Naar archief

UIT: Ravage #204 van 23 februari 1996

Freeport: de vervuiler van west-papua

De gijzelingsactie in West-Papua zorgt voor veel publiciteit over de Papua's en de repressie door Indonesië. Minder duidelijk is de rol die de multinational Freeport International Indonesia op West-Papua speelt. Deze mijnbouwgigant bedreigt het voortbestaan van de inheemse bevolking en lijkt medeschuldig aan een aantal moorden en verdwijningen van leden van de bevrijdingsbeweging OPM.

Freeport International Indonesia is een dochteronderneming van Freeport McMoran Copper and Gold Corporation uit New Orleans in de Verenigde Staten. Het bedrijf beheert een enorme koper-, goud- en zilvermijn in de ruige Grasbergen op West-Papua (door de Indonesische regering na de annexatie Irian Jaya genoemd). De mijn bevindt zich op het land van de Amungme en Komoro volken, bij de plaats Tembagapura, die speciaal gebouwd is voor het personeel van de mijn.

In 1991 tekende Freeport een nieuw contract met Indonesië waardoor zij 2.5 miljoen hectare (even groot als de Beneluxlanden) toevoegde aan het consessiegebied. De voorzitter van Freeport McMoRan, James R. Moffett, liet eind vorig jaar aan een Australische krant weten dat Irian Jaya slechts het begin vormde. "Het mogelijke wordt alleen begrensd door wat voor te stellen is", zei hij. "Alle andere mijnbouwbedrijven willen naar Irian Jaya. Bougainville en Ok Tedi (andere mijnbouwconsessies) zijn niets vergeleken bij Grasberg".

Kelly Kwalik, de leider van de gewapende bevrijdingsbeweging OPM, (Organisasi Papua Merdeka) en tevens leider van de Amungme, liet weten erg bezorgd te zijn over de nieuwe concessie. Het gebied bevat het centrale gebergte dat zich uitstrekt van de Weylandbergen in het westen tot de Starbergen in het oosten bij de grens met Papua Nieuw Guinea. Als hier mijnen komen, zal dit het leven van duizenden inheemse mensen verwoesten, het milieu en de inheemse cultuur vernietigen en veel mensen zullen door de Indonesische overheid naar andere gebieden gedeporteerd worden.

De Amungme leider wees verder op de problemen van de Amungme en de Komoro die sinds 1967 door Freeport al ruim 10 duizend hectare van hun land hebben verloren zonder enige compensatie. Zonder toestemming worden de grondstoffen op heilige plaatsen uit de grond gehaald en het milieu ernstig vervuild. De Amungme geloven dat na hun dood hun geest naar de bergen gaat. Daarom zijn de bergen heilig.

Volgens de inheemse ouderen valt hun gemeenschap door de aanwezigheid van Freeport steeds meer uit elkaar. Veel mensen zijn verslaafd aan alcohol en tabak. Het levenspeil is laag en de werkloosheid hoog. Slechts 13 procent van alle werknemers van Freeport zijn afkomstig uit West-Papua. Door de mijn zijn de oude vormen van werkgelegenheid verdwenen.

Verzet

Toen de mijn in 1967 startte, werd van de Amungme en de Komoro land onteigend, twee jaar voor de zogenaamde 'Act of Free Choice' welke West Papua aan Indonesië verbond als 26ste provincie onder de naam Irian Jaya. Deze door de Verenigde Naties geleide annexatie van West-Papua door Indonesië, wordt door veel mensen op West-Papua ervaren als een groot onrecht. Het leidde tot de gewapende bevrijdingsbeweging OPM, die strijdt voor onafhankelijkheid.

In 1994 en 1995 vonden voor het eerst weer grote acties tegen Freeport plaats sinds in 1977 de Amungme en OPM-strijders een pijpleiding van de Freeportmijn naar de kust opbliezen. Na deze actie bombardeerde het Indonesische leger Amungme dorpen en werden hele gemeenschappen in concentratiekampen bij de kust ondergebracht. Vermoedelijk probeerde het leger door de moord op duizenden lokale mensen en intimidatie de verzetsbeweging te vernietigen.

Desondanks hervatte de OPM in 1994 haar protesten na het ondertekenen door Freeport van de overeenkomst om hun goud- en koper-zoekactiviteiten uit te breiden. Van juli tot december vonden er in de Tsinga vallei diverse schermutselingen plaats tussen de OPM en het leger. Daarbij werden burgers vermoord en zijn ruim honderd families het oerwoud ingevlucht. De dorpelingen werden slachtoffer van zoekacties van het leger. Hun huizen werden afgebrand en tuinen en akkergronden vernield.

