Naar archief

UIT: Ravage #207 van 5 april 1996      

Spelen in onzekerheid  

Het einde van de verzorgingsstaat 

Het verzet tegen de afbraak van de verzorgingsstaat is in linkse kringen groot. De voorwaarden waaronder dit nu gebeurt, hebben immers desastreuze gevolgen voor het dagelijks leven van vele mensen. Toch zouden we in plaats van krampachtig te streven naar behoud eens kunnen nadenken over een 'gelukkig' einde van de verzorgingsstaat. Wellicht biedt dit uitzicht op een 'onzeker' maar vrijer leven. 

De verzorgingsstaat staat de laatste jaren in geheel Europa onder druk. In Nederland wordt het sociale zekerheidsstelsel langzaam maar zeker ontmanteld. De bijstandswet is zodanig gemoderniseerd dat de arbeidsplicht de hoogste prioriteit heeft en de dekking van risico's die samenhangen met arbeid worden in toenemende mate overgelaten aan de vrije markt. Voor sociale voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en rechtsbijstand worden de eigen bijdragen verhoogd, de toegang beperkt en 'illegalen' zelfs uitgesloten. Het stelsel van voorzieningen en verzekeringen, dat zo bepalend is geweest voor het dagelijks leven van velen, gaat hiermee een grimmig einde tegemoet.  

Anarchisten zouden als verklaard tegenstander van de staat deze ontwikkelingen misschien moeten toejuichen, een afbraak van de verzorgingsstaat maakt immers de weg vrij voor een andere organisatie van maatschappelijk leven. Helaas, zo constateerde André Bons onlangs in zijn door de Vrije Socialist georganiseerde lezing over de verzorgingsstaat, komt er vanuit libertaire hoek gejuich nog instemming, het is er zelfs oorverdovend stil. 

Volgens Bons is dit niet terecht en een gemiste kans daar het anarchisme na de implosie van het marxisme het enig overgebleven fundamentele alternatief is voor het neoliberalisme. Alle andere maatschappelijke ideologische stromingen zoals de sociaal-democraten, de communitarians of het politieke midden en zelfs GroenLinks en feministen hebben zich inmiddels al bij de hegemonie van de vrije markt neergelegd.  

Bovendien hebben het anarchisme en liberalisme een zekere historische verwantschap. Zij delen immers de afkeer van de staat en het streven naar vrijheid. Dat de verzorgingsstaat niet langer houdbaar is, staat volgens André Bons buiten kijf. Voor korte tijd kon ze de illusie in stand houden dat er zoiets als een kapitalistische markteconomie met een menselijk gezicht kan bestaan. Nu blijkt dat dit vooral mogelijk was over de ruggen van grote delen van de wereldbevolking en ten koste van de natuur.  

De verzorgingsstaat dient dan ook te worden afgeschaft. Alleen niet op de grimmige wijze zoals nu dreigt te gebeuren, maar op een 'beschaafde en fatsoenlijke' wijze. Daartoe dienen libertairen een aantal nieuwe invalshoeken aan te dragen die het debat over de verzorgingsstaat een andere wending kunnen geven.  

In het onlangs verschenen Het gelukkige einde van de verzorgingsstaat, dat André Bons samen met Raf Janssen schreef, wordt onderzocht wat zo'n libertaire of sociaal-ecologische visie zou kunnen inhouden. Maar er zijn, zo zal blijken, wel meer libertaire visies mogelijk.  

Afhankelijkheid 

Volgens Bons & Janssen moet ten eerste het nastreven van individuele economische onafhankelijkheid overboord worden gezet. Zelfs de meeste neoliberale denkers lijken niet te kunnen ontsnappen aan situaties waar mensen toch weer wederzijds van elkaar afhankelijk zijn, als is het maar in negatieve zin. Daarom stellen Bons & Janssen voor de maatschappelijke afhankelijkheid nu eens tot uitgangspunt van ons denken en doen te nemen.  

Dit wijst ons naar de weg van het delen in plaats van het groeien. Bovendien vraagt het begrip afhankelijkheid om persoonlijke en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Zo kan aansluiting worden gezocht bij de neoliberale afkeer van de staat, maar dan op een consequente manier. Namelijk door te onderzoeken hoe groepen en individuen de beslissingsmacht over het eigen leven terug kunnen krijgen, zodat zij hun activiteiten kunnen bevrijden van anonieme machten die hun handelen inperken. 

