgens zijn dat wetenschapskritiek, vervreemding en hermetica. Ik hoop hiermee aan te tonen dat vrijdenken en verlichting niet elkaars synoniemen waren; vrijdenkers beoogden eerder een correctie van het verlichtingsproject.
Het is een hardnekkig misverstand dat De Dageraad zich steeds uitsluitend beriep op rationele, empirische en wetenschappelijke vormen van bewijsvoering. Gaarne wijzen vrijdenkers met enig historisch besef op oude boegbeelden en vrijdenkende propagandisten als de botanicus Franz Wilhelm Junghuhn, de biochemicus en fysioloog Jacob Moleschott, de darwinist Hartogh Heys van Zouteveen en de psycholoog Gerard Heymans. Inderdaad, unieke figuren met spannende levensverhalen en bijzondere wetenschappers.
Maar wie enigszins vertrouwd is met hun werk weet dat deze wetenschappers geen wetenschappers waren in de gebruikelijke, positivistische betekenis van het woord. Zij verzamelden weliswaar natuurkundige feiten, zij verrichtten experimenten in laboratoria om hun hypothesen te bevestigen of te verwerpen, en droegen allen hun steentjes bij aan het wetenschapsdebat van de vorige eeuw. Maar natuurwetenschappelijk onderzoek was niet hun exclusieve doel. Objectiviteit, het opsporen van objectieve, meet- en weegbare wetmatigheden en de methode van de objectieve waarneming waren slechts middelen.
Uiteindelijk was het doel een subjectieve manipulatie van het bestudeerde - het onderzochte en het bestudeerde kwam voort uit een fascinatie voor een metafysica van de Natuur, vanuit een beleving of ervaring van de Natuur als een goddelijk, of metafysisch of filosofisch concept.
Indien vroege vrijdenkers als Junghuhn spreken van de Natuur (met een hoofdletter) dan bedoelen zij wat anders dan de natuur (met een kleine letter). Geschreven met een hoofdletter verwijst het begrip naar het heelal, de kosmos, het Al, het Al-ene, het Oneindige, het Eeuwige, de kringloop des levens, de Opperbouwheer van het Heelal - of hoe vrijdenkers hun metafysica ook wilden uitdrukken. Geschreven met een kleine letter verwijst 'natuur' naar hetgeen zich aan ons openbaart en dat kan worden bestudeerd - bijvoorbeeld een bladstengel, de zandverplaatsing door een mol, een bodemgesteldheid, de werking van de mannelijke testikels of de prikkels van verliefdheid.
In feite vinden we hier stilletjes een spinozistische levens- en wereldbeschouwing geformuleerd. Immers, Spinoza maakte in zijn Ethica - erg populair onder vrijdenkers - een onderscheid tussen 'natura naturans' (of de 'naturende natuur') en 'natura naturata' (of 'genatuurde natuur'). Voor de vrijdenkende wetenschapper ging het steeds om de relatie tussen deze twee 'naturen': alles is een, alles maakt deel uit van een geweldige natuurlijke en kosmische kringloop, en de mens is in die kringloop uiteindelijk niet meer dan een natuurgewrocht zonder vrije wil. Of in Junghuhns woorden: "De mens wordt door overmachtige krachten zonder ophouden voortgestuwd, hij is het gewrocht van ouders en voedsters, van plaats en tijd, van lucht en weersgesteldheid, van voedsel en kleding, van geluid en licht".
De kritiek van deze vroege vrijdenkers op de natuurwetenschap van hun dagen was dat het natuuronderzoek zich zou beperken tot 'natura naturata', tot de natuur met een kleine letter. Het grote oorzakelijke, kosmische verband, 'natura naturans' - Natuur met een hoofdletter - werd volledig buiten beschouwing gelaten. Het ging deze vrijdenkers om het creëren van een monistische - of moderner: een holistische - wereldbeschouwing waarin de harmonieuze verbondenheid van alles met alles op basis van wetenschappelijk onderzoek kon worden aangetoond. Dit verhaal geldt zelfs voor destijds beroemde wetenschappers als Moleschott en Heymans die beiden veel energie en tijd staken in de ontwikkeling van hun respectievelijke wereld- en levensbeschouwingen.
