Naar archief

UIT: Ravage #202 van 26 januari 1996

Naar een Europees nucleair veiligheidsbeleid?

Chirac en Major hebben eindelijk openlijk aangekondigd nucleair samen te werken. Daarmee, en met het aanbod van de Franse president om haar kernmacht een meer Europese functie te geven, is de discussie geheel open met betrekking tot de wenselijkheid van een Europese kernmacht. De Duitse regering houdt de deur open, maar op parlementair niveau en in de straat staat men hier niet om te springen. In Nederland houden regering en parlement de deur naar een Europese kernmacht open.

Een motie van Groenlinks en de SP waarin een Europese kernmacht ongewenst wordt verklaard, is op 12 oktober door de paarse coalitie en het CDA verworpen. Door deze motie te verwerpen hebben de grote partijen de ontwikkelingen op het gebied van een Europees gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (Common Foreign and Security Policy, CFSP) niet vooraf willen beperken.

Voor het parlement is dit een gemiste kans. Immers door aan te geven wat de randvoorwaarden voor een CFSP zijn, kan een serieus signaal aan de internationale gemeenschap worden gegeven met betrekking tot de Nederlandse inspanningen op het gebied van (nucleaire) ontwapening, zoals bijvoorbeeld omschreven in het onlangs permanent gemaakte Non-Proliferatie Verdrag (NPV).

De aanwezigheid in Nederland van Amerikaanse kernwapens in NAVO verband staat op gespannen voet met datgene wat in het NPV staat beschreven in de artikelen 1 en 2. Voor deze kernwapens is nog aan te voeren, dat ten tijde van ondertekening van het NPV, door de Verenigde Staten en Nederland, die kernwapens al op Nederlandse bodem gestationeerd waren.

In deze optiek bevriest het NPV de situatie zoals die bestond, met de intentie om de onbalans ten tijde van afsluiten van het NPV weg te werken door te streven naar totale ontwapening. Kortom op termijn zou er uitzicht zijn op verwijdering van kernwapens van Nederlandse bodem en van het afzien van de Nederlandse overheid op invloed over het inzetten van kernwapens in NAVO verband.

Een poging om medezeggenschap te verwerven over de inzet van Franse (en Britse) kernwapens in Europees verband is eenvoudig een schending van artikel 1 en 2 van het NPV. Deze medezeggenschap is een nieuwe ontwikkeling en strijdig met letter en geest van het NPV. Immers artikel 1 verklaart dat geen van de erkende kernwapenstaten (waaronder Frankrijk) de directe of indirecte controle over kernwapens zal overdragen aan landen die geen kernwapens bezitten.

Kortom Frankrijk handelt tegen de letter en geest van het NPV met haar aanbod Europa te laten schuilen onder haar atoomparaplu. Artikel 2 werkt het boven genoemde uit voor niet-kernwapenlanden, dat betekent dat als Nederland op het aanbod van Frankrijk in gaat, het in strijd met artikel 2 van het NPV handelt.

Het is nogal naef om te veronderstellen dat door te schuilen onder de Franse atoomparaplu men (Nederland) mee kan praten over nucleaire ontwapening. De redenatie gaat als volgt: door mee te praten over de inzet van kernwapens kan men ook over het soort kernwapens en de hoeveelheid mee praten.

Dat laatste moet duidelijk ontzenuwd worden. De Amerikaanse kernwapens wijzen hier de weg. Die wapens zijn alleen inzetbaar als de Amerikaanse president dat goedkeurt, kortom als Amerikaanse belangen gediend worden. Verder zijn het de Verenigde Staten die onderhandeld hebben met de Sovjet-Unie over reductie van het aantal kernwapens en niet de NAVO! Datzelfde valt ook te verwachten voor een Franse atoomparaplu. Het is uiteindelijk de Franse president die de beslissing neemt over ontwikkeling en inzet van kernwapens en niet de Nederlandse overheid die 'schuilt' onder die paraplu. Hoezo gemeenschappelijke Europese belangen? Franse belangen worden gediend.

Door een Franse atoomparaplu niet duidelijk af te wijzen, nemen regering en parlement de afspraken uit het NPV niet serieus. Daarmee wordt de intentie van de Nederlandse overheid in twijfel getrokken als het gaat om naar (nucleaire) ontwapening streven.

Verder zal het duidelijk zijn dat Rusland zeker argwanend kijkt naar de ontwikkelingen binnen de Europese Unie. Het is daarom noodzakelijk dat de West Europese Unie, een van de mogelijke kandidaten voor de uitvoering van een Europees defensiebeleid, niet van een gemeenschappelijke nucleaire afschrikking wordt voorzien. Zo'n ontwikkeling draagt het gevaar van een nieuwe nucleaire bewapeningsronde met zich mee.

De Franse kernproef van 22 november vorig jaar laat zien hoe gevaarlijk het is om geen stelling te nemen tegen kernproeven en het vertrouwen op kernwapens voor 'verdediging'. Deze kernproef was bedoeld om computersimulaties mogelijk te maken, zodat als Frankrijk het, nog niet bestaande, kernproevenverbod ondertekend, het nog altijd de mogelijkheid heeft kernwapens te ontwikkelen.

Daarmee ondergraaft Frankrijk de doelstellingen van een kernproevenverbod en het Non-Proliferatie Verdrag, namelijk een beginnen met werkelijke nucleaire ontwapening. De Nederlandse regering en het parlement werken op dit moment aan dit ontwapeningsstreven niet mee en geven daarmee een kernproevenverbod een non-proliferatie doelstelling in plaats van een ontwapeningsdoelstelling.

Wat gebeurt er als het Nederlands parlement en de regering nee zouden zeggen tegen een Franse atoomparaplu? Aangenomen dat ons land serieus naar nucleaire ontwapening streeft, heeft het Nederlands beleid ineens een gezicht gekregen en kan Nederland nog altijd mee praten en denken. In Europees verband wordt dan duidelijk dat, voor Nederland, buitenlands beleid niet door kernwapens wordt gemaakt en dat de veiligheid van Europa en de wereld niet gediend wordt door een nieuwe nucleaire bewapeningsronde.

Dirk Jan Dullemond

De schrijver is secretaris van de Nederlandse Kernstop Coalitie. Dit stuk is op persoonlijke titel geschreven.

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1996