Naar archief

UIT: NN #198 van 1 december 1995††† † †

Het zwijgen van de stilstaande man

Documenten van de dadaÔstische triomftocht door Nederlandú

Begin 1923 ondernamen Theo en Nelly van Doesburg, Vilmos Huscŗr en Kurt Schwitters een dadaÔstische tournee door Nederland. Theo van Doesburg en Schwitters hielden voordrachten, Nelly, ook wel Petro, van Doesburg speelde piano en Huscŗr vertoonde een poppenspel. De Nederlandse kunstmin kende dada uit de verslagen van de chaotische happenings, waaraan jonge kunstenaars in de ZŁrichse Cabaret Voltaire in de periode 1915-1919 een eerst bedremmeld, daarna geamuseerd en tenslotte losgeslagen publiek blootstelden. Wakker Nederland volgde de internationale ontwikkelingen van dada (verhuizingen, vertakkingen) en bestudeerde met onbegrip de dadaÔstische theorie, die voornamelijk uit paradoxen en negatieve definities leek te bestaan. Je moest dada hebben ervaren om er iets van te kunnen begrijpen, zo leek het. En daarom was het Hollands welkom aan het kleine dadacircus van 1923 welgemeend warm. Er volgde een spektakel met bankroet na.

De wens tot uitgave van de 'documenten van de dadaÔstische triomftocht door Nederland' onder de titel Holland's bankroet door dada door uitgeverij Ravijn, kan onmogelijk zijn voortgekomen uit een behoefte deze documenten nader tot onze tijd te brengen. Het niet ideologisch gebonden standpunt van dada berust namelijk op een intuÔtie over tijd en geschiedenis die tot in het denken dat zich postmodern noemt zijn actualiteit heeft behouden. †

De paradoxen van dada, de wereld een etterveld, de wereld een dansfeest: "wij, neo-vitalisten, hebben het geheele etterveld dat het lichaam der wereld blootgelegd roepende: 'kijk kijk kijk hier hier hier niets niets niets!'" (p.19)Ě(*)ú, naast: "de muziek van onze tijd is die der zelfironie: de muziek waarop (???) mens danst en waarbij men ölacht" (p.26). †

"Dada's spiegel op de wereld is een lach- en huilspiegel, bij dadaÔstische manifestaties kan men zich tranen lachen." (p. 26). Dada's bespiegeling verhult niets en verschoont niets, maar toont de wereld als "ordelooze, tegenstrijdige totaliteit van meest inconsequente en elkaar frappant tegenstellende handelingen" (p.26). †

De paradoxen, de ware dada's zijn tegen dada's en de negatieve definities van dada: "de dadaÔst is niet bemiddelaar tussen a en z, maar hij is az" (p.26). Dada is geen filter of vervormer, maar "instrument, spiegel van het geheele wereldgebeuren en dit gebeuren is DADA" (p.27). Dada is het totaal van contradicties. Is anti tendens, anti hiŽrarchie, anti (oorlogs)macht, anti nationaliteit en zelfs anti de onderliggende klasse der proletariŽrs, die "de burgerlijke cultuur önabootsen" en daardoor "deze verdorven kultuur steunen, zonder zich dit echter bewust te zijn" (p.35). †

Dada schuwt compromissen, sociale formules en sektes. Dada berijdt geen stokpaardjes. Dada (betekent: stokpaard) is anti dada. Dada constateert, toont aan, ontmaskert. Dada is de zwijgende psychotherapeut van Jacques Lacan, die door zijn stilzwijgen de voortratelende patiŽnt zijn grenzen ontneemt. Zoals gebeurt in Kurt Schwitter's allegorie "Die Grosse Glorreiche Revolution in Revon" (p.95 e.v.). Een Kind ziet een man. "Kijk, mama, daar staat een man". De moeder wordt meegetrokken. Meer mensen worden aangetrokken. Een menigte vormt zich rondom de man die daar staat en zwijgt. Mensen stellen vragen, schimpen, verliezen hun waardigheid. Alleen Anna Bloeme, vat van tegenstrijdigheden (blauw is de kleur van haar gele haar), sympathiseert. †