Moleschott introduceerde een materialistisch monisme; Heymans een psychisch monisme; Felix Ortt kwam met zijn pneumatisch-energetisch monisme; en J.J. Poortman ontwierp een noïsch monisme - allemaal ingewikkelde en soms zweverige concepten die alle als varianten moeten worden opgevat van een holistische natuur- en wereldbeschouwing. Deze vrijdenkers legden als het ware de basis van een 'deep ecology' in Nederland.
De belangstelling voor allerlei vormen van wetenschapskritiek bleef ook actueel onder twintigste eeuwse vrijdenkers. Zo knoopten Clara Wichmann, Anton Constandse en Wim van Dooren bijvoorbeeld aan bij het werk van de jonggestorven dichter, filosoof en wetenschapscriticus Jean Marie Guyau. In diverse studies - geschreven in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw - ageerde Guyau tegen het utilitarisme - of 'nuttigheidsdenken' - van de Britse empiristen. Met Spinoza beweerde Guyau dat al wat leeft bewust of onbewust streeft naar behoud en uitbreiding van het leven.
De utilisten - denk aan Jeremy Bentham en John Stuart Mill - hadden beweerd dat 'nut' en 'genot' de enige hefbomen waren die schepsels in beweging konden brengen. Het bewuste leven, zo stellen de nuttigheidsdenkers, kiest altijd die weg die een maximum schenkt aan genot en nut, en een minimum aan leed en onnut. Guyau echter ontkent dat wij handelen uit nut: "Bentham slaat de plank mis wanneer hij ons het levende wezen als een rekenaar voorstelt, als een financier die, voor zijn kasboek gezeten, de balans van winst en verlies opmaakt. Maar leven is niet cijferen, maar handelen".
Volgens Guyau handelen we slechts omdat we nu eenmaal een bepaalde hoeveelheid of voorraad van kracht hebben: "Er bestaat een opeenhoping van kracht welke verteerd wordt, niet omdat het aangenaam of nuttig is haar te verteren, maar omdat ze nu eenmaal verteerd moet worden." Geestelijk leven, of in het geval van Constandse en Van Dooren, vrijdenken, dient dus niet te worden bezien en beoordeeld vanuit doeleinden, maar vanuit werkende krachten.
In ieder mens, suggereert Guyau, is er een oorzaak die al werkzaam is voordat 'nut' of "genot' in zicht komen - hij noemt die oorzaak 'leven' (maar we zouden ook weer opnieuw van 'natura naturans' kunnen spreken). Wim van Dooren sprak in dit verband van het leven als 'actieprincipe'. Hij bedoelde daar onder meer mee dat het leven zijn eigen oorzaak is en zijn eigen beloop dient te krijgen; dat het leven zelf in opstand komt tegen belemmering en beperking van buitenaf; dat het leven voortdurend groeit en tot niets verplicht. Kortom, 'nut' is geen genetisch vastgelegd dogma, maar een menselijke mogelijkheid die het leven biedt.
Deze monistische en naturalistische wereldbeschouwing maakte dankzij vrijdenkers na 1848 een voorspoedige ontwikkeling door in het Nederlandse geestesleven. De Dageraad was slechts een van de maatschappelijke groepen die sympathie toonde voor de monistische leer. Buiten de 'Dageraadsmannen' treffen we ook varianten van monisme aan onder deterministen, darwinisten, spinozisten, pantheïstische theologen, de redactie van het antiklerikale tijdschrift De Nederlandsche Spectator en onder literatoren als Multatuli, Van Limburg Brouwer en Carel Vosmaer. In wezen betrof dit monisme een secularisering van het calvinistische godsbegrip waarin God in alles in iedereen voortdurend present was. God, met een hoofdletter, werd Natuur, met een hoofdletter.
Het ligt voor de hand te veronderstellen dat dit verlangen naar kosmische eenheid werd ingegeven door een diep gemis van maatschappelijke en geestelijke eenheid. De westerse beschaving, ontdaan van geestelijke, esthetische en religieuze vrijheid en spontaniteit, zou zich kenmerken door theologische dogma's, kerkelijke machthebbers, dorre liberalen en tweedimensionale wetenschapsopvattingen. Haar eenzijdige gerichtheid op nuttige kennis had een mechanisch wereldbeeld doen ontstaan waarin mensen als louter nuttige machines werden beschouwd.
Dankzij de overzeese kolonies vonden vrijdenkers een nieuw wapen om het westen uit te dagen: de kinderlijke en oprechte spontaniteit en natuurbeleving van het oosten. Nederlanders waren in die tijd slechts geïnteresseerd in stukjes gecultiveerde natuur die ten minste geld opbrachten. Ongecultiveerd en woest land - zoals moerassen en onvruchtbare gronden - werd lange tijd beschouwd als 'onland' - als land waar Gods hand niet heerste en waar men beter niet kon komen. Aan het begin van de 19de eeuw was bijna een derde deel van Nederland nog 'onland'.
Maar de Indische wildernis bleek een geheel andere ervaring. Junghuhn, d'Ablaing en Multatuli die allen voor langere tijd in Nederlands-Indië verbleven, keerden huiswaarts als Rousseauistische romantici, aangeraakt als ze waren door de overweldigende kracht van de Natuur. Bovendien bleken allerlei inheemse volkeren zonder inmenging van deze of gene christelijke kerk of sekte toch een hoge mate van zedelijkheid te hebben ontwikkeld. Deze vrijdenkers van het eerste uur hadden letterlijk het licht gezien. Junghuns bekendste boek heette dan ook Licht en Schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java.
Het moge geen verwondering wekken dat vrijdenkers dankzij deze nieuwe golf van reisverhalen geïnteresseerd raakten in de studie van vergelijkende oosterse en westerse filosofische stelsels. Velen meenden dat in sommige oosterse filosofieën (zoals de Shankya) een spontaan monisme werd beleden waarin de kosmische verbondenheid van alles met alles werd beleefd en doorleefd.
Kortom, het oosten kende een holistisch en ongedeeld wereldbeeld, terwijl wij het in het westen moesten doen met een mechanisch en gebroken wereldbeeld. Veel westerlingen zouden volledig vervreemd zijn geraakt van onze eenheid met de Natuur en vrijdenkers hoopten dat de monistische en naturalistische wereldbeschouwing deze vervreemding zou kunnen opheffen. Want als we maar ver genoeg in de geschiedenis zouden terug gaan, dan zouden we leren dat alle religies in wezen een zijn en uit dezelfde oerbron hebben gedronken. Daarom moeten we terug naar de oerbron, het monisme, en strijden tegen de kerken en de theologie die met hun instituties verdeeldheid hebben gezaaid.
Via internationale schrijvers als Ernest Renan en in Nederland de filosoof en oriëntalist Jan Land ontstond al spoedig het idee dat de huidige beschaving in feite rustte op twee hoofdpeilers: aan de ene kant de 'semitische' en aan de andere kant de 'indo-germaanse'. De 'semiet' zou van nature optimistisch en spontaan gelovig zijn; de 'indo-germaan' zou van nature pessimistisch zijn en vooral op basis van zijn denken eisen stellen aan de wereld om hem heen.
Kortom, in deze discussie werd het belangrijkste strijdpunt van de vorige eeuw - het conflict tussen geloven en weten - historisch en antropologisch gerechtvaardigd door een beroep op twee afzonderlijke beschavingsbronnen. Je begrijpt dat dergelijke discussies ook voer boden aan 'antisemitische' of 'anti-indo-germaanse' standpunten - een tragisch, maar logisch voortvloeisel. Vooralsnog was het de taak van de vrijdenker om over dit onderscheid te reflecteren: eerst indien hij beide tradities tezamen kan denken, kan de mens Mens (met een hoofdletter) worden en zijn tolerantie praktisch belijden.
