UIT: NN #99/100 van 19 december 1991
Van provo tot RARA
Golfbewegingen in het politieke protest in Nederland
'Er is geen enkele reden om de doodsklok over de nieuwe sociale bewegingen te luiden. Er mag dan sprake zijn van ups en downs, de lange-termijn trend is er nog altijd een van toename van bewegingsactiviteit. De uitgangspositie voor nieuwe golven van protestactiviteit worden bovendien alleen maar beter'. Eind januari verschijnt het boek 'Tussen verbeelding en macht', over nieuwe sociale bewegingen van de afgelopen 2S jaar. Hier alvast een enigszins bewerkte voorpublikatie.
De 'roerige jaren zestig' herbezien (1)
Onze blik op het jongste verleden verkavelt het in partjes van tien jaar. Geen terrein wordt zo geplaagd door dit fenomeen als dat van de collectieve actie. Dit denken in decennia is van recente oorsprong. Om preciezer te zijn, het kwam pas echt in zwang vanaf 'de jaren zestig'. Collectieve actie en de jaren zestig zijn sindsdien bijna synoniemen voor elkaar geworden: de jaren zestig dat is de Parijse mei, PROVO, de rookbom, het Maagdenhuis. En politiek protest? 0h, je bedoelt de jaren zestig!, en de cirkel is rond. De superlatieven waarmee het activisme van de 'jaren zestig' doorgaans wordt bezongen, nemen soms groteske vormen aan.
Na dit decennium, dat al snel met allerhande mythe en mystiek werd opgetooid, is het met de collectieve actie eigenlijk nooit meer goed gekomen. Wie herinnert zich niet de 'matte' jaren zeventig, die van het 'ik-tijdperk'. Daarna werd het nog erger; de jaren tachtig waren zakelijk, 'no-nonsense' was troef en het ik-tijdperk had nu een officiële vertaling gekregen in het begrip 'individualisering'. 'Nederland heeft de spandoeken opgerold', zo werd ons media-breed voorgehouden.
Hoe willekeurig dit soort typeringen zijn, blijkt uit het feit dat de betekenis van decennia posthuum nogal eens wil veranderen: zo staan de eertijds matte jaren zeventig nu te boek als de jaren van de politieke polarisatie en voorzichtig begint zich ook al een nostalgie naar de jaren tachtig af te tekenen. (2)
Opvallend is ook de neiging om als er toch iets gebeurde in de jaren tachtig, dit als een laatste stuiptrekking van de jaren zestig te beschouwen. Zo schreven Geert Mak en Geke van der Wal (1989) in NRC-Handelsblad, terwijl duizenden mensen het Shell-gebouw in Amsterdam Noord blokkeerden: "De blokkade bij het Shell-gebouw zou anders doen vermoeden, maar de buitenparlementaire actie heeft een nieuw gezicht". Daarnaast een halve pagina grote foto van Greenpeace-directeur Ron van Huizen in zijn zakelijke no-nonsense kantoor en de toon is gezet: 'turbo-ontwikkelingen in het buitenparlementaire werk', dát zijn de jaren tachtig.
Het algemene beeld dat uit dergelijke duidingen oprijst is dat van een explosie van radicaal protest in de tweede helft van de jaren zestig die in een lange nasleep haar einde vond aan het begin van de jaren tachtig, waarna het nog slechts kommer en kwel aan het actiefront was. De daar door sommigen, als een soort super-KNMI, bijgevoegde sombere vooruitzichten voor de rest van de eeuw (Van Noort 1988) versterken dit beeld van algehele malaise nog eens.
Veel acties in jaren tachtig
De feiten blijken echter toch enigszins anders te liggen. Uit krantenonderzoek (NRC, maandagseditie) blijkt dat in de periode 1965 tot en met 1989 er twee protestgolven plaats hebben gevonden. De eerste golf begint halverwege de jaren zestig met de opkomst van PROVO, bereikt een hoogtepunt met de acties van studenten en de protesten tegen de Amerikaanse interventie in Vietnam in 1969, en eindigt rond 1977.
Vervolgens ontwikkelt zich een tweede golf, die haar hoogtepunt vindt in de eerste helft van de jaren tachtig met de acties van de anti-kernenergie-, de kraak- en de vredesbeweging. Na 1985 doet zich inderdaad een teruggang van bewegingsactiviteit voor, waarvan vooralsnog niet te zeggen valt of deze zich nog verder zal doorzetten of dat we misschien binnenkort alweer de opgang naar een derde golf zullen beleven.
De ontwikkeling druist lijnrecht in tegen het gangbare contrast tussen het uitbundige protest van de jaren zestig en de zakelijkheid van de jaren tachtig. Het aantal acties in de jaren tachtig blijkt ver boven dat in de jaren zestig (en zeventig) te liggen, en zelfs de periode van vermeende 'diepe stilte' (Huberts/Van Noort 1989) na 1985 zou wat activiteitenniveau betreft in de jaren zestig niet misstaan hebben.