Het is de vraag of je hiervoor zoveel nadruk moet leggen op afhankelijkheid. Je zou ook kunnen kiezen voor een andere invulling van het begrip economische zelfstandigheid waarbij alle leden van een bepaalde gemeenschap (die niet noodzakelijk, of eigenlijk helemaal niet, samenvalt met de huidige nationale staat) een individueel inclusief recht op eigendom krijgen: een recht om niet van het gebruik en beheer van de in een maatschappij aanwezige middelen te kunnen worden uitgesloten. (Dit staat tegenover het particulier eigendomsrecht, dat een recht is om mensen uit te sluiten.)  

Juist dit recht is met opkomst van de markteconomie stelselmatig vernietigd, omdat het het ontstaan van een markteconomie onmogelijk maakt. (Hoe kun je iets verkopen als de ander er toch al een recht op heeft?) Door de sociale voorzieningen hebben mensen wel weer een gedeeltelijk recht teruggekregen, om niet van voorzieningen als onderwijs, gezondheidszorg en woningen te worden uitgesloten. Maar dit is slechts een recht op gebruik, ze hebben er verder weinig over te zeggen en zijn dus op geen enkele wijze verantwoordelijk.(*)  

Morele economie 

Dit inclusieve recht op eigendom kan ook weer uitzicht bieden op een morele economie, welke met de opkomst van het kapitalisme in het gedrang is gekomen. In alle voorkapitalistische samenlevingen was de productie en distributie georganiseerd binnen een geheel van sociale, politieke en religieuze instituties en niet verbonden met specifieke economische belangen. In plaats van de abstracte marktwetten reguleerden sociale verhoudingen en normen de productie en verdeling van goederen.  

Ook Bons & Janssen bepleiten een 'moralisering' van de economie. Niet het individu moet aangesproken worden op zijn normen en waarden, zoals tegenwoordig gebruikelijk is, maar de maatschappelijke productie moet weer ondergeschikt worden gemaakt aan ethische normen. De verslechterde kwaliteit van arbeid, de vernietiging van het leefmilieu; aan dit alles moet een einde worden gemaakt.  

Dit kan volgens Bons & Jans¬sen slechts door een ecologische economie die doordrongen is van het feit dat met economische activiteiten altijd natuur wordt gemaakt en getransformeerd. Dit schept voor producent en consument een verantwoordelijkheid waar we niet aan kunnen ontsnappen. Omdat we die verantwoordelijkheid moeten kunnen overzien is de morele economie noodzakelijkerwijs georganiseerd rond het lokale en regionale niveau.  

Hier is voorzichtigheid geboden. Een morele economie levert echter niet vanzelfsprekend een vrije samenleving op. Ook in een autoritaire samenleving is een morele economie mogelijk. De Atheense stadstaat, vaak geprezen om haar democratie, kende ook en morele economie. In de praktijk betekende dit dat vrouwen en slaven het werk opknapten zodat de mannelijke burgers 'vrij' waren om in de polis te delibereren.  

Daarnaast sluit een morele economie het bestaan van markten niet uit. In vrijwel alle samenlevingen met een morele economie was ook plaats voor markten waarop 'overtollige' goederen werden verhandeld, alleen waren deze altijd omgeven met een heel scala aan beperkingen en regels die moesten voorkomen dat het 'marktmechanisme' haar werk kon doen. Niet de wetten van vraag en aanbod, maar dat wat men 'rechtvaardig' vond, bepaalde de prijs. 

Deze beperkte markten zijn ook nooit verdwenen. In Derde Wereld-landen, het voormalige Oostblok, maar ook in het westen (denk aan de vlooienmarkten) nemen ze zelfs weer in omvang toe. Ze vervullen een belangrijke rol in het dagelijks 'overleven' van veel mensen. Deze markten vormen een plek waar mensen samenkomen om te kletsen, contacten te leggen en te ruilen. Ze vormen één van de 'vluchtroutes' voor mensen uit de 'formele' economie die hen weinig tot niets te bieden heeft.  

Bons & Janssen hopen echter dat mensen in de toekomst meer gaan delen. Maar volgens mij wordt er al op grote schaal gedeeld. Iedereen verricht in het dagelijks leven talloze handelingen waardoor hij anderen iets geeft, alleen rekent men deze handelingen niet tot de economie. Deze vormen samen met de 'zwarte' markten, Lets-groepen, voedselcoöops en andere 'informele' initiatieven nu al een alternatief voor de markteconomie.  

Werk 

Een voorbeeld van zo'n dagelijkse handeling is de dagelijks zorgarbeid die voornamelijk door vrouwen wordt verricht. Bons & Janssen stellen deze 'bewarende' arbeid tegenover de vaak 'destructieve' loonarbeid. 'De zorgarbeid is concreet, productief, niet vervreemdend en de enige die essentieel is voor het voortbestaan van de samenleving', stelt Bons. 'In plaats van een defensieve strijd te voeren voor een aparte status voor zorgarbeid te midden van de abstracte (overtollige) loonarbeid, zouden libertairen zich niet minder tot doel moeten stellen dan alle arbeid het karakter van zorgarbeid te geven: niet op winst gericht, ruimte biedend voor samenwerking, voor zintuigelijkheid, voor eigen ritmes, voor emotionaliteit.'   

Een lofwaardig streven, lijkt me. Het is alleen jammer dat Bons uit de stelling dat zorgarbeid de enige arbeid is die essentieel is voor het voortbestaan van de samenleving, niet een voor de hand liggende conclusie trekt, namelijk dat alle loonarbeid altijd al overbodig is geweest. Waarom dan niet meteen pleiten voor de afschaffing ervan? Hiermee beoog ik niet een socialistische revolutie waardoor loonarbeiders de productiemiddelen in handen krijgen zodat ze in opdracht van zichzelf kunnen doorwerken. Nee, het werk zelf is overbodig en hoeft dus ook niet georganiseerd te worden.  

Op zich is dit helemaal niet zo'n controversieel voorstel. Zoals Bob Black in zijn essay De afschaffing van het werk (1988) al aangaf, zijn veel mensen hun werk nu al zat. Ziekmeldingen, verloop, diefstal, sabotage en plichtsverzuim zijn aan de orde van de dag. Toch lijken ook deze werkers er, evenals hun bazen, zelf van overtuigd dat het werk gedaan moet worden.  

Onzin, een steeds kleiner wordend gedeelte van de hoeveelheid werk is nodig om onze minimale behoefte aan voedsel, kleding en onderdak te vervullen. De rest van het werk is vooral nuttig voor degenen die aan de macht zijn. De loonarbeid is immers vooral een manier om de openbare orde te handhaven. Daarom mag je ook niet naar huis als je klaar bent - het houdt je van de straat.  

Omdat het meeste werk slechts dit laatste doel dient, kunnen we het maar beter afschafen en vervangen door andere bezigheden. Het overblijvende nuttige werk kan worden verricht als een spel of een kunst, op dezelfde manier als we nu in onze vrije tijd bezig zijn.  

Post-schaarste 

Janssen & Bons zullen dit pleidooi wellicht ondersteunen, maar mij tegenwerpen dat het daar nog iets te vroeg voor is. Volgens hen kan alleen een 'rationele cologische economie' een welvaart genereren waarin productieve arbeid niet langer een last is maar een genoegen. Deze ecologische economie is er nog niet, hoewel de voorwaarden daartoe volgens hen allang aanwezig zijn; de situatie van schaarste is voorbij.  

Nu ben ik daar ook van overtuigd, alleen betwist ik dat de voorwaarden hiervoor van technische aard zouden zijn. Antropologisch onderzoek van onder andere Marshall Sahlins en Richard Borshay Lee heeft aangetoond dat traditionele jager- en verzamelaars­samenlevingen geen schaarste kenden. Ook in de 20ste eeuw weigerde de Aboriginals of de !Kung Bushmen (of San, zoals ze zich zelf noemen) nog landbouw te bedrijven. 'Waarom zouden we al die moeite doen om te planten' vroeg Lee's informant Xashe, 'als er zoveel eetbare planten in de wereld zijn?'  

Inderdaad, waarom? Het leidt alleen maar tot meer werk. Lee berekende dat een San-volwassene gemiddeld 2,5 uur per dag werkt om in zijn behoefte te voorzien. Wanneer we dit vergelijken met een door technologische ontwikkeling gezegende Engelsman: in 1495 werkte deze gemiddeld 10 uur om in zijn levensbehoefte te voorzien, in 1546 al 20, in 1648, 48 en in 1726, 52 uur!   

Geen wonder dat 'De droom van het rijk van de vrijheid al oud is', zoals Janssen & Bons opmerken. 'Maar', zo voegen zij er aan toe, 'het realisme schreef voor dat we eerst zouden verkeren in het rijk van de noodzaak waar we met gedisciplineerde arbeid ons dagelijks brood moeten verdienen. Voor het binnengaan van het rijk van de vrijheid moesten voorwaarden worden vervuld, die vooral van technische aard waren.'  