Een van de mooiste voorbeelden van dit oost-westdenken is nog altijd de roman Akbar, geschreven door Petrus van Limburg Brouwer in 1872, en voorlopig in 1984 voor het laatst in de zoveelste druk uitgegeven. Land rekende deze vrijdenkers in 1877 tot een soort 'proto-new-age-beweging': "[Dit vrijdenken] loopt uit op de mystieke vereenzelviging met de godheid, waarin duizenden van Indië tot in Noordeuropa den vrede hebben gevonden"
De oplettende lezer zal begrijpen dat dergelijke overwegingen mijlen ver zijn verwijderd van een zakelijk, nuchter, wetenschappelijk en dus 'nuttig' wereldbeeld. Het is dan ook begrijpelijk dat de filosoof en natuurkundige Cornelis Bellaar Spruyt - een scherpzinnig criticus van het vrijdenken in de vorige eeuw - de vrijdenkers vooral typeerde als christenen zonder kerk, of als theologen zonder theologie. Want begrippen als 'oneindig', 'eeuwig', het 'Al-ene', 'monisme' etc. zijn toch lege en zweverige begrippen die een hoop suggereren, maar nauwelijks helderheid verschaffen. Het is een metafysica vol taalspelletjes die ook de theologie kenmerkt. En inderdaad, mede-verlichtingsstromingen, zoals het spiritisme, de theosofie en het Parkerisme hebben ook hun wortels in de vrijdenkersbeweging die op haar beurt weer was geworteld in de geheime samenlevingen van de vrijmetselaarsloges. Wellicht vinden we hier een derde verklaring voor het denken en het gedrag van de vroege vrijdenkers.
De Dageraad kwam in 1855/56 voort uit een lange strijd die vrijmetselaars al sinds 1800 voerden tegen de overkoepelende federatie - het Grootoosten der Nederlanden. Een groep dissidente, vooral Amsterdamse metselaars had al in 1850 een nieuwe loge opgericht die niet werd erkend door het Grootoosten en aldus als 'clandestien' te boek stond. Deze loge, Post Nubila Lux (licht na de wolken), was opgericht door de arts, spiritist en vrijdenker Markus Polak die met zijn loge een 'school voor bespiegelende wijsbegeerte' voor ogen had. Deze loge wilde het ritueel naar de achtergrond brengen en meer plaats maken voor de studie van de geschiedenis en de filosofie. Wat het laatste betreft sprak men nadrukkelijk van 'bespiegelende' of 'speculatieve' filosofie, en niet van een 'experimentele' filosofie die zich richtte op de grondslagen van de wetenschappen.
Binnen de vrijmetselarij werd door menig broeder al sinds de achttiende eeuw gestreefd naar een 'ideologie der coëxistentie van ideologieën', naar een integratie van wereldbeschouwingen die uit eenzelfde oerbron voortkomen, vanuit het besef dat de gehele mensheid in wezen een broederlijke eenheid vormt. De Dageraad zette deze trend door, maar brak met het occulte karakter van de loges - men wilde een publieke vereniging die midden in de samenleving stond. Junghuhn aanvaardde slechts 'die kerk waarvan het dak met sterren is bezaaid'. De vrijdenker Jan van Vloten merkte na zijn breuk met de kerken op: 'De samenleving is mijn kerk'. Ook de bekende vrijdenker Willem Meijer werd in 1922 nog door zijn leerlingen een 'macon zonder schootsvel' genoemd. Kortom, tot ver in de twintigste eeuw bleef de indruk bestaan dat vrijdenkers 'gelovigen' waren zonder kerk en macons zonder loges.
Naarmate de gevoelens van vervreemding sterker werden, voorlopig culminerend in het fin de siècle met zijn twijfel aan geestelijke zekerheden, werd ook de behoefte aan een passend antwoord nijpender. Het debat was uit de mode geraakt want de mensen waren het gedurige over en weer praten van voor en tegen moe geworden. De behoefte aan wereldbeschouwelijke zekerheid nam snel toe en op die golf floreerde het monisme - tot uitdrukking komende onder vrijdenkers, anarchisten, theosofen, Rozenkruizers, kunstenaars en kolonisten.