De politie verschijnt ten tonele en sommeert de man mee te gaan, maar die maakt rechtsomkeert. De menigte explodeert, opgewonden mensen lopen elkaar onder de voet, er vallen doden en een jongeman vermoedt dat hij het begin van een revolutie meemaakt. Heeft een soortgelijke ontluistering plaatsgevonden als gevolg van de dada-tournee door Nederland in 1923? In zekere zin. Volgens Van Doesburg had het Hollandse publiek het bankroet over zich afgeroepen doordat het "zijn dadaÔstische instincten" de vrije loop had gelaten en "ter eere van dada zijn geestelijke goden bespuwde en beklodderde" (p.5). †

Geen daad van ongunstige zelfbevestiging, zoals in Schwitters' Revon, maar van bevrijdende zelfspot. De ene daad de keerzijde van de andere. Het ja van het nee en het nee van het ja. De spiegel van dada toont tegenstellingen, bewegingen van gelijke kracht die elkaar opheffen. Er is geen evolutie, er is, op zijn best, een wereld die geleefd wordt: "dada is een gezicht, dada wil geleefd zijn. Het antwoord op de vraag 'wat is dada?' laat zich slechts in de spontane handeling omzetten"(p.12).†

Dada ontleende zijn vitalisme aan afkeer van de Eerste Wereldoorlog. Niet van de waanzin en de chaos van die oorlog als zodanig. Die kon dada zich toeŽigenen... als dada. Het was zijn constructie als een reeks tijdsmomenten in een door cultuurwoorden beschermd proces, die dada tegenstond. Tot aan dada had de westerse geschiedfilosofie dergelijke momenten passief opgeborgen in een eeuwig voortgaande cirkelgang (kosmische geschiedopvatting van de Grieken en Romeinen), in een lineaire, doelgerichte ontwikkeling van schepping naar verlossing (geschiedopvatting der Christenen) of in een oneindige beweging van "vooruitgang" of "evolutie" (historisme, moderne geschiedopvatting naar natuurwetenschappelijk model).†

Dada was anti de idee van tijd die aan al deze geschiedvisies ten grondslag ligt: tijd als de voortdurende opeenvolging van afzonderlijke momenten, die niet als zodanig, maar slechts als onderdeel van een proces betekenis hebben. Voor Hegel (Filosofisch Borstbeeld ten tijde van dada) was 'het moment' niet meer dan een lokalisering van de tijd, een oponthoud van de tijd in de ruimte en daardoor een negatie of vervreemding van de mobiliteit van de geest, die als wording van de Staat aan dit proces zin en betekenis gaf. †

In Hegel's optiek waren individuen louter instrumenten in de opmars van de universele geest. De geschiedenis van Hegel is zeker niet het speelterrein van het menselijk geluk. Als het aan Karl Marx (Filosofisch Kopstuk ten tijde van dada) lag, zou de geschiedenis dat ooit moeten worden. Voor Marx was geschiedenis de menselijke herovering van zijn oorspronkelijke karakter als soortwezen, ofwel zijn vorming tot een universeel niet-egoÔstisch wezen door middel van praxis, d.i. concrete activiteit. †

De geschiedenis van de mens was niet zijn noodlot als vervreemd wezen (Hegel!), maar de realisering van zijn oorspronkelijke karakter. Maar dat geluk zal hij niet vinden, zolang de ervaring van tijd als een vluchtige stroom van momenten zijn horizon bepaalt. Het streven naar authenticiteit zal altijd botsen met het proces als geheel, als totaliteit. Om de mens wat meer kans op geluk te gunnen, zou de tijdsopvatting van de gesloten reeks van geometrische punten (momenten) in een niet eindigend proces ter discussie moeten worden gesteld. Dat deed, lang geleden, de Stoa (wijsgerige school van 300 v Chr.), die de tijd opvatte als de bevrijdende ervaring van iets dat zich niet 'objectief' buiten ons bereik of onze invloed bevindt, maar ontspringt aan onze eigen handelingen en beslissingen. †

Het model voor deze ervaring levert de caÔros: het abrupt samenvallen van de menselijke beslissing en de geboden mogelijkheid, het moment van de levensvervulling. In de caÔros, die de tijden doet verdampen, weet de mens zich zijn eigen meester en voelt hij zich op zijn gemak als een god in de eeuwigheid. †