Nu is het aantal acties natuurlijk maar één indicator van de intensiteit van protest. Het zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn dat in de loop van de jaren tachtig weliswaar nog veel acties worden gevoerd, maar dat deze steeds meer beperkt blijven tot, zoals Van Noort het subtiel stelt ten aanzien van de kraakbeweging anno 1988, 'een haar eigen machteloosheid wegschreeuwende verzameling beroepsactivisten' (1988).
Niets is minder waar, vergeleken met de jaren zestig en een groot deel van de jaren zeventig ligt de participatie in acties van nieuwe sociale bewegingen zelfs aan het eind van de jaren tachtig nog beduidend hoger. Een voorbeeld kan het contrast wellicht nog verduidelijken: in 1968 was een demonstratie van 20.000 bouwvakkers in Den Haag nog de grootste naoorlogse demonstratie; twintig jaar later, in 1988, is een demonstratie van 50.000 mensen in Amsterdam tegen het Zuidafrikaanse apartheidsregime allang niets bijzonders meer.
Natuurlijk, vergeleken bij de periode van 1981 tot 1985 is de participatie duidelijk teruggelopen, maar daarbij mogen we niet vergeten dat de uitschieters in die periode voor een groot deel aan enkele grote acties van één beweging zijn toe te schrijven, die met haar uitzonderlijk grote ondersteuning door gevestigde politieke partijen, vakbonden en kerken bovendien een bijzonder geval vormde.
Protest gedemokratiseerd
Er werd in de jaren tachtig dus meer, en door meer mensen, actie gevoerd dan in de twee voorafgaande decennia. Maar was er misschien niet desondanks sprake van verzakelijking? Zat het bijzondere van de jaren zestig misschien in de radicaliteit van het protest? Integendeel, de in de periode 1965 tot en met 1974 gevoerde acties waren juist aanmerkelijk gematigder dan die in de periode erna. Confronterende actievormen als blokkades en bezettingen, die doorgaans vooral met de jaren zestig geassocieerd worden, kwamen in de eerste golf verhoudingsgewijs (om dus nog maar te zwijgen van absoluut) twee keer minder vaak voor dan in de periode vanaf 1975!
Waren de doelen die de bewegingen nastreefden dan misschien radicaler in de jaren zestig? Dit valt natuurlijk aan de hand van kwantitatieve gegevens niet of nauwelijks na te gaan. Niettemin is er alle reden om ook aan deze bewering te twijfelen. Het valt niet te ontkennen dat het protest van de jaren zestig als veel radicaler en ingrijpender ervaren werd. Met tamelijk onschuldige middelen wist bijvoorbeeld PROVO de autoriteiten tot paniekerige overreacties te provoceren. Heel wat acties die we in de kranten van de jaren zestig vonden, zouden nu allang niet meer het vermelden waard zijn.
Het meest typerende voorbeeld zijn wel de talrijke 'Johnson Moordenaar'-gebeurtenissen die wij vonden. In 1968 was het nog NRC-voorpaginanieuws als in Bergen op Zoom pamfletten werden aangeplakt met daarop die 'belediging van een bevriend staatshoofd', compleet met een foto van een bezorgd kijkende huisvrouw die het gewraakte pamflet van haar muur probeert te krabben (NRC-Handelsblad 1-4-1968).
Dat in de jaren tachtig Ronald Reagan uitgemaakt is voor ongeveer alles wat vies en voos is, is inmiddels allang tot de politieke normaliteit gaan behoren en het vermelden niet of nauwelijks meer waard, laat staan dat mensen om dit soort vergrijpen gerechtelijk vervolgd worden. En al even gewoon is het geworden dat de actiemiddelen die in de jaren zestig nog zo'n opzien baarden nu deel uitmaken van het actierepertoire van brede lagen van de bevolking: boeren, binnenschippers en verpleegsters blokkeren en bezetten tegenwoordig al even makkelijk als het 'langharig tuig' van toen, en zelfs de politie schuwt een demonstratie of ludieke actie allang niet meer. Het protest is inmiddels niet alleen genormaliseerd, het is ook in hoge mate gedemocratiseerd.
Protest en politiek
Hoe konden de jaren zestig dan toch in de geschiedschrijving en in de beleving van de toenmalige activisten en hun tegenstanders zulke mythische vormen aannemen? Daarvoor zijn twee redenen aan te wijzen. De eerste is dat de nieuwe sociale bewegingen en hun actievormen (bezettingen, blokkades, 'happenings', teach-, go- en sit-ins etc.) een nieuw verschijnsel waren.
Dit leidde aan beide kanten tot een overschatting van de implicaties van het protest. Omdat zowel de actievormen, de doelen als de deelnemers (studenten en meer in het algemeen de zogenaamde 'nieuwe middenklasse') nieuw waren, kon niemand terugvallen op gebeurtenissen uit het verleden die aan het geheel een maatstaf hadden kunnen bieden: de toekomst leek meer dan ooit open, en onder de straatstenen dacht menigeen het strand te kunnen vinden (toen het laatste wat bleek tegen te vallen, kregen de opgeraapte straatstenen voor sommigen een heel andere functie).
Zo konden de activisten gaan geloven dat de ook voor hen onverwachte omvang en effecten van het protest een voorbode waren van grootscheepse maatschappelijke veranderingen, ja zelfs van een revolutie, waarvan zijzelf de trotse voorhoede vormden, die binnen korte tijd ook de 'arbeidersmassa's' de ogen zou openen. De gevestigde orde dacht er niet veel anders over; hield in elk geval ernstig rekening met een verdere escalatie, en reageerde ofwel met paniekerige repressie, ofwel met een even plotselinge als schuldbewuste hervormingsdrang.
Dat de autoriteiten zo reageerden had ook te maken met een tweede factor die de jaren zestig een bijzonder karakter gaf. Het protest ging namelijk samen met (of beter: was een gevolg van) minstens even spectaculaire veranderingen in de gevestigde politiek. Door de neergang van de christelijke partijen, de splitsingen en diskussies over de toekomstige koers die in die partijen ontstonden, de opkomst van nieuwe partijen als de PPR en D66, en de groeiende invloed van Nieuw Links in de PvdA, was het partijsysteem in hoge mate instabiel geworden.
Traditionele electorale strategieën hadden hun effectiviteit verloren, en het leek er op dat de toekomst aan die partij zou zijn die zich het best aan de nieuwe 'tijdgeest' kon aanpassen. In deze situatie van instabiliteit en verandering in de gevestigde politiek, wisten onschuldige acties van een kleine groep mensen grote effecten te bewerkstelligen.
Deze grote politieke veranderingen versterkten op hun beurt weer het idee dat er ook buitengewoon veel protest aan was voorafgegaan. Het mag duidelijk zijn dat de situatie aan het eind van de jaren tachtig wat dat betreft een heel andere was. Zelfs omvangrijk protest kon nu nog slechts naar verhouding weinig veranderingen in de gevestigde politiek bewerkstelligen.
Niet alleen waren de partijpolitieke verhoudingen in de jaren tachtig een toonbeeld van stabiliteit vergeleken met de jaren zestig en de eerste helft van de jaren zeventig, de autoriteiten hebben bovendien inmiddels ook begrepen dat het zo'n vaart niet loopt met die revolutie. Paniek heeft plaatsgemaakt voor beter gedoseerde repressie, hervormingen, en niet te vergeten het beproefde subsidie-instrument.
Tegen de stroom in: de tweede golf, 1977-1989
Met de val van het kabinet-Den Uyl en het aan de macht komen van het kabinet Van Agt-Wiegel, veranderden de politieke randvoorwaarden voor het protest van nieuwe sociale bewegingen. De tweede golf, die zich vanaf 1977 ontwikkelde, kende zelfs een aanzienlijk groter aantal activiteiten, waaraan bovendien veel meer mensen deelnamen, dan de eerste golf.
We kunnen de periode vanaf 1977 in de volgende drie fasen onderverdelen:
1977-1982: de periode van het eind van het kabinet Den Uyl tot het aan de macht komen van het eerste kabinet-Lubbers, waarin de ondersteuning door gevestigde alliantie partners toeneemt, en de succeskansen redelijk groot zijn.
1982-1985: de periode van het aan de macht komen van het eerste kabinet Lubbers tot het besluit tot plaatsing van de kruisraketten op 1 november 1985; een overgangsperiode, waarin, door de stabilisatie van het CDA en van de centrumrechtse regeringscoalitie, de succeskansen teruglopen, maar de ondersteuning vooralsnog redelijk op peil blijft, hoewel steeds meer beperkt tot de vredesbeweging, die dan ook de bewegingssector in deze periode domineert.
1985-1989: de periode vanaf het 1 novemberbesluit, waarin de succeskansen nog verder verslechteren en vooral de ondersteuning drastisch afneemt door de afkeer van de PvdA van de sociale bewegingen en de crisis van radicaal links.
Hoe werkten deze veranderende politieke omstandigheden nu in op de nieuwe sociale bewegingen? De politieke situatie in de eerste fase vormde in zekere zin het 'ideaal recept' voor omvangrijke buitenparlementaire acties. Allereerst was er de overgang van een hervormingsgezind kabinet naar een kabinet dat het roer duidelijk naar rechts om wilde gooien. Een verandering, in termen van ons model, van hervorming naar bedreiging, waardoor een einde kwam aan het wachten op hervormingen van bovenaf in de periode van het kabinet-Den Uyl. In deze fase kwamen defensieve doelen, waarvoor het makkelijker mobiliseren is dan voor offensieve eisen, steeds meer op de voorgrond te staan.
Daarnaast nam de ondersteuning door gevestigde alliantiepartners als politieke partijen, kerken en vakbonden sterk toe. (3) In verschillende campagnes, vooral van de vredes-, solidariteits-, en anti-kernenergiebeweging, speelden deze een belangrijke rol. Om slechts enkele voorbeelden te noemen: de campagne tegen het ultracentrifuge-project in Almelo (m.n. PSP en PPR), acties ter ondersteuning van politieke vluchtelingen (m.n. de kerken), de campagne tegen de neutronenbom (m.n. de CPN), en natuurlijk de zeer breed ondersteunde acties van de vredesbeweging tegen de plaatsing van kruisraketten (waarin met name de steun van de PvdA en de kerken van grote betekenis was).
Voortrekkersrol
Nu staat tegenover dit positieve gevolg van 'vrienden in de oppositie' natuurlijk meestal het negatieve van sterk verminderde succeskansen (de politieke vrienden zitten immers niet langer in de regering). In de periode 1977-1982 ging dit echter slechts in zeer beperkte mate op: door de zwakke parlementaire basis van het kabinet-Van Agt/Wiegel, de nog altijd grote onzekerheid van het CDA, en de interne verdeeldheid binnen die partij, die bovendien juist het duidelijkst tot uiting kwam bij onderwerpen als kernwapens, kernenergie en Zuid-Afrika, kon van een daadkrachtig en effectief tegenoffensief geen sprake zijn, de retoriek van vice-premier Wiegel ten spijt.
De periode 1977 tot en met 1982 was er dan ook een van spectaculaire groei van de bewegingsactiviteit, die zich uitte op een veelvoud aan terreinen en met een breed scala aan actiemiddelen aan het begin van de jaren tachtig speelden, net als het geval was aan het begin van de eerste golf, met name confronterende vormen als blokkades en bezettingen (bijvoorbeeld Dodewaard, Amelisweerd, de acties tegen Amerikaanse munitietransporten en die tegen de dumping van radioactief afval in zee) en natuurlijk ook kraken een belangrijke rol.
Nederland vervulde in deze periode op sommige terreinen internationaal een voortrekkersrol. De Duitse kraakbeweging ontstond bijvoorbeeld pas eind 1980, en was duidelijk geïnspireerd door de gebeurtenissen in Nederland (en Zwitserland) eerder dat jaar (zie Koopmans 1989). Wellicht nog belangrijker was de stimulerende rol die de Nederlandse vredesbeweging in andere landen speelde, en waarvoor zelfs de benaming 'hollanditis' gangbaar werd. Het initiatief tot de grote vredesdemonstraties die in 1981 in Nederland, België en West- Duitsland gehouden werden, ging bijvoorbeeld uit van het IKV en Stop de N-bom (Leif 1985: 59), terwijl voor de radicalere Duitse vredesorganisaties de antimilitaristische groep Onkruit een belangrijke inspirator was.
Ommekeer
Het aan de macht komen van het kabinet-Lubbers I in 1982 vormde echter een eerste keerpunt. Op veel terreinen was zo langzamerhand een patstelling bereikt tussen bewegingen en autoriteiten. Op sommige terreinen waren duidelijke successen geboekt (bijv. de uitspraak van het parlement tegen de neutronenbom, of de stopzetting van de dumping van radioactief afval in zee), op andere terreinen was sprake van gedeeltelijk succes (legalisering van veel kraakpanden en verbetering van het volkshuisvestingsbeleid, maar ook nederlagen bij de ontruiming van andere kraakpanden; verhindering van de bouw van nieuwe kerncentrales, maar openblijven van de al bestaande twee etc.).
Ondanks deze hele en gedeeltelijke successen werden door de veranderde politieke situatie vanaf 1982 de vooruitzichten voor verdere successen somberder. Op één belangrijk onderwerp, de plaatsing van kruisraketten, was de strijd echter nog onbeslist, en het was dit issue dat mede door de zeer grote mate van ondersteuning door alliantiepartners de bewegingen in de fase van massamobilisatie tussen 1983 en 1985 ging domineren.
De campagne tegen de plaatsing van kruisraketten in Nederland bereikte door de zeer sterke ondersteuning wel een ongekende massaliteit, maar ging wel ten koste van de andere bewegingen. Vele activisten verplaatsen hun aandacht na 1982 naar de kruisrakettenstrijd, die steeds meer ging fungeren als een soort beslissende krachtmeting tussen bewegingen en gevestigde politiek en tussen regering en de linkse oppositiepartijen.
De sterke concentratie van bewegingsactiviteit in deze ene, zeer brede, campagne had ook een matiging van actievormen en doelen tot gevolg. De brede vredesbeweging was er zeer op gebrand haar krediet niet te verspelen door illegale, laat staan gewelddadige acties, en probeerde door matiging van de doelstellingen het weifelende CDA over de streep te trekken. Door de grote invloed van de PvdA in het Komitee Kruisraketten Nee werd deze tendens nog eens versterkt: de PvdA was al helemaal beducht in de radicale hoek getrokken te worden, juist nu zij bezig was zich van haar in de jaren zeventig opgebouwde radicale en onverantwoordelijke imago te bevrijden.
Vredesbeweging valt stil
In de loop van 1985, al voor het uiteindelijke besluit tot plaatsing van de kruisraketten was genomen, werd steeds duidelijker dat de dragende organisaties in de kruisraketten campagne, IKV en de PvdA, om verschillende redenen het onderwerp eigenlijk liever van tafel zouden willen hebben. Met het volkspetitionnement, dat uiteindelijk door 3,75 miljoen mensen zou worden ondertekend werd nog één, uiterst gematigde, poging gedaan de regering tot niet-plaatsing te overreden.
Na het plaatsingsbesluit van 1 november 1985 viel de brede vredesbeweging volledig stil; hoewel de basis van de beweging te kennen gaf door te willen gaan, zonodig door middel van burgerlijke ongehoorzaamheid, legden PvdA en IKV zich bij de nederlaag neer. Terwijl de sterke ondersteuning in de voorafgaande periode de basis vormde voor de massale mobilisatie van de vredesbeweging, had het wegvallen van diezelfde steun een minstens zo grote negatieve uitwerking op de vredesbeweging.
De beweging, die door het overwicht van de PvdA en een paar nationale organisaties naar bewegingsmaatstaven zeer centralistisch was, werd door het wegvallen van de top volledig stuurloos, en vanaf 1986 werd van de vredesbeweging in Nederland nog maar weinig vernomen. Ook wat de andere bewegingen betreft is eind jaren tachtig weinig meer over van de enkele jaren daarvoor nog vaak innige verstrengeling tussen bewegingen en alliantiepartners.
Tijdens de periode voorafgaand aan het plaatsingsbesluit werd door velen gewaarschuwd voor de gevolgen die het negeren van de wens van de meerderheid van de bevolking en van de meest massale Nederlandse beweging sinds mensenheugenis zou hebben. Gevreesd werd dat een plaatsingsbesluit tot grote vervreemding van de politiek zou leiden, en een massaal radicaliseringsproces in gang zou zetten.
Inderdaad was er vanaf 1984, en versterkt in 1985, sprake van een opleving van radicalere vredesacties. In toenemende mate kwam het tot een verwijdering tussen de gematigde vleugel die zich bleef richten op de. beïnvloeding van de parlementaire besluitvorming, en dus op het CDA, en een radicale vleugel die plaatsing door burgerlijke ongehoorzaamheid onmogelijk wilde maken.
Daarmee waren de bewegingen aangekomen op een punt dat vergelijkbaar was met de situatie aan het begin van de jaren zeventig. Aan de ene kant was er een deel van de bewegingen dat door successen, erkenning door de overheid als gesprekspartner, en/of de samenwerking met gevestigde politieke organisaties steeds meer in gematigde richting was opgeschoven, of, zoals bijvoorbeeld voor delen van de kraakbeweging het geval was, zich had ontwikkeld van een politieke beweging tot een gelegaliseerde subcultuur.
Daartegenover stonden diegenen die de behaalde resultaten onvoldoende vonden, door wilden gaan en met radicalere actievormen de autoriteiten alsnog op de knieën wilden krijgen. Deze tendensen vinden we terug in de ontwikkeling van de door de bewegingen gebruikte actievormen.
Uit de krantengegevens blijkt dat de sterke toename van bewegingsactiviteit aan het begin van de jaren tachtig voor een belangrijk deel op het conto van confronterende actievormen als blokkades, bezettingen en kraken geschreven kan worden. Opvallend is dat, ondanks dit tamelijk radicale karakter van de acties aan het begin van de jaren tachtig, van gewelddadige acties nauwelijks sprake is. Door de overheersende rol van de vredesbeweging, en de sterke ondersteuning van die beweging, treedt daarna een periode van matiging in: het aantal confronterende acties loopt terug, en demonstratieve vormen (demonstraties, manifestaties, petities etc.) gaan domineren.
Vanaf 1984 is weer een kentering zichtbaar: er is sprake van een come-back van radicale vormen, waarbij echter ditmaal ook geweld een belangrijk onderdeel van het actie-repertoire gaat vormen. Parallel daaraan is ook sprake van een stijging van het aantal conventionele acties (lobbyen, juridische actie, en het naar voren brengen van standpunten in de media). De opkomst van zowel zeer gematigde als zeer radicale actievormen gaat gepaard met een sterke teruggang van het 'middengebied' in het actie-repertoire; de demonstratieve en geweldloos-confronterende vormen.
Radicaliseringsproces
De oorzaak van deze schijnbaar tegenstrijdige ontwikkeling is gelegen in de verwijdering tussen de radicale delen enerzijds en gematigde stromingen en hun alliantiepartners anderzijds. Terwijl aan het begin van de jaren tachtig nog sprake was van het nodige begrip voor radicale acties, en ook serieus op eisen werd ingegaan (de successen van de kraakbeweging In die tijd zijn hiervan wel het beste voorbeeld) is nu steeds meer sprake van distantiëring van de kant van gematigde organisaties en de gevestigde politiek.
Deze situatie maakt het de autoriteiten bovendien mogelijk het isolement van de radicale vleugels te versterken door gedifferentieerd met protest om te gaan. De gematigde stroming, die meepraat in overlegorganen, allianties heeft gesloten met gevestigde organisaties, en zich, voorzover er nog sprake is van mobilisatie van de achterban, beperkt tot legale acties als demonstraties, wordt met begrip, eventueel subsidie, en zonodig met concessies tegemoet getreden. De steeds meer geïsoleerde radicalen kunnen, nu zij niet meer gesteund worden door de gematigde delen van de bewegingen en door gevestigde alliantiepartners, straffeloos als 'relschoppers' bestempeld worden, en worden steeds meer met repressie geconfronteerd.
Het in gang gezette proces werkte bovendien zelfversterkend: met het teruglopen van de ondersteuning en het isolement ten opzichte van de gematigde delen van de bewegingen viel ook de matigende invloed van deze organisaties op de actievormen weg, en door de repressie werden tegenculturele tendensen al evenzeer versterkt. Het gevolg was dat de radicalen alleen nog maar radicaler werden. Omdat zij een tegenculturele groepsidentiteit ontwikkelden, gingen zij er ook steeds meer 'anders' uitzien. Eenmaal getooid met leren jas, bivakmuts en hanekam, kwam de zo ontstane 'autonoom' al helemaal in de hoek waar de klappen vielen. Het kost de autoriteiten immers weinig moeite om het grootste deel van de publieke opinie ervan te overtuigen dat dergelijke types niets goeds in de zin hebben en een gevaar voor de samenleving vormen, een beeld dat zijn complement vond in een gelijksoortige typering van de autoriteiten aan de kant van de autonomen.
Vanaf 1985 zette het radicaliseringsproces dan ook door, met de dood van kraker Hans Kok in een Amsterdamse politiecel op 25 oktober 1985 als katalysator. Niet alleen was sprake van een toename van het aantal gewelddadige acties, binnen die categorie worden de middelen ook steeds harder: nog min of meer openlijke en beperkte vormen van geweld als stenen gooien bij demonstraties of het ingooien van ruiten maken plaats voor bomaanslagen, brandstichtingen en sabotage-activiteiten. (4)
In tegenstelling tot wat verwacht en gevreesd werd richtten dergelijke acties zich echter maar in beperkte mate tegen de plaatsing van kruisraketten. Er werden weliswaar enkele aanslagen gepleegd op bedrijven die bij de bouw van de basis in Woensdrecht betrokken waren, maar het leeuwendeel van de energie van de autonomen richtte zich op andere onderwerpen, zoals de Centrumpartij (culminerend in de gewelddadige aanval op een vergadering van die partij in Kedichem op 29 maart 1986, waarbij het hotel waarin de vergadering plaatsvond afbrandde en enkele zwaargewonden vielen), en de betrokkenheid van Nederlandse bedrijven bij het Zuidafrikaanse apartheidsregime (met als bekendste voorbeeld de brandstichtingen van RARA bij vestigingen van de groothandel MAKRO).
Dat de radicale acties zich niet primair richtten op de kruisraketten is overigens niet zo verwonderlijk. Tegenculturele stromingen zijn niet erg 'honkvast' wat het doel van de acties aangaat. Omdat de conflictueuze interactie met autoriteiten voor tegenculturele bewegingen op de voorgrond staat, is het precieze onderwerp waarop dat conflict wordt uitgevochten van ondergeschikt belang; voor hen zijn militarisme, kernenergie, uitbuiting van de Derde Wereld, racisme, woningnood enzovoort niet meer dan verschillende uitingsvormen van één meer omvattend probleem, en dus onderling uitwisselbaar. Al eerder was de activiteit van radicale groepen probleemloos overgegaan van kraak- en anti-kernenergiebeweging naar de vredesbeweging (5), en nu werd even gemakkelijk overgeschakeld naar weer andere doelen.
Anders dan in de eindfase van de eerste golf kwam het in de tweede helft van de jaren tachtig dus wel tot een aanzienlijke toename van tegenculturele acties. De belangrijkste oorzaak daarvoor was de ten opzichte van het begin jaren zeventig sterk veranderde politieke situatie. Terwijl toen een politieke machtsverschuiving naar links was opgetreden en een hervormingsgezinde regering aan de macht kwam, vond in de loop van de jaren tachtig een verschuiving naar rechts plaats. Waar de bewegingsactiviteit aan het eind van de eerste golf door succes en hoge verwachtingen van parlementaire veranderingen terugliep, was in de jaren tachtig het tegendeel het geval: door de afnemende succeskansen en het wegvallen van gevestigde alliantiepartners was buitenparlementaire actie voor velen een doodlopende weg geworden.
Zelfs voor degenen die nog wel wilden, boden zich steeds minder mogelijkheden aan: gematigde organisaties zochten het steeds meer in het gebruik maken van de verworven contacten met de gevestigde politiek en toegang tot de media, terwijl de acties die nog wel georganiseerd werden in toenemende mate gedomineerd werden door activisten uit de hoek van de autonomen. Hierbij voelden velen zich ook niet thuis, nog afgezien van het feit dat dergelijke acties steeds vaker ofwel in het geheim plaatsvonden ofwel op gewelddadige confrontaties uitliepen, hetgeen de mogelijkheden en animo tot deelname ook al niet verhoogde.
Door de in de jaren tachtig verslechterende politieke situatie in Nederland is sprake van een opmerkelijke convergentie ten opzichte van de nieuwe sociale bewegingen in de Duitse Bondsrepubliek. Terwijl in de jaren zeventig jaren in de Bondsrepubliek sprake was van een sterke tegenculturele stroming en zwak ontwikkelde institutionalisering, is daar juist in de jaren tachtig sprake geweest van een opening van de gevestigde politiek naar de nieuwe sociale bewegingen.
Met de opkomst van de Grünen en de veranderingen die deze concurrent bij de in de jaren zeventig ten opzichte van de bewegingen zeer gesloten, haast vijandige Duitse tegenhanger van de PvdA (de SPD) teweeg heeft gebracht, is ook de bewegingssector opgeschoven in de richting van de Nederlandse. In de jaren tachtig vinden we dan ook in de Bondsrepubliek een duidelijke institutionalisering en matiging van een aantal grote bewegingsorganisaties, terwijl het radicalisme van de jaren tachtig aanmerkelijk minder extreem is dan het terrorisme van de jaren zeventig.
Tegelijk heeft zich in Nederland een omgekeerde beweging voltrokken: hier is radicaal-links in de jaren tachtig ineen gestort, is de PvdA aanmerkelijk verder van de bewegingen af komen te staan en zijn de succeskansen er vergeleken bij de jaren zeventig ook niet op vooruit gegaan. Terwijl in Nederland het actierepertoire hierdoor in de tweede golf radicaler is dan in de eerste, is in Duitsland precies het omgekeerde het geval.(6)
Institutionalisering
Net als aan het einde van de eerste golf ging de radicalisering in de tweede helft van de jaren tachtig samen met een tendens tot institutionalisering. Anders dan aan het einde van de eerste golf leidde deze ontwikkeling ditmaal niet tot een groei van radicaal-linkse partijen. Integendeel, radicaal-links maakte een periode van interne conflicten en electoraal en ledenverlies door.(7)
Gevoegd bij het afscheid van de PvdA van haar nieuw-linkse verleden leidde dit tot een situatie waarin de partijpolitiek weinig hoop op veranderingen in progressieve zin bood. De grotere bewegingsorganisaties profiteerden in de tweede helft van de jaren tachtig echter des te meer van de accent-verschuivingen binnen de bewegingssector.
Terwijl de grotere bewegingsorganisaties tijdens de hoogtijdagen van de tweede golf eerder met teruggang of stagnatie van hun ledental geconfronteerd werden, was er vanaf 1985 juist sprake van een spectaculaire groei. Zo daalde het ledental van Natuurmonumenten van 1981 tot 1985 van 260.000 tot 235.000, om daarna te stijgen tot 306.000 in 1990; de groei van Greenpeace was tot 1985 niet zeer sterk, de in 1979 opgerichte Nederlandse tak heeft dan 70.000 leden, maar vijf jaar later zijn het er 830.000! Ook Amnesty International kan in drie jaar tijd bijna 35.000 nieuwe leden inschrijven, het ledenaantal groeit van 85.000 in 1987 tot 120.000 in 1990.
Het blijft overigens niet bij groei van deze 'grote drie' van de Nederlandse nieuwe sociale bewegingen: ook kleinere organisaties als Milieudefensie (na een lange periode van stagnatie stijgend van 15.000 leden in 1987 tot 27.000 in 1990) en het Komitee Zuidelijk Afrika (midden jaren zeventig 10.000 leden, daarna terugloop, en vanaf 1985 groei tot 40.000 in 1988) profiteren mee van de institutionaliserings-tendens. Significante uitzondering op dit patroon vormt de vredesbeweging: IKV en Pax Christi komen door verlies aan leden en donaties in de financiële problemen en zien zich gedwongen medewerkers te ontslaan. De combinatie van een gevoelige nederlaag, de vergaande ontspanning tussen Oost en West, en niet te vergeten de geringere mogelijkheden tot institutionalisering door de traditionele geslotenheid van het defensie-politieke besluitvormingscircuit, eisen voor deze organisaties duidelijk hun tol.
Opmerkelijk genoeg is het dus vaak niet de mobilisatie van bewegingen die tot groei van hun organisaties leidt, maar eerder hun demobilisatie. Van een algehele desillusie met betrekking tot de mogelijkheden van sociale bewegingen is dus blijkbaar geen sprake, en al helemaal niet van een verlies aan interesse in de onderwerpen die die bewegingen aan de orde stellen. Er is sprake van participatie op een andere manier:ondanks de in de tweede helft van de jaren tachtig tamelijk ongunstige voorwaarden voor buitenparlementair protest en de daardoor teruggelopen bewegingsactiviteit lijken velen betrokken te willen blijven bij het onderwerp en middels hun steun aan organisaties te willen verzekeren dat het overheidsbeleid ook in tijden van mindere bewegingsactiviteit kritisch gevolgd wordt. Het lijkt geen al te gewaagde veronderstelling dat een belangrijk deel van de mensen die aldus hun protestactiviteit 'op sterk water hebben gezet' bij een gunstige ontwikkeling van de mogelijkheden voor protest weer tot verdergaande vormen van politieke participatie te porren zuilen zijn.
Nieuwe golven, nieuwe profeten
Overigens mag niet onvermeld blijven dat er dan wel sprake is van terugloop van de bewegingsactiviteit na 1985, maar dat deze wel degelijk relatief is. Zoals we aan het eind van de vorige paragraaf al constateerden, bevond de activiteit van nieuwe sociale bewegingen zich in het 'dal' in het midden van de jaren zeventig nog duidelijk boven het uitgangsniveau van 1965. Hetzelfde doet zich nu weer voor: aan het eind van de jaren tachtig is zeker sprake van een activiteits-dal, maar het ligt duidelijk hoger dan het dal van de jaren zeventig, laat staan dat er ook maar enigszins sprake zou zijn van een terugkeer naar de situatie van voor 1965.
Er is dan ook geen enkele reden om de doodsklok over de nieuwe sociale bewegingen te luiden. Er mag dan sprake zijn van ups en downs, de lange-termijn trend is er nog altijd een van toename van bewegingsactiviteit; of we nu kijken naar het aantal acties, naar de aantallen deelnemers of naar de ledentallen van bewegingsorganisaties. De uitgangspositie voor nieuwe golven van protestactiviteit worden bovendien alleen maar beter: er zijn inmiddels veel meer mensen die protesten organisatie-ervaring hebben dan in het midden van de jaren zestig, en er is in de loop van de tijd een fijnmazig netwerk van organisaties gegroeid, die over een ruime mate aan deskundigheid, menskracht en inmiddels zelfs tamelijk ruime financiële hulpbronnen beschikken.
In een tijd waarin politieke partijen als middel tot participatie van burgers in de politieke besluitvorming aanmerkelijk aan belang hebben ingeboet, lijkt aan de nieuwe sociale bewegingen dan ook een zonniger toekomst beschoren. Het wat, wanneer en hoe van een nieuwe golf van protestactiviteit is een andere vraag, waarop het antwoord met name zal afhangen van de toekomstige ontwikkeling van de partijpolitieke verhoudingen in Nederland.
Één ding is echter zeker: bij de opgang van de volgende golf zuilen er weer profeten zijn die verkondigen dat we op de drempel van een nieuwe maatschappij staan, en wanneer de onvermijdelijke neergang inzet, zullen andere profeten weer menen dat we een tijdperk van verzakelijking, politieke passiviteit en van het einde van de ideologie zijn binnengetreden. Het is niet anders: ook het denken over sociale bewegingen blijkt zijn golfbewegingen te kennen.
Ruud Koopmans
Ruud Koopmans (1961) studeerde politicologie aan de UvA. Hij is momenteel verbonden aan het Postdoctoraal Instituut voor de Sociale Wetenschap in Amsterdam, en schrijft een proefschrift over nieuwe sociale bewegingen in Duitsland.
Noten
1. Deze paragraaf is een bewerking van een deel van een artikel dat eerder in De Helling verscheen (Koopmans/Duyvendak 1990).
2. Zie bijvoorbeeld de Vrij Nederland-bijlage (1990, nr.7) over de Vondelstraat, en de Haagse Post-special (1990, nr.15) over 30 april 1980.
3. Het percentage is steeds berekend voor periodes van drie jaar (1975-77, 1978-80, 1981-83, 1984-86 en 1987-89) om te corrigeren voor te grote fluctuaties in met name de jaren met relatief weinig bewegingsacties, waarin één ondersteunde actie meer of minder al gauw tot grote schommelingen zou leiden. Van ondersteuning is sprake als: a) de betreffende alliantie partner in het krantenbericht genoemd wordt als een van de organisatoren van de actie; b) de alliantiepartner lid is van de organisatie die de actie organiseert (door het KKN-georganiseerde acties zijn aldus geteld als acties die zowel door de PvdA, de FNV als door de drie radicaal linkse partijen (die alle lid van het KKN waren) werden gesteund; c) de organisatie die de actie organiseert zeer nauw (m.n. financieel) verbonden is met de betreffende alliantiepartner (zo zijn bijvoorbeeld acties van het IKV of van Pax Christi als door de kerken ondersteunde acties geteld).
4. Voor een overzicht van dergelijke acties, waaruit duidelijk de toename vanaf 1985 blijkt, zie Klerks 1989: 217-229.
5. Zo veranderden de 'Basisgroepen tegen Kernenergie' hun naam in 'Basisgroepen tegen Kerngeweld en Militarisme'.
6. Dat neemt niet weg dat, hoewel minder extreem dan voorheen, de verschillen nog altijd aanwezig zijn: tegenculturele stromingen zijn in de Bondsrepubliek nog altijd sterker ontwikkeld, terwijl in Nederland de gematigde, geïnstitutionaliseerde vleugel nog altijd relatief sterk is.
7. In 1980 hadden CPN, PSP, PPR, en EVP samen nog 35.217 leden, in 1988 waren dat er nog maar 16.763.
Literatuur
o Noort, W. van (1988): Bevlogen bewegingen. Een vergelijking van de antikernenergie- kraak- en milieubeweging. Amsterdam: SUA.
o Huberts, L. en W. van Noort (red., 1989): Sociale bewegingen in de jaren negentig. Leiden: DSWO-Press.
o Koopmans, R. (1989): Die Entwicklung der Autonomenbewegung in den Niederlanden und in der Bundesrepublik. paper voor de workshop 'Vergleichende Analysen sozialer Bewegungen', Wissenschaftszentrum Berlin.
o Leif, T. (1985): Die professionelle Bewegung Friedensbewegung von innen Bonn: Forum Europa Verlag.