Maar van alle pogingen om tot een consistente, monistische, eenduidige wereld- en levensbeschouwing te komen bleek de 'hegelarij' van Gerard Bolland het meest succesvol. Bollands zuivere rede maakte een enorme indruk op vrijdenkers van allerlei slag. Het onlangs verschenen boek Bolland. Een biografie, geschreven door Willem Otterspeer, geeft een prachtig beeld van Bolland en de 'Bollandianen'.
Het is hier dat het vrijdenken zijn meest paradoxale vorm vindt. Immers, bollandisme, spinozisme, theosofie, psychisch monisme, (christen)anarchistisch monisme en wat al niet meer, zijn toch typische 'vestings-filosofieën' - om de woorden van Arthur Schopenhauer eens in herinnering te roepen. Men bouwt een hermetisch gesloten denksysteem op, met eigen definities, eigen spelregels, eigen gevolgtrekkingen en verbreekt zo het gesprek met mensen die zich buiten de vesting bevinden.
Hermetisch denken verhoudt zich zeer slecht tot een publieke rol. Het beste wat we kunnen doen, schreef Schopenhauer met de gedachte aan Hegel, is stilletjes om de vesting heen trekken om daarna verder te gaan met het denken. Met andere woorden, in de praktijk betekende het vrijdenken vaak hermetisch denken en het is verwonderlijk te constateren hoe hardnekkig sommige vrijdenkers - ook vandaag nog - de 'philosophia hermetica' blijven verwarren met vrij-denken. Recente discussies over het 'vrijdenken' van Bolland en de zijnen tonen dat deze strijd binnen de gelederen van de vrijdenkersbeweging nog altijd niet is gestreden.
De Vrije Gedachte beschikt inderdaad over een opmerkelijk en boeiend verleden maar het is volstrekt onmogelijk het vrijdenken eenduidig te definiëren. Sommige vrijdenkers propageerden humanisme, feminisme en anarchisme, maar anderen beweerden volstrekt tegengestelde zaken waarover we vandaag de dag liever zwijgen. Als er iets zinnigs kan worden gezegd over het Nederlandse vrijdenken dan is het wel dat De Dageraad mensen aanmoedigde met enig lef een eigen wereldbeschouwing te formuleren, ongeacht het feit of deze of gene mainstream die beschouwing al dan niet deelde. Vrijdenkers waren ketters in de meest letterlijke zin van het begrip die allerlei vormen van orthodoxie pareerden met heterodoxe opvattingen.
We leven in een fundamentalistische spektakelmaatschappij waarin een orthodoxe media-ideologie ons dagelijks leven beheerst. Was voor de negentiende eeuwse vrijdenker de kerk de bron van alle kwaad, voor de hedendaagse ketter vormt de megamediamachine de grootste bedreiging omdat het de vrije gedachte heeft gedevalueerd tot lifestyles en commercials: 'denk vrij, denk Aegon!'.
De vrijdenker-ketter echter weekt alles weer los dat is vastgeroest, of het nu denkbeelden zijn of instituties; ketterij is het voortdurend stellen van vragen bij courante, vanzelfsprekende, alledaagse waarheden; ketterij is een voortdurend prikkelen van zowel geest als lichaam; ketterij bestaat bij de gratie van een onuitroeibaar fundamentalisme en is in eerste instantie, om Wim van Doorens woorden te gebruiken, een voortdurende opstand tegen iedere belemmering en beperking.
De ketter denkt niet teveel aan alternatieven, is niet geïnteresseerd in een nieuw hermetisch denksysteem, maar geeft zijn leven steeds opnieuw weer vorm in de filosoferende kaalslag die hij zelf en samen met anderen bewerkstelligt. De ketter is een twijfelaar die voortdurend op zijn hoede is voor de orthodoxie van iedere autoriteit - of zoals Richard Burton de opmerking 'Jij hebt niet veel verstand van exacte vakken, he?' in de film Who's Afraid Of Virginia Wolf? op een principieel ketterse wijze pareerde: 'Nee, maar ik weet wanneer ik word bedreigd'.
