UIT: NN #121 van 15 oktober 1992 – Thema 'Kinderen'
Progressieve opvoeding met consequentie
Morgen ga ik met m'n zoon van 14 apart wonen van m'n vriendin en dochter van 11. We wilden destijds 2 kinderen omdat één kind maar alleen is. Echter, de kinderen willen graag uit elkaar. Ze hebben voortdurend het gevoel dat ze te dicht bij elkaar zitten. Ze kunnen mekaar niet "velen".
Zelfs nu met de omstandigheden van verhuizen de ene voor één nacht in het bed van de ander moet slapen, wordt de slaapzak uitgepakt om maar niets van de lakens van de ander te hoeven aanraken. Dan komt evengoed 's ochtends het verhaal dat de nacht afschuwelijk was omdat het hoofd even tegen het kussen aanlag.
Voor de buitenwereld zijn het leuke kinderen en ook naar ons, ouders, zijn ze heel knuffelig, maar bij een toevallige aanraking onderling wordt er gegriezeld, vooral door de oudste, die zoon van 14. Elk gesprek is onmogelijk door de minachtende opmerkingen. Maaltijden zijn zo oefeningen in gemeenheid, met het onverholen plezier als de ander huilt.
Als progressieven ouder ga je dan uit elkaar. Wat doe je de kinderen aan door bij elkaar te blijven. Dat wij als ouders een 15-tal jaren van ons leven verprutsen is tot daar aan toe, min of meer een voortvloeisel van onze eigen kronkels, maar de unieke kinderjaren mogen niet in een haat-en-een-beetje-liefde-
Het patroon was al duidelijk toen ze 4 en 2 jaar waren en wat hebben we ze eigenlijk aangedaan door nog 10 jaar aan één tafel te willen eten en naar één televisie met zijn 8 kanalen te willen kijken. Door bij elkaar te blijven is het geluk weg, bij de kinderen en bij de ouders. Het geruzie kan immers doorgaan tot half twaalf 's avonds en bij het ontbijt kan de eerste opmerking zijn: kijk voor je, teef!
We proberen het gevoel van saamhorigheid overeind te houden door te regelen dat de kinderen samen bij mij of bij mijn vriendin eten. Maar dan zegt mijn zoon tegen de buren dat hij twee dagen per week daar moet eten en waarom dan zijn zuster niet op die twee dagen op het andere adres kan eten.
Als ouder hebben we het voordeel, als de kinderen samen eten, dat je enkele dagen thuis kan komen in een leeg huis zonder het neerdrukkende gezeik en geblèr. Of is het toch beter 7 dagen per week 1 kind te hebben dan drie dagen per week 2 kinderen? En laat ik dan het kontakt met het kind, dat me eigenlijk liever is, ineen schrompelen tot een kampeervakantie en een kopje thee na schooltijd zo af en toe.
Ze mag wel eens blijven slapen, zegt m'n zoon, maar vaker dan 1 x per 2 maanden zie ik niet zitten. Een eigen plekje voor haar hier, belachelijk, ik wil daar toch ook geen eigen plekje!
Joop
De twee kanten van het Vondelpark
Kinderen zijn in. Na HP/de Tijd wijdt nu ook NN een special aan het nieuwe kind. Het HP/de Tijdkind dreint, is verwend tot op het bot, en draagt kleding waaraan het prijskaartje nog duidelijk zichtbaar is. Het nieuwe kind (en ik kan het weten, ik ken ze) heeft dan ook voor honderden guldens kleren aan het lijfje. In de speeltuin van het Vondelpark schreeuwen de kinderen en de kleuren van hun met zorg geselecteerde kledij de bezoeker toe.
Geld speelt geen rol voor het ouderpaar. Wanneer de kleine Mari-Anne verveeld met haar ijsje over het wit-zijden jurkje knoeit zal haar moeder daarvan niets zeggen. Het drenzen van het nest vergoelijkt mama glimlachend met een verwijzing naar het 'eigen willetje'. Een vermanend woord is nog slechts te verwachten van de oma's die soms hun kleinkinderen vergezellen. Oma's hebben andere tijden gekend.
Het hedendaagse kind Mari-Anne en haar mannelijke evenknie Casper zijn wangedrochten, misbaksels, etterbakken. Ze zijn volledig verpest door hun rijke, goed opgeleide en al wat oudere jonge moeders en vaders. Het zijn reëel bestaande schepsels: ze houden domicilie aan de andere kant van het Vondelpark.
Aan deze kant van het park wonen de andere kinderen. Omdat het andere kinderen zijn heten ze ook anders: Pamela en Roy. De snit van hun k1eding is ook anders, maar verkijk je daar niet op: de tarieven van hun baseballpakjes en roze satijnen prinsessejurkjes zijn bijna dezelfde als die van de wit-zijden creatie van Mari-Anne en Caspers matrozenpak.
In deze buurt wordt de kinderbijslag direct meegeleverd bij de speciale kinderkledingwinkel op de Kinkerstraat waar niet de goede smaak maar de overdaad voorop staat. De onzichtbare prijskaartjes worden een dag later op school vergeleken. Deze kinderen kunnen een knal voor hun kop verwachten wanneer zij met het eten over hun goeie goed knoeien. Zeuren en dreinen wordt dienovereenkomstig afgedaan, of afgekocht met een patatje. Zij gaan moeilijker tijden tegemoet dan hun leeftijdsgenootjes aan d'andere kant van het park.
Slechte en kleine woningen, werkloosheid, verveling, moe getergde vaders en moeders en scholen die door de bezuinigingen zo slecht worden schoongehouden dat veel jongens en meisjes ziek worden. Om maar verder te zwijgen over de kwaliteit van het onderwijs. Op de gezichten van sommige kleuters is al te zien dat ze voor de kassa van de Albert Heijn geboren zijn. Pamela en Roy krijgen bovendien te maken met concurrentie: Elif en Mohammed wonen immers ook in deze wijk, en gaan naar dezelfde school.
Elif en Mohammed vormen de derde of vierde generatie gastarbeiders, en lang niet allemaal zullen ze deze status ontgroeien. Sommigen spreken geen Nederlands wanneer ze naar school gaan; hun moeders zitten de hele dag binnen en hun vaders hangen wanneer ze geen werk hebben rond in koffiehuizen. Vijfjarige meisjes dragen hoofddoeken, mogen niet meedoen aan de gymnastiekles en worden slechts opgevoed om hun vader, broers, en ooms te dienen.
Hun broers lopen, wanneer ze de tien jaar gepasseerd zijn, de hele dag op straat. Ze vervelen zich te pletter, terroriseren de kleintjes en stelen snoep bij de sigarenwinkel. Kleding wordt door de ouders zelf gemaakt of bij Zeeman gekocht. Het kind dat mee wil tellen op school trekt erop uit om de voorgeschreven kleding te stelen. Voor sommige van deze kinderen zal een totale breuk met de familie en de kulturele achtergrond de enige uitweg zijn.
In de vriendenkring van mijn dochter bevinden zich alle stereotypen, alleen Mari-Anne laat ze links liggen - te tuttig. Spelen met Elif of Mohammed gebeurt op straat, hen is door hun ouders verboden onze woning te betreden. Ze hinkelen, elastieken en rijden paardje op elkaars rug. Casper woont zo ver weg dat ik haar moet brengen, maar hij heeft van dat fijne speelgoed, en neemt haar wel eens mee als hij paardrijles heeft. Kan ze lekker naar hem kijken. "Dat is zo tof joh, mam!" Haar hand is nu nog snel gevuld.
Haar beste vriend is Roy, met hem zal ze later dan ook trouwen. Roy is niet alleen heel stoer, dus tof, maar heeft ook een levendige fantasie. Op de vloer van onze drie-hoog-achter-woning bouwen ze samen een stad van lego en blokken, en van gras dat ze zojuist tussen de straattegels uit hebben getrokken.
Het wordt een mooie stad. Als eerste wordt een bibliotheek gebouwd, dan volgen zwembaden, sporthallen, parken en bioscopen. Er komen winkels en terrassen, een ziekenhuis natuurlijk, en een gevangenis. De trein loopt rondom de stad, en voor het station verrijst een podium voor de muzikanten die nu nog gewoon op straat moeten staan. De stad nadert zijn voltooiing, ons hele huis is er nu vol van. Ik moet op mijn tenen, voorzichtig om niets om te stoten, door de stad waden om de telefoon op te nemen. Als ik neerleg zijn de twee bezig poppetjes in de stad te plaatsen, ieder poppetje heeft een naam, functie of beroep.
De dokter en de politieman zijn aanwezig, de postbode heeft een fiets. Kleine poppetjes worden in groten getale verspreid over de zwembaden en parken, de pop die ze 'mama' noemen mag met een boek op het terras plaatsnemen. In de gevangenis zit maar één boef. (Denk niet dat ze kwaadaardig zijn. Ze spelen met het reële bestaan.) Als ze in de legodoos een poppetje met een bezem in zijn plastic hand ontdekken hebben mijn dochter en haar vriendje niet lang nodig om een naam·voor hem te verzinnen. Het krijgt de naam van Elif's vader, en een ander poppetje wordt snel ingesloten in een van de huizen in het park. Haar moeder. Die waren ze nog vergeten.
(schrijver onbekend)
Normen
Een of twee keer per week eet ze bij mij, m'n 8-jarige dochter. Samen doen we boodschappen op de Albert Cuyp. Aan het eind van de markt staat een McDonald's. Eten bij McDonald's vindt ze het einde, sinds een vriendin haar daar eens op heeft getracteerd. De barbi-achtige poppen die je er als klein meisje een tijdje bij kreeg vind ze gelukkig truttig. Haar helden zijn de Turtles en Pipi Langkous.
"Waarom gaan we nou nooit eens bij McDonald's eten?" begint ze al halverwege de markt. Ik vind McDonald's vervelend. Ik hou niet van de cleane formicatafeltjes, die verplicht glimlachende geüniformeerde bediening die gelijkgeschakelde patat. Ik hou meer van variatie, van het unieke. Maar dat zeg ik niet. Ik probeer me de argumenten voor de geest te roepen die ik wel eens heb gelezen in kritische bladen, ik denk aan de demonstratieve akties tegen McDonald's. "Ze verpakken al het eten in plastiek weggooibakjes", zeg ik, "dat is slecht voor het milieu".
Het milieu, dat had je vroeger nog niet, maar een moderne kleuter weet er alles van. Wat je destijds pas als je geluk had van een radikale leraar maatschappijleer op de middelbare school vernam, behoort nu tot het standaardpakket van de juf van groep 4. Op eigen initiatief heeft onze dochter moeder opgezadeld met een grote kartonnen doos in de huiskamer; daar gaat voortaan het oud papier in.
'Milieu' is één waarde die haar is bijgebracht, 'Geen dubbele moraal' is een andere. Ze kiest spontaan wat haar het beste uitkomt: "Maar je haalt wel eten bij de Chinees en dat zit ook in plastiek bakjes", pareert ze onmiddellijk. Daar heb ik niet van terug, want één principe als ascetisch leidsnoer door dik en dun, dat zie ook ik niet zitten. Soms, met mooi weer, ga ik met d'r picknicken in het park en dan geeft de afhaalchinees het een extra feestelijk tintje.
Dat zijn mooie momenten voor mij, papa, en mijn kleine meid, die ik me niet laat ontnemen. Ik overweeg nog even 'veevoer waarvoor regenwouden gesloopt worden', maar denkend aan al die Hollandse koeien in Hollandse weilanden, lijkt me dat niet geloofwaardig. Het is hier trouwens veel meer varkensvoer dat ten koste gaat van voedsel produktie in de Derde Wereld.
Dat het personeel bij McDonald's slecht betaald krijgt maakt weinig indruk op d'r, met d'r vijftig cent zakgeld in de week. "Ik heb helemaal geen zin om bij McDonald's te eten", probeer ik de diskussie te beëindigen, turend naar de prijzen van de broccoli in de marktkramen, "ik vind het een vervelende zaak". "Nou maar ik vind het toevallig wél leuk". "Een andere keer misschien", maak ik me ervan af.
Eigenlijk vind ik het wel goed dat m'n dochter niet alles voor zoete koek slikt. Al vanaf heel jong is ze betrokken in beslissingen die haar aangaan. Simpele dingen zoals wat ze op d'r boterham wilde - mits niet alleen chocoladehagelslag - en welke kleren ze wilde. Wat er gaat gebeuren staat ter diskussie.
Vaak accepteert ze een redenering. "Oké", zegt ze dan. Of we komen tot een compromis - en soms volgt er vreselijk gezeur, waarbij ik haar probeer duidelijk te maken dat veel snoepen wel lekker maar niet goed is of dat ze niet zomaar iets kado krijgt al kunnen we het best betalen of dat ze respekt moet hebben voor wat een ander wil of waarbij ik tenslotte geïrriteerd roep dat ze niet zo kinderachtig moet doen. Maar nou ja, daarvoor is ze tenslotte kind.
En ik denk bij mezelf dat het misschien wel bevrijdend is om tegen de radikale normen in gewoon eens een lekkere Big Mac met patat en een milkshake naar binnen te werken.
Peter
Wel knuppel, geen hoenderhok
Nu de grote winterslaap voor journalistiek Nederland weer is begonnen, staat menige redaktie voor de immer wederkerende vraag, hoe de zomer het beste te overleven. *) Nieuws is er niet, dus het wordt elk jaar een onderwerp, waar ook per definitie weinig nieuws over te melden is. Het is niet verwonderlijk dat "de menselijke relatie" altijd weer hoog scoort in de top tien van komkommerartikelen. Zo ook deze NN met het zomerse onderwerp 'alternatieve ouders'. Een vondst!
Maar wat zijn alternatieve ouders? Kennelijk behoren ondergetekenden daartoe, anders stonden we niet op deze pagina. Om onszelf dan maar als uitgangspunt te nemen, moeten we voorop stellen dat we in elk geval een aantal dingen niet doen: we eten geen vlees, we geven geen snoep, we kijken geen tv, we rijden geen auto en we eten geen bespoten groenten. Bovendien hebben wij bewust geen huisdieren, noch gaan wij ter vermaak naar het dierencircus. Het klinkt als een saaie ontkenning van alles wat leuk schijnt te zijn. Maar wij hebben het gegarandeerd leuker, al valt het moeilijk uit te leggen waarom.
De idealen van vroeger zijn wel bijgesteld. Het met hand en tand verdedigde idee van de anti-autoritaire opvoeding is in de praktijk dialektisch omgeslagen in het tegendeel: wij voeren een strak, sober en streng regiem. Het ouderwetse pak rammel blijkt opeens een verhelderende aanpak in een situatie, waar anders urenlang soebatten, lijmen, slijmen en onderhandelen het konflikt tussen ouder en kind alleen maar groter zou maken. Maar 'demokratisch mee beslissen' mogen ze, al blijft het terrein van de medezeggenschap beperkt, net zo beperkt als bij de arbeider, die zijn demokratische zeggenschap mag gebruiken voor de keuze van de radiozender.
De existentiële vraag die zich opdringt is of er wel een alternatieve opvoeding bestaat. Dwingt niet elke opvoedingsmethode tot een burgerlijk bestaan, met een veel strakker tijdschema dan ooit in het kinderloze tijdperk werd bevroed? Met een ommetje op zondagochtend, met een bezoek naar kermis of carnaval, met de jaarlijkse vakantie op camping of in een bungalowpark, het zijn zaken waar we vroeger met een wijde boog omheen liepen.