In september 1995 verscheen een rapport van de Australian Council for Overseas Aid (ACFOA), samengesteld door de bisschop van Jayapura in West-Papua, Munninghof, waarin vastgesteld werd dat de voertuigen en kantoren van de mijnbouwmultinational Freeport gebruikt zijn om inheemse leiders te vervoeren, martelen en te vermoorden. Deze leiders werden door hen beschuldigd van rebellie tegen Indonesië. Volgens de Australian Council for Overseas Aid zijn het leger en de veiligheidsdienst van Freeport beiden schuldig aan intimidatie, het afdwingen van bekentenissen en het neerschieten en verdwijnen van burgers. De opstand in Tsinga in 1994 en die tijdens kerstmis dat jaar resulteerde in minstens 37 doden en/of verdwijningen waarvan 22 burgers en 15 OPM-leden.

De Indonesische overheid heeft naar aanleiding van de rapporten een onderzoeksteam van de Nationale Commissie voor Mensenrechten naar West-Papua gestuurd. Deze commissie, meestal niet serieus genomen door de Indonesische overheid, werd in het buitenland alom geprezen voor een rapport in 1995 dat stelt dat het Indonesische leger betrokken was bij verschillende moorden in Oost-Timor. Clementino dos Reis Amaral, een lid van de commissie, vertelde de pers dat hij overtuigd is dat de rapporten van ACFOA waar zijn, maar dat nog niemand heeft bevestigd dat de veiligheidsdienst van Freeport erbij betrokken was.

Woordvoerders van Freeport zeggen dat niemand van hun personeelsleden betrokken was bij de incidenten. Ze weigeren commentaar te geven op de beschuldigingen betrokken te zijn bij martelingen door het Indonesische leger. "Freeport werkt onder de wetten van het gastland en respecteert de jurisdictie van het leger, dat verantwoordelijk is voor de veiligheid van zijn mensen" zei een Freeport woordvoerder in een verklaring. Indonesische bronnen zeggen dat de lokale mensen weinig verschil zien tussen het Indonesische leger en de Freeport veiligheidsdienst. De Tembagapura-mijn wordt zowel door het leger als de veiligheidsdienst bewaakt.

Milieuvervuiling

Talloze rapporten verklaren dat Freeport schuldig is aan de vernietiging van het milieu in grote gebieden. "De dumping van afval uit de mijnen in de rivieren heeft overstromingen veroorzaakt, verlegging van de rivierbeddingen, verwoesting van de sago bossen en de Inheemse jachtgronden", aldus Emmy Hafield van WALHI, de Indonesische Friends of the Earth in Jakarta. De Ajikwa rivier is erg verontreinigd door de mijn.

Freeport autoriteiten waarschuwden mensen uit het dorp Kwamkilama het rivierwater niet te drinken of de sago die naast de rivier groeit te eten. WALHI is bezig met een rechtszaak tegen de overheid. Zij stelt dat die de nationale milieuwetten aan haar laars lapte toen zij Freeport toestemming gaf de mijnen te exploiteren. Bij het Environmental Protection Agency in de VS staat de Freeportmijn te boek als het bedrijf dat de grootste hoeveelheid toxische chemicaliën toelaat van welke industrie dan ook.

Begin november 1995 werd, na verschillende rapporten die massale milieuvernietiging en moord op lokale mensen bevestigen, de "politieke risico verzekering" van 100 miljoen dollar voor Freeport bij de Amerikaanse Overseas Private Investment Corporation' (OPIC) ingetrokken. De OPIC dekking was in 1990 voor twintig jaar afgesloten om het bedrijf te verzekeren tegen terroristische aanslagen, sabotage of politieke onbestendigheden.

De Wereldbank, die in 1990 een 50 miljoen dollar polis voor politieke risico's voor dezelfde mijn afgesloten heeft, is door mensenrechten- en milieugroepen opgeroepen hetzelfde te doen. Freeport is woedend: "Freeport gelooft dat OPIC elke legale grond mist om de dekking op te zeggen en daarom zou de dekking effectief blijven. Het besluit om het op te zeggen ligt nu bij de rechter'' zei Greg Probst, Freeport's officiële woordvoerder.

OPIC woordvoerster Rosen vertelde het Derdewereld persbureau IPS dat OPIC periodiek projecten evalueert. "Projecten die wij verzekeren moeten economisch rendabel zijn, mogen geen negatief effect hebben op economie van de VS, moeten de rechten van de arbeiders respecteren en voldoen aan milieu-eisen", aldus Rosen.

De OPIC-beslissing werd aangevochten door machtige lobbyisten in Washington. Henry Kissinger, ex-minister van buitenlandse zaken onder Richard Nixon en Gerald Ford, belde volgens de Los Angeles Times flink in het rond om de opzegging te voorkomen. Volgens deze krant kreeg Kissinger's adviesbedrijf 600 duizend dollar van Freeport in 1994. Suharto vroeg begin november 1995 aan Clinton om persoonlijk in deze zaak te bemiddelen toen hij hem ontmoette in het Witte Huis. Clinton weigerde.

Carla van den Bos

Bronnen: diverse Internet nieuwsgroepen, EarthWINS Daily (Mining-Exchange News & Information Service), NativeList en vele krantenknipsels.

Carla van den Bosch is werkzaam bij De Ekster en De Olifant, documentatiecentrum over Inheemse volken in Wageningen.

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1996