Pardon, welk realisme? Het realisme van de kapitalist toch zeker? (én zijn marxistische criticus, laten we die vooral niet vergeten). In zowel het liberale als marxistische denken gaat men ervan uit dat de natuur op zich de mens niet genoeg te bieden heeft en daarom met steeds geavanceerdere technieken moet worden bewerkt om steeds meer te produceren en tot ieders verbazing steeds meer 'schaarste' te creëren. Bij elke nieuwe technische vinding wordt ons uitzicht geboden op een overvloedig en vooral ook 'arbeidsloos' leven.  

In werkelijkheid is vanaf het moment dat het zoeken naar voedsel werd vervangen door landbouw en industrie de hoeveelheid werk alleen maar toegenomen. Elke technologische vinding van landbouw tot stoommachine en van robot tot comuter heeft er alleen maar toe geleid dat er werk werd verplaatst van 'producerende' functies naar 'toezichthoudende' functies. Nieuwe technologieën brengen meestal ook nieuwe manieren van controle en disciplinering met zich mee - tot minder werk leiden ze zelden. Integendeel, de postmoderne cyborg is aangesloten op Internet, fax en mobiele telefoon 24 uur per dag aan het werk.  

Postmodern 

De vooruitgang heeft ons dus vooral voortgang opgeleverd: meer van hetzelfde en niet noodzakelijk beter. Ook Bons & Janssen vinden het daarom tijd voor iets radicaal anders. Helaas, de tijd van de utopieë lijkt voorbij. Idealen als zodanig zijn verdacht, grote verhalen worden niet meer verteld, het postmodernistisch relativisme regeert.  

Volgens André Bons moeten libertairen niet in deze valkuil van het postmodernisme trappen: 'Ook binnen het anarchisme ontwikkelt zich een postmodernistische opvatting die sterk individualistisch is gericht. Deze kan uitlopen op een zelfgenoegzaamheid, waarin het lifestyle-gerichte zoeken naar verwerkelijking van de tijdelijke autonome zone het sociale engagement van het anarchisme zou kunnen vervangen. Dit anarchisme versterkt individualisering, marktwerking en warenfetisjisme en heeft weinig ruimte voor de ecologische kwestie.'  

De laatste jaren is vanuit diverse hoeken inderdaad een aanzet gegeven tot een postmoderne verwerking van het anarchisme. Zo is er eind vorig jaar nog een dubbel¬nummer van het theoretisch anarchistisch tijdschrift De AS (#109/110) aan gewijd. Hierin werd overigens door geen enkele auteur gepleit voor een postmodern anarchisme, maar slechts onderzocht in hoeverre de postmoderne kritiek ook het anarchisme betrof. Blijkbaar weet men zich in 'modern' anarchistische kringen geen raad met deze 'opfrisbeurt', want tot nu toe werd er niet op gereageerd.  

In plaats daarvan liet men de Amerikaan Murray Bookchin de hete kolen uit het vuur halen. In het onlangs verschenen Tweede Jaar¬boek Anarchisme dient hij deze 'postmodernen' dan ook ongezouten van kritiek. Voor het gemak brengt hij daartoe een heterodox geheel van verfrissende libertaire ideeën onder de noemer van een postmodern anarchisme om ze vervolgens allemaal tegelijk in de vuilnisbak te kun¬en kieperen. Ook Bons, die zijn opmerking volgens de bronvermelding op Bookchin baseert, gooit voor het gemak alles op de grote hoop.  

Het posmoderne levensgevoel, waarin het consumeren van lifestyles centraal staat, heeft inderdaad niets met anarchisme te maken. Maar de verwerkelijking van de tijdelijke autonome zone, die hij hierin ook noemt, is juist tegen dit alles gericht. Het idee van de tijdelijke autonome zone komt voort uit het besef dat ons leven in de post-industriële maatschappij bemiddeld wordt door goederen en beelden. Hierdoor zijn we niet alleen vervreemd van onze arbeid, maar ook van onze behoeften, wensen, verlangens en als we straks allemaal naar cyberspace emigreren, ook nog van ons lichaam.  

Uit het besef dat de markt en de media elke handeling, idee, wens, verlangen, actie, theorie, droom, fantasie, etc. van ons overnemen op het moment dat we hem in de openbaarheid brengen en vervolgens aan ons terugverkopen als consumptiegoed, lifestyle, videoclip of reclameslogan, is de behoefte ontstaan aan tijdelijke of, indien mogelijk, permanente autonome zones. Alleen op deze plaatsen kunnen we nog controle behouden over ons eigen leven.  

De tijdelijke autonome zone (TAZ) is dus juist een poging om te ontkomen aan het consumeren en de aangereikte lifestyles; daarvoor in de plaats wordt eigen¬handig met elkaar op creatieve wijze vorm gegeven aan het dagelijks leven. Misschien dat het begrip tijdelijke autonome zones voor verwarring heeft gezorgd, maar in feite vervullen bladencircuits, leesgroepen, kookclubjes, bands, de Pinksterlanddagen, bulletinboards, ateliercollectieven, zelfbeherende verenigingen en LETS-groepen vergelijkbare functies. Kortom, zonder tijdelijke of zelfs permanente autonome zones zou er van een anarchistische beweging geen sprake zijn.  

Het is dan ook opmerkelijk dat Bons zich hier tegen afzet. Juist de uitbouw van dit soort zones zou er voor kunnen zorgen dat steeds minder mensen afhankelijk worden van de verzorgingsstaat, zodat ze misschien tenslotte overbodig zal worden. Als dat geen vrolijk einde is...  

Overigens is het sociaal engagement hier helemaal niet verdwenen, maar is er een besef dat dit betrokken voelen bij de ander zich niet laat bemiddelen door regels, wetten, instituties of een bureaucratische moloch als de verzorgingsstaat. In plaats van deze 'met geweld afgedwongen' vormen van solidariteit vertrouwen we op vrijwillige betrokkenheid. Getuige de vredesgroepen die naar Joegoslavië afreizen, de vele mensen die vluchtelingen hulp en onderdak verschaffen, die spullen inzamelen om elders een vrije radio op te zetten, etc. hoeven we ons daar ook niet zo druk over te maken.  

Vrijheid 

Rest nog het verwijt dat in dit anarchisme weinig ruimte is voor de ecologische kwestie. Volgens Bons & Janssen moet de sociaal ecologische samenleving gebaseerd zijn op de vrije< natuur. In dit Murray Bookchin ontwikkelde begrip, wordt de scheiding tussen natuur en arbeid overwonnen. De scheiding tussen de niet-menselijke natuur en de door mensen geschapen natuur moet worden opgeheven. Daarvoor is het nodig dat de mens zich niet langer vijandig opstelt tegenover de eerste (niet-menselijke) natuur, maar haar verantwoordelijkheid neemt. 

Kortom: de mens, samenleving en natuur moeten zich niet langer tegenover elkaar opstellen maar zich één voelen. In dit holistische uitgangspunt ligt wat Bons & Janssen betreft de te ontginnen weg naar het gelukkige einde van de verzorgingsstaat. Dit één worden van mens en natuur wordt echter ook nagestreefd door de 'neoprimitieven', 'postsitu's', 'zenarchisten', 'neohippies' en andere volgens Bookchin 'postmoderne' anarchisten.  

Alleen leeft bij velen het idee dat dit tevens vereist dat we de 'ketenen' van de beschaving van ons af werpen en de 'wildernis' weer toelaten. Want evenals de 'schaarse' natuur is, zoals Feraul Faun terecht opmerkte in zijn essay Natuurspektakel: Het beeld van de Wildernis vs. Wildheid het concept van een gevaarlijke wildernis een ideologische constructie, 'een middel om ons te domesticeren en onze wildere uitingen te onderdrukken en kanaliseren'.  

Terwijl Bookchin's ecologische ethiek ons stelt voor de vraag in welke mate we uitdrukking weten te geven aan een 'diepgeworteld streven in de evolutie in de richting van zelfbewustheid en vrijheid', zal het afwerpen van de huidige visie op de wildernis een 'sluimerende individuele vrije geestelijkheid' doen ontwaken die elk moment tot uitbarsting kan komen en door de grenzen van de civilisatie heen kan breken.  

Wanneer we deze individuele vrije geestelijkheid weten te verbinden met het besef dat we niet langer noodzakelijk technologieën nodig hebben om te overleven, we alle arbeid kunnen vervangen door het productieve spel en ons denken en doen niet langer laten bepalen door prefab goederen, denkbeelden en lifestyles, ontstaat er uitzicht op iets wat nu eens werkelijk anders is. We zouden het op z'n minst eens kunnen proberen.  

Freek Kallenberg   

Noot:

Zie voor een uitvoerige uiteenzetting van dit idee, het artikel 'Pleidooi voor een individueel recht op eigendom' in het Eerste Jaarboek Anarchisme (1994).

Het gelukkige einde van de verzorgingsstaat is een uitgave van het Centrum voor Innovatie en Sociale Ontwikkeling.