Of zijn wij het, die aan de opvoeding een allesbehalve alternatieve invulling geven? Bestaan er ouders die dit veel beter, veel radikaler doen? Die misschien de wereld afzwerven, met kind en al. Die misschien hun kinderen geen strobreed in de weg leggen, die de grens van het toelaatbare pas trekken wanneer het kind de gevarenzone betreedt?
Bestaat er wel een alternatieve opvoeding? Of valt er hoogstens over te zeggen dat het enige verschil tussen een alternatieve opvoeding en de reguliere methode het feit is, dat de ouders een alternatief bestaan leiden? Waarop onmiddellijk de vraag doemt, wat dat dan wel moge inhouden.
Rijkert Knoppers & Greet Cornelissen
*) De special was eerst voor augustus gepland
De man met de wagen
Op het moment dat je de eerste stappen buiten de deur zet terwijl je een kinderwagen voor je uitduwt dringt het ineens tot je door: je leven is voorbij! Plotselinge reizen, plannen voor brandstichtingen of andere ontvoeringen, relationele uitspattingen (kortom, je identiteit) voorzover niet al door de tijdsgeest weggeschraapt kun je op je buik schrijven. Je moet een kind voortduwen en zoet houden en verder niks. '
Kom, zal de geschrokken lezer(ster?) relativeren, zo erg is het niet, je kunt toch nog af en toe een kleine brandstichting proberen en bovendien, je krijgt er toch zoveel voor terug. De vader zal dit niet beamen, niet de eerste tijd en zeker niet daar met die kinderwagen.
De ongeschreven wetten van de maatschappij -die zoals u weet vaak nog ernstiger knellen dan de geschreven- vliegen u zelden zo hevig om de oren als bij het mannenkinderwagenwandelen. Sowieso moet u ineens weer veel meer de maatschappij in.
Neem nu zo'n park, vol met andere kinderwagenwandelaars en hondenuitlaters (sommige buurten beginnen iets Amerikaans te krijgen: mensen die maar wat rondlopen zonder een bijbehorende hond of kinderwagen zijn verdacht), wanneer ging je daar vroeger nu zomaar een uur op een bank zitten? De mensen kijken bij het passeren altijd in elkaars kinderwagen.
Veel -meestal oudere- vrouwen lachen je bemoedigend toe. Af en toe krijg je een komplimentje van de soort "goed zo, een man die voor het kind zorgt, dat mag Ik graag zien". Begint het kind te huilen (baby's doen dit nogal) dan kijkt iedereen ineens meewarig en je ziet dan dezelfde vrouwen van de komplimentjes (bij wijze van spreken) denken dat je er niks van kunt.
Baby is sinoniem aan allesomvattende TEVREDENHEID, een verschijnsel waar je alleen maar de groot mogelijk haat tegen kunt koesteren. Op bevrijd Grenada ja, daar mocht je misschien lichtelijk tevreden zijn, maar niet in het Nederland van na de Golfoorlog, tussen de mercedessen, donkere dreigende donderwolken op de achtergrond... Dan ben je of niet goed snik, of gewoon rechts. (Gelukkig, o.k. da's wat anders, maar laten we het er maar niet verder over hebben). Als je met de baby loopt hoor je tevreden te kijken, dat doen ze allemaal. En dan tevreden naar elkaar kijken, en samenzweerderig glimlachen... Jéch!
Het lopen met de kinderwagen mag maar op een manier: alsof je leven voorbij is, alsof er verder niets van belang bestaat, en alsof je alle tijd van de wereld hebt. Haast hebben is even ondenkbaar als dat Brinkman in een aftands renaultje stopt om de weg te vragen (maar je kunt nauwelijks horen wat 'ie zegt als het raampje omlaag gedraaid wordt want die hardcore (no means no) muziek in zijn auto staat zo hard)... ik bedoel maar, als je omdat je al te laat bent in halve sukkeldraf de wagen voor je uit duwt, enigszins over de stoeprand stuiterend, terwijl Je gezicht op onweer staat, loop je de kans gelynched te worden.
Het manoeuvreren met de kinderwagen vergt de nodige oefening. Het is enigszins te vergelijken met het voortstuwen van een bakfiets. Overal opgebroken straten, paaltjes, caféterrassen en vooral: bumper aan bumper geparkeerde auto's. Anders dan met de bakfiets kun je moeilijk hard met de wagen door de laklaag van (verkeerd) geparkeerde auto's graveren. Al vinden de baby's meestal een beetje ruw transport wel tof.
Auto's hebben iets meer respekt voor overstekende kinderwagens, maar je kunt er natuurlijk niet op gokken. (Die lui van de RAF hebben in een grijs verleden ooit een auto met een hoge piet tot stoppen weten te krijgen door er een (lege) kinderwagen voor te rijden, hoge pieten rijden nu dus sowieso door).
Ja, dit is geen wereld voor kleine kinderen. Misschien ook niet voor grote. Het meest kindervijandig is waarschijnlijk 'de sien', ofwel: je kunt je kinderwagen nog beter de kerncentrale van Doodewaard binnenrijden dan zo'n kraakkafee vol dronkelappen en happende honden en loeiharde muziek, met de rook in toppop-achtige lagen die vermoedelijk onmiddellijk een ademhalingsstilstand bij de kleine zal veroorzaken. Bij gebrek aan andere tegenstanders vliegen ze je min of meer aan als je vraagt of ze ergens a.u.b. niet willen roken (wegens het kindje!!).
U mag verder uiteraard blijven doen waar u zin in hebt, maar neem tenminste dit aan van deze prille vader: kleine kindjes hebben een gloeiend last van sigarettenrook, dus doe die peuk eens uit.
Zo. Volgend jaar: Verantwoord Opvoeden.
Papa John Creach
Wie doet nu zoiets! Je bent niet goed wijs!
Dat was hetgeen ik naar mijn hoofd geslingerd kreeg bijna 27 jaar geleden. Wat had ik misdaan? Mijn toentertijd 2-jarig zoontje pakte op straat altijd de poppenwagens van kleine meisjes af en ging er mee aan de haal. Huilen geen gebrek als de poppenwagen met inhoud terug werd gegeven en uiteindelijk heb ik een oud rieten wagentje op de kop getikt, een witte en zwarte pop gekocht, k1eertjes gemaakt en wat nog meer nodig was erin en een zielsgelukkig kind was mijn beloning. Hij sjouwde dat wagentje overal mee naar toe en ging er zelf ook in zitten.
"Geef dat joch een voetbal en autootjes! Je maakt van hem een homo! Dat wagentje en die poppen zijn ter compensatie omdat je liever een dochtertje had!" enz enz. Dat laatste was helemaal niet waar want vanaf het allereerste begin van de zwangerschap sprak ik steeds over "Mijn Gerritje". Wat die bal en auto's betreft, die kreeg hij volop evenals een trein, enz. Maar ook had hij een zak vol met hele zachte speeltjes. Beertjes, hondjes, enz. Die gingen elke avond mee naar bed evenals een zacht lakentje en ook daar was veel kritiek op.
Hij ging naar dansles vanaf 10 jaar en dat resulteerde met 16 jaar in een gouden medaille voor ballroom dancing en latin american plus de vraag, of hij verder wilde gaan voor een beroepsopleiding. Ook daar werd veel kritiek op geleverd. Dansles was voor jongens wel goed maar dan op 18-jarige leeftijd omdat ze dan niet in de verleiding kwamen om homosexueel te worden. Ik dwong hem in die richting en zo ging het maar door.
Ten eerste bewezen deze uitspraken dat men geheel niets wist over homosexualiteit en ten tweede so what! Hij is en was mijn zoon, homo of niet, is dat zo erg? En het is bovendien zijn eigen zaak. Hij was tevens op karate, judo, zwemmen en meerdere sporten. Wat dat betreft kwam hij niets tekort. Zijn vader was gestorven toen hij één jaar en twee weken was en men was van mening, dat een alleenstaande vrouw niet in staat was een jongen op te voeden.
Hetzelfde vonden diverse instanties ook. Daarom kreeg ik het aanbod mijn kind in een tehuis te doen, dan kon ik met mijn staatsdiploma in mijn eigen onderhoud voorzien en geld bijdragen voor het onderhoud van mijn kind. Die vrouw die mij dat voorstel deed wist niet hoe vlug zij de trap af moest komen. Degenen die het hardst schreeuwden over het opvoeden van de jongen waren mijn eigen broers en zusters.
Wij hebben in de jaren dertig en veertig (de periode dat wij allen geboren werden) een voor die tijd vrije opvoeding gehad. Wij hadden een aparte jongens-, en meisjeskamer maar wisten heel goed wat het verschil was tussen jongens en meisjes. We zagen elkaar regelmatig als we ons moesten wassen in de keuken. Iedere avond gingen de kleintjes in de tobbe en dan naar bed, en als er vriendjes bij waren werd er stomverbaasd gevraagd: "Wat heeft dat jongetje daar hangen?" En wij verbaasd terug: "Dat is een piemeltje, dat zie je toch?" Of bij een zusje: "Wat is ze glad". Wij: "Dat is een spleetje en dus een meisje".
Ik had een vriendinnetje die samen met haar broertje in een echt bad ging, maar wel met een schot er tussen zodat ze elkaar niet konden bekijken. Als bij ons thuis de kleintjes sliepen gingen de groteren zich wassen. Wie klaar was gooide de tobbe leeg en vulde hem met schoon warm water. We liepen gewoon de keuken in en uit en vonden dat alles heel normaal. Jongens hadden een piemeltje en meisjes een spleetje, toch de normaalste zaak van de wereld!
Evenzo werd er alle dagen bij ons gewassen. Dat was ook raar in de ogen van veel kinderen maar wij zeiden dan dat onze moeder beter iedere dag één uur achter het wasbord kon staan dan een hele dag eens per week. Juist van mijn broers en zusters kon ik die kritiek niet begrijpen omdat wij altijd vrij met elkaar waren omgegaan en van elkaar niets vreemd vonden, maar in hun huwelijk waren ze erg veranderd. Sexuele voorlichting was helemaal uit den boze, evenals dat ik wel eens samen met het kind onder de douche ging. Daar bracht ik hem mee op rare gedachten en wat hij moest weten las hij wel in sexboekjes als hij groter was of leerde hij op school.
Dat moest ik wel doen want hij was bijna drie jaar toen hij op tv de geboorte van een lammetje zag. "Mama, gaat het bij ons ook zo?" vroeg hij. Ik vertelde hem dat dat zo was, alleen dat ik geen vier poten had maar twee benen. "Doet dat veel pijn mam?" "Ja, maar dat was ik vergeten toen jij er was." Ook had ik nog boeken van mijn verpleegopleiding en die heb ik samen met hem doorgenomen toen hij ongeveer 8 jaar was en me de oren van het hoofd vroeg. Als kinderen iets zeiden over bepaalde zaken zei hij: "Dat weet ik allang, dat heeft mijn moeder laten zien en verteld." Maar volgens de mensen was dat niet de taak van een vrouw!
Ik maakte ook excuses als ik iets fout had gedaan of gezegd en dat vond men vernederend, dat deed men als ouder niet. Maar ik vond dat in iedere relatie dit moest kunnen, zeker in een ouder-kindrelatie. Tot op heden hebben mijn zoon en ik een hechte band en praten we open en eerlijk met elkaar. Zijn schoolopleiding is bijna afgerond met havo en atheneum plus een hogere beroepsopleiding. Wat opvoeden betreft, dat is gegaan met vallen en opstaan en ontelbare fouten. Natuurlijk hebben we wel eens ruzie maar dat komt in de beste families voor. Wel gaan we nooit kwaad slapen of kwaad weg en maken het altijd weer goed. Je kunt nooit weten wat er kan gebeuren en wat moet je dan?
Rina
Sexisme en computerspelletjes
"Wat heb je nou gekocht", zei moeder. Jip en Janneke van Annie Schmidt. Als klein kind had ik genoten van het hoorspel en het bleek nog steeds gedrukt te worden. "Maar dat is hartstikke sexistisch: vond ze. Gelukkig was het om voor te lezen, dus ik nam me voor om daarbij de rollen wat neutraler te verdelen.
Later ben ik commentaar gaan geven op de tekst van dit en talloze andere voorleesboeken als de rolpatronen als al te vanzelfsprekend aan de oppervlakte kwamen. Moet ik niet te vaak doen, trouwens. "Jaja; lees nou maar verder": zegt mijn dochter dan ongeduldig. Een kind niet-rolgebonden opvoeden, dat heb je maar heel ten dele in de hand. Het begint er al mee dat meisjes meer keuzes hebben in kleding en uiterlijk. Jongetjes met een jurk en een paardenstaart, dat gaat niet in onze maatschappij. Meisjes met een broek en kort haar is geen probleem.
Ik hoef hier niet uit te leggen dat rolpatronen overal opduiken. Op school, op de tv, in sprookjes, in computerspelletjes, op straat. Meer dan tegengas geven en je zelf niet al te rolgebonden gedragen kun je niet doen. En verder maar op hoop van zegen en kijken hoe het loopt. Ze zal later toch wel als 'vrouw' behandeld worden. Als ze vertelt dat jongetjes op school vinden dat iets niets voor meisjes is, dan vertel ik dat dat dat vroeger wel eens gedacht werd, maar dat dat nu toch wel erg ouderwets is. Meestal is ze dat roerend met me eens.
De laatste tijd is ze lichtelijk verslaafd aan computerspelletjes. Ze heeft van de buurman een Nintendo-spelcomputer geleend. Die sluit je op de tv aan en er zitten twee doosjes met knoppen aan waarmee je mannetjes op het scherm door doolhoven kunt sturen en monsters kunt laten verslaan. Het zijn dan wel mannetjes, maar da's voor haar meer bij wijze van spreken en geen belemmering om je ermee te identificeren. "Ik ga dat gemeentje verslaan", roept ze, of "shit, ik ben dood". In zoverre leuk dat het spel dat erbij zit, Mario Brothers, vol zit met onverwachte verborgen mogelijkheden. Je bent voortdurend op ontdekkingsreis.
Sinds een computerkraker mij eens vertelde dat hij begonnen was met spelletjes, kijk ik er een stuk positiever tegenaan. Je leert er toch ook systematisch mee denken en dingen uitproberen. In onze door technologie overstroomde cultuur misschien wel extra nuttig. En het heeft ook een sociale kant, want je kunt het met z'n tweeën spelen. Alle vriendjes en vriendinnetjes die op bezoek komen, doen enthousiast mee. Ze vertellen elkaar wat ze ontdekt hebben en gillen het uit als het spannend wordt. ("Ga toch buiten spelen met dat mooie weer", probeer ik dan wel eens tevergeefs. Zeiden m'n ouders ook altijd als ik een spannend boek zat te lezen.)
Aan het eind zit een te redden prinses. "Het is altijd een prinses bij dat soort spelletjes", constateert mijn dochter. Ze heeft in ieder geval oog voor deze eigenaardigheid. "Ja, stom hè, nooit een prins", doe ik er nog een pedagogisch schepje bovenop. Ik probeer haar al jaren te interesseren voor een mecanodoos, maar nee... Ze bouwt wel met lego allerlei huizen en voertuigen. In haar speelgoedtrein en autootjes rijden meestal poppen of beesten mee. Daarin verschilt ze van jongetjes, zegt moeder, die spelen met de autootjes en treinen op zich.
De Turtles vindt ze ook fantastisch. Wij, de ouders, zien minder in al dat simplistische en gewelddadige gebestrijd van het Kwaad. Van een tante uit Canada kreeg ze een Turtle-sweater; de Turtle- en Nintendocultuur is wereldwijd. Op school is ze er populair mee al vinden haar klasgenootjes het meer iets voor jongens. Dat laatste vindt ze dus echt belachelijk.
Peter van Ostade