UIT: Ravage #204 van 23 februari 1996
Aanslag bewijst noodzaak onderhandelingen
De bom die op vrijdag 9 februari in Londen ontplofte, maakte met één klap een einde aan de illusie dat de wapens in Noord-Ierland definitief tot zwijgen waren gebracht en dat het nog slechts een kwestie van tijd zou zijn voor er een definitieve oplossing zou komen voor een probleem dat de Britten in 1921 geschapen hebben toen de unionistische minderheid in Ierland een eigen staatje kreeg in het noordoosten van Ierland in de vorm van een autonome provincie van het Verenigd Koninkrijk.
De explosie is de prijs die de Britse regering betaalt voor haar weifelende en treuzelende houding na het door het IRA afgekondigde bestand van augustus 1994 en de door de beide nationalistische partijen in Noord-Ierland - de gematigde Social Democratic and Labour Party (SDLP) en het radicale Sinn Féin- geïnitieerde vredesstrategie.
John Major speculeerde erop dat het IRA geen terugkeer naar de gewapende strijd aan zou durven uit angst daarmee de sympathie van de Noordierse bevolking - ook onder haar eigen aanhangers - te verspelen die na 25 jaar oorlogsleed het geweld meer dan moe was. En hoe langer de wapenstilstand zou duren, des te hoger zou de prijs worden die betaald zou moeten worden door degene die de euvele moed zou hebben het bestand op te blazen.
Het heeft de regering Major al die tijd ontbroken aan de politieke wil om daadwerkelijk een oplossing te forceren. Het herhaaldelijk op de lange baan schuiven van rechtstreekse onderhandelingen tussen alle partijen is daarvan het meest in het oog springende aspect. Maar ook tal van andere hete hangijzers zijn tot op heden niet aangepakt: vrijlating van alle politieke gevangenen, radicale hervorming van de in nationalistische ogen onacceptabele Noordierse politie (de RUC), afschaffing van de repressieve wetgeving, hervorming van het rechtssysteem. Anderhalf jaar na dato is met dit alles nog steeds geen begin gemaakt en is het vooral de conservatieve regering die de blaam treft een uitgelezen kans op een blijvende vrede te hebben verkwanseld.
Het is dan ook vooral de Britse regering die profiteerde van de wapenstilstand. Het waren immers de bommen in Groot-Brittannië - en vooral in het financieel-economische hart van Londen - die de regering ertoe hadden bewogen de republikeinen een plaats aan de onderhandelingstafel in het vooruitzicht te stellen als het IRA de wapens zou neerleggen.
De enorme bedragen die gemoeid waren met de verwoesting van prestigieuze kantoor- en bankgebouwen en de ontregeling van het economische leven in de Britse hoofdstad wogen niet langer op tegen het al te lang gehandhaafde politieke credo dat met terroristen niet onderhandeld kon worden. Een credo dat overigens nimmer gegolden heeft voor 'terroristen' die wat verder weg opereerden, in Palestina, Kenia of Zimbabwe.
Gewiekst
Major speculeerde erop dat de wapenstilstand niet verbroken zou worden en dacht op die manier goedkoop van het probleem af te zijn. Op politiek niveau bezit het Britse establishment nog altijd voldoende gewiekstheid om ook ditmaal de rebelse Ieren in de luren te leggen en net als in 1921 het effect van hun verdeel-en-heers politiek te optimaliseren. Vanaf het moment dat het bestand werd afgekondigd, startte zij een serie vertragingstactieken om de voorgespiegelde onderhandelingen, waarbij alle partijen vertegenwoordigd zouden zijn, zo lang mogelijk voor zich uit te schuiven.
Allereerst wilde men expliciet bevestigd zien dat het bestand permanent zou zijn, een term die niet in de verklaring van het IRA stond. Na twee maanden maakte Major de <MI>working assumption<D> dat het bestand als zodanig beschouwd mocht worden. Vervolgens kwam men met de irreële eis dat het IRA haar wapens diende in te leveren vooraleer Sinn Féin aan de onderhandelingstafel mocht aanschuiven. Een irreële eis omdat de republikeinen van meet af aan duidelijk hadden gemaakt dat daar geen sprake van kon zijn.
Het IRA beschouwde dat als een verkapte overgave, iets waarin het Britse leger in 25 jaar oorlog niet geslaagd was. Maanden later werd deze eis afgezwakt tot het inleveren van 'enige' wapens als blijk van goede wil. Het IRA hield wederom voet bij stuk. Om uit de door henzelf geschapen impasse te raken benoemde men eind november, samen met de Ierse regering, een internationale commissie, onder voorzitterschap van oud VS-senator George Mitchell. Deze commissie diende voor 1 februari een uitweg uit de wapenkwestie te bedenken zodat eind februari de zo lang verwachte rondetafelgesprekken konden beginnen.
Toen Mitchell op 24 januari zijn rapport presenteerde, was de belangrijkste aanbeveling dat het niet realistisch was om vast te houden aan de eis dat wapens ingeleverd moesten worden voor de start van onderhandelingen maar dat dit tijdens de besprekingen kon gebeuren. Nog diezelfde middag en nog voor de republikeinen kans hadden gezien hun (gerechtvaardigde) kritiek op het rapport te ventileren verwees Major het rapport naar de prullenmand en stelde voor verkiezingen te organiseren voor een Assemblee.
Het idee hiervoor was afkomstig van de Noordierse Ulster Unionist Party, in het Britse parlement vertegenwoordigd met negen afgevaardigden en van vitaal belang voor Major's parlementaire meerderheid. De diverse fracties in deze Assemblee zouden dan uit hun midden onderhandelingsdelegaties kunnen kiezen die over een agenda voor onderhandelingen zouden kunnen gaan praten. Een idee dat zowel door Sinn Féin, als door de SDLP als door de Ierse regering werd afgewezen.
Waarschijnlijk vormde deze stap van Major voor het IRA de befaamde druppel die de emmer met ongeduld deed overlopen. Het betekende het zoveelste uitstel van de door de republikeinen zo vurig gewenste alle partijen omvattende onderhandelingen. Het ongeduld over het uiterst trage tempo van het vredesproces is het afgelopen jaar herhaalde malen verwoord door vertegenwoordigers van nationalistische huize. Het is nu met een oorverdovende klap nog eens herhaald.
Verkiezingen
Het lijkt er overigens op dat die verkiezingen er toch komen. Major heeft zijn ideeën daaromtrent inmiddels aangescherpt en zowel de Ierse regering als de SDLP - tot voor kort fel tegenstander van een dergelijk plan - hebben hun kritiek afgezwakt en lijken de optie voor verkiezingen van een kortdurende Assemblee met een beperkt mandaat open te houden.
Deze verkiezingen zouden moeten leiden tot een 90 leden tellende Assemblee met als enige doelstelling het formeren van onderhandelingsdelegaties voor de echte onderhandelingen die dan ergens in de zomer zouden kunnen plaatsvinden. Deze delegaties zullen echter geen afspiegeling vormen van de sterkte van de partijen. Kleinere partijen - zoals Sinn Féin en de beide loyalistische partijen Progressive Unionist Party en Ulster Democratic Party, spreekbuis van loyalistische paramilitairen - zullen daarin een substantiële inbreng hebben.
De vraag die rijst is waarom er dan nog verkiezingen moeten plaatsvinden. Deze delegaties kunnen ook nu geformeerd worden. Alle betrokken partijen hebben al in meer of mindere mate gekozen vertegenwoordigers. Voor de republikeinen is erkenning van dit mandaat steeds een essentiële eis geweest en tot nog toe steeds verworpen door zowel de unionisten als de Britse regering.
De nu beoogde verkiezingen zullen bovendien het bestaande sektarisme in Noord-Ierland alleen maar bevestigen en versterken. Het enige agendapunt voor zulke verkiezingen is immers de houding ten opzichte van de politieke status quo: vóór of tegen de unie met Groot-Brittannië, vóór of tegen aansluiting bij, of nauwere banden met, de Republiek. Alle de religieus-politieke tegenstellingen overstijgende kwesties, waaronder uiterst dringende sociaal-economische vraagstukken (huisvesting, banen, discriminatie op de arbeidsmarkt) zullen niet aan de orde gesteld (kunnen) worden.
De Britse regering en de unionisten wijzen erop dat verkiezingen een uiterst democratisch mechanisme vormen: iedereen kan meebeslissen. Een lachwekkend argument in een gebied dat sinds haar afscheiding van de rest van Ierland in 1921 nimmer enige vorm van democratie gekend heeft, noch tussen 1921 en 1972 onder het bewind van de unionisten, noch sindsdien onder rechtstreeks bestuur van Londen. Verkiezingen dienen daarom plaats te vinden nadat een akkoord bereikt is, niet ervoor.
Of het opzeggen van het bestand door het IRA een wijze beslissing is geweest valt nog moeilijk te voorzien. Vooralsnog lijkt het erop dat slechts Groot-Brittannië zelf doelwit is van aanslagen en dat het geweld niet naar Noord-Ierland zal overslaan. Als dat wel gebeurt en ook de loyalistische paramilitairen weer bij de oorlog betrokken raken staat de bevolking van Noord-Ierland nog zware tijden te wachten. De noodzaak om op zo kort mogelijke termijn tot betekenisvolle onderhandelingen zonder voorwaarden vooraf over te gaan is dan ook nog nooit zo urgent geweest.
Antoon Seelen
Ierland Komitee Nederland