Het is de vraag of vrijdenkers een publieke rol nog wel langer zouden moeten ambiëren. De media, het publieke platform bij uitstek, genereert conformisme en bevredigt verlangens nog louter in het kader van de geadverteerde werkelijkheid. Had het Commissariaat van de Media de vrijdenkers niet uit het publieke bestel geworpen, dan hadden de vrijdenkers er zelf uit dienen te stappen. Een ketter laat zich immers niet vastleggen op een uurtje televisie per jaar. Juist in een tijdperk waarin new age-programma's, Yomanda's, godsdiensten, postmoderne hermetici en andere adverteerders gretig strijden om een uurtje inhoudsloze televisie, trekt de ketter zich vergenoegd terug van het mediaspektakel om zich weer op te maken voor de verborgenheid.
Er lijkt geen enkele reden verdrietig te zijn, want in de verborgenheid boekte het vrijdenken haar grootste resultaten en produceerde zij haar beste literatuur en poëzie. De pogingen van denkers als Van Vloten, Siffie, Meijer en Bolland om als vrijdenker ook een publieke of zelfs politieke rol te spelen verliepen niet alleen teleurstellend, hun experimenten zijn bovendien geen herhaling waard. Al te vaak leidde dit tot overspannen en soms paranoïde levens- en wereldbeschouwingen.
De filosoof Michael Petry merkte ooit op: "De meeste filosofen zouden ver van de politiek moeten worden gehouden, net zoals ze ook ver moeten worden gehouden van de operatiekamers in de ziekenhuizen". Het is een gedachte die ook vrijdenkers tot bezinning kan brengen. Wellicht is de tijd daar dat De Vrije Gedachte zich opnieuw bezint op haar taken en alle tijd en energie gaat steken in het verversen van haar eigen intieme media en infrastructuur, want die kunnen wel een oppepper gebruiken. Indien een buitenstaander je morgen vraagt naar het 'Nut' van het vrijdenken, haal dan gerust de schouders op, wijs hem op je televisietoestel en zeg haar dat je wel weet wanneer je wordt bedreigd.
Siebe Thissen
Dit artikel is een ingekorte versie van een verhaal dat Siebe Thissen vertelde op zondag 24 maart j.l. voor vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte, regio Den Haag.
begrippenlijst:
verlichting: verspreiding van geestelijk licht, kennis en wetenschap, als beweging sinds de 18e eeuw
ketterij: afwijken van alles dat rechtzinnig is
occult: in het verborgene plaatsvindend
metafysica: wetenschap die zich richt op dat wat buiten de materile wereld ligt
spiritisme: geloof in een persoonlijk voortbestaan na de dood
bollandisme: Bollands eigen interpretatie van de filosofie van Hegel, ook wel 'hegelarij'
positivisme: wetenschapsopvatting die uitgaat van louter objectief waarneembare feiten
empirisme: betrouwbare kennis verkrijgen we slechts uit ervaringen en experimenten en niet uit speculaties
determinisme: opvatting dat alles wordt bepaald door God of Natuur; ontkenning van een vrije wil
spinozisme: de filosofie van Spinoza, kort samengevat als 'deus sive natura': God = Natuur
pantheïsme: God, kosmos, wereld, natuur en mens zijn een, vormen een ongedeelde eenheid
monisme: ontkenning van de schepping, alles bestaat in zichzelf in een geweldige kringloop
theosofie: mystieke, vooral Indiase wijsheid, aangepast aan het westerse denken
Parkerisme: Theodore Parker's militante christen-socialisme, vooral populair in de VS na de burgeroorlog
utilitarisme: opvatting dat de oorsprong van alle zedelijkheid ligt in nuttigheidsoverwegingen
hermetisch: volkomen gesloten, ondoordringbaar
heterodoxie: afwijken van rechtzinnigheid
orthodoxie: rechtzinnigheid