De revolutie in Schwitters' Grosse Glorreiche Revolution in Revon bestaat uit het zwijgen van de stilstaande man, die door het vraagteken dat hij oproept het continuŁm van de geschiedenis laat exploderen. In plaats van het lege, gekwantificeerde moment verschijnt de 'tijd van nu', vindt een stopzetting van het gebeuren plaats, een beŽindiging, die de volledige geschiedenis van de mens samenvat in een schets, een klucht een schertsend resumť. †

Het genot van de man, die daar stilzwijgend staat, genietend van zijn creatie, het genot van Schwitters, genietend van zijn tekst, het genot van de dadaÔsten, genietend van hun spel..., het genot fundeert een nieuw tijdsbegrip. De vorm van het genot, compleet en volmaakt in ieder 'nu', past niet in een meetbare duur of kwantiteit in een reeks. Geschiedenis is niet de menselijke ondergeschiktheid aan de voortdurende lineaire tijd, maar zijn bevrijding ervan, de caÔros, waarmee hij zijn kans aangrijpt en zijn vrijheid kiest zodra het moment zich aandient. †

Het doel van de dadaÔstische kunst is de "rijpe mensch". "De kunst, zoals wij haar willen, ontwikkelt krachten die sterk genoeg zijn de geheele kultuur te beÔnvloeden, in plaats van door sociale verhoudingen beÔnvloed te worden"(p.35) †

De tijd van de authentieke geschiedenis (tegengesteld aan de lege, continue, oneindige chronologie) is bereid op ieder moment stil te staan, wanneer bij de mens de gedachte opkomt dat hij niet bestemd is tot lijden, maar tot genieten. Wie wil kan zich van deze tijd bedienen, ook al zal hem dat weerstand of verlies van zekerheid kosten. Scheppen gaat weldegelijk van au. "Dada bracht een nieuwe historische aanvang: de heroÔsche spontaniteit, d.w.z. dat men op een bepaald oogenblik, zonder er direct belang bij te hebben handelt op gevaar van eigen levensmogelijkheid." (p.41) †

Bij het doordenken van dada's paradoxen en negaties gingen aan mijn geestesoog voortdurend uitspraken uit Hakim Bey's TAZ, De Tijdelijke Autonome Zone (ook door Ravijn uitgegeven) voorbij, uitspraken over de esthetiek die zich verwijdert van de geschiedenis en van de markt, die vertegenwoordiging vervangt door tegenwoordigheid. Twee teksten, de een uit 1923, de ander uit 1991/92, die elkaar verduidelijken! †

Als ik opschrijf dat de mens zich gewonnen geeft aan het Christendom vanwege het wervende beeld van het kruis, aan Odol door de gebogen floconvorm en aan Nietzsche door zijn snor, ontleen ik dan aan dada- 1923 of aan Bey- 1991/92? Dada/TAZ is de tijd en plaats waar kunst puur voor het genot van het creatief spelen kan bestaan. †

In Dada/TAZ kan kunst geen waar zijn, maar zal ze een levensvoorwaarde zijn. De scheiding tussen kunstenaars en kunstgebruikers zal zijn opgeheven. De nieuwe autonomie zal de reclame/media ondermijnen of anders onzichtbaar blijven... ...las de manager van de progressieve rockgroep, die wist dat zijn pupillen een goed product in handen hadden, een goed uitgewerkt project, leuk verpakt ook, en besefte dat het erom ging de waar effectief, maar met behoud van het progressieve imago van de groep, onder de aandacht van het verwende koperspubliek te brengen. †

Cor Gout

(*) Pagina-aanduidingen verwijzen naar: Theo van Doesburg/Kurt Schwitters, Holland's Bankroet door Dada; documenten van een dadaŠčŠstische triomftocht door Nederland. Samenstelling en nawoord: Hubert van den Berg. Ravijn Arsenaal, Amsterdam 1995. ISBN 90-72768-41-8. †

Voorts gebruik gemaakt van: Hakim Bey, TAZ, De Tijdelijke Autonome Zone; Immediatistische Essays, Ravijn Arsenaal, Amsterdam 1994. Giorgio Agamben, Infancy & History; Essays on the Destruction of Experience, Verso, London-New York 1993.

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1995