Naar archief

UIT: NN #98 van 28 november 1991  

Vrouwenhandel: justitiebeleid in nederland 

In september 1991 heeft de Rotterdamse rechtbank zich niet-ontvankelijk verklaard in een rechtszaak tegen vijf van vrouwenhandel verdachte personen. Deze uitspraak kan verstrekkende gevolgen hebben voor de vervolging van vrouwenhandel(aren). Door deze uitspraak wordt het recht van vrouwen opeen tijdelijke verblijfsvergunning als zij aangifte doen van vrouwenhandel veranderd in de plicht om hen in Nederland te houden zolang justitie dat nodig acht (en geen dag langer). Het is daarmee een gigantische stap terug wat betreft het betrekken van de belangen van vrouwen bij de ontwikkeling van het justitieel beleid tegen vrouwenhandel. 

Een stukje geschiedenis 

Vóór 1988 was er eigenlijk geen beleid om vrouwenhandel te vervolgen. Het stond weliswaar als misdrijf in het Wetboek van Strafrecht genoemd, maar dat was dan ook alles. Als de politie illegale buitenlandse vrouwen in een bordeel aantrof, werden zij de grens over gezet. Er werd niet onderzocht of er sprake was van vrouwenhandel en de vrouwen werden niet in de gelegenheid gesteld om aangifte te doen. Ze hadden ook geen enkele reden om enig vertrouwen in de politie te hebben, zowel gezien hun eigen ervaringen als door het bekende verhaal wat handelaren hen vaak vertellen, namelijk dat de politie hier corrupt is en de handelaren beschermt. 

Door de toenemende druk van aktiegroepen en de strijd van vrouwen die ondanks alle belemmeringen toch aangifte deden en vervolging van hun handelaren eisten, werd vrouwenhandel een item op de politieke agenda. In 1988 vertaalde zich dat in een aantal beleidswijzigingen. Het Openbaar Ministerie vaardigde nieuwe richtlijnen uit voor de opsporing en vervolging van vrouwenhandel.  

Daarin werd onder andere de bewijslast vereenvoudigd; volgens de nieuwe richtlijnen bestaat er al een redelijk vermoeden van schuld als een buitenlandse vrouw wordt aangetroffen in een uitbuitingssituatie. Dat wordt dan uitgelegd als 'omstandigheden die niet gelijk zijn aan die waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt - te verkeren'.

Alhoewel dit nog steeds een vage omschrijving is (wat is mondig?), is het een vooruitgang ten opzichte van de oude situatie omdat het bestaan van een uitbuitingssituatie nu als aanvullend bewijs kan dienen in een rechtszaak. En zeker als er maar één aangifte tegen een handelaar is, kan dat van cruciaal belang zijn. 

Verder werd voorgesteld om de maximumstraf voor vrouwenhandel te verhogen van vijf naar zes jaar, waardoor handelaren makkelijker in voorarrest kunnen worden gehouden. Als zij na verhoor weer op vrije voeten komen, kan dat voor de vrouwen die aangifte hebben gedaan natuurlijk uiterst bedreigend zijn. Bovendien kwam het voor dat handelaren uitweken naar het buitenland en zich zo aan rechtsvervolging onttrokken. Deze verhoging van de maximumstraf staat in het voorstel voor de wijziging van art. 250 Ter uit het Wetboek van Strafrecht (wat over vrouwenhandel gaat), waar nog steeds geen besluit over is genomen. 

In hoofdstuk B22 van de vreemdelingencirculaire -de uitwerking van de vreemdelingenwet waarin het beleid is vast gelegd- werd gesteld dat verhandelde vrouwen een goede opvang en begeleiding moeten krijgen en dat de politie al bij een gering vermoeden van vrouwenhandel de vrouwen niet mag uitwijzen. Zij moeten in kontakt worden gebracht met de zedenpolitie zodat ze aangifte kunnen doen als ze dat willen. Ook hebben vrouwen recht op een rustpauze. Als ze nog niet weten of ze -aangifte willen doen moeten ze de tijd krijgen om daar over na te denken. In die periode mogen ze niet worden uitgewezen.  

In ditzelfde hoofdstuk B22 wordt ook geregeld dat vrouwen als zij besluiten om aangifte te doen van vrouwenhandel, een tijdelijke verblijfsvergunning kunnen krijgen. Ze mogen in Nederland blijven voor de duur van het proces tot en met het hoger beroep. Het is zowel op humanitaire gronden dus het belang van het slachtoffer, als op het belang van justitie gebaseerd. Justitie hoopte hiermee de aangiftedrempel te verlagen en de vrouwen als getuigen te kunnen horen. 

De praktijk 

Door dit nieuwe beleid nam het aantal aangiften en rechtszaken toe. Uit de periode voor '87 zijn slechts vijf rechtszaken bekend, daarna ruim twintig. In de meeste gevallen leverden deze zaken veroordelingen op, variërend van een tot 4 jaar straf. Heel af en toe eindigen de rechtszaken in vrijspraken. Als justitie over onvoldoende bewijs denkt te beschikken, worden zaken geseponeerd of aangehouden. Tegen het sepo kunnen vrouwen in beroep gaan en eisen dat er wel vervolgd wordt. Dat is met een paar gevallen gebeurd. 

Alhoewel dit nieuwe beleid in alle opzichten een verbetering was ten opzichte van de situatie daarvoor, kwamen ook al snel de beperkingen ervan aan het licht. Zo is het bijvoorbeeld vrijwel onmogelijk voor vrouwen om na afloop van het proces een zelfstandige verblijfsvergunning te krijgen. 

Zeer incidenteel en na lange strijd is het vrouwen gelukt op humanitaire gronden hier te mogen blijven, maar in de meeste gevallen wordt dat afgewezen. De enige mogelijkheid die dan overblijft om hier legaal te blijven is een huwelijk met een Nederlander, wat opnieuw een afhankelijke situatie oplevert. Bovendien kan het een vrouw weerhouden om aangifte te doen als ze weet dat ze na het proces terug moet naar haar land van herkomst. Zeker als ze bang is voor represaillemaatregelen van de handelaar, waartegen ze in eigen land al helemaal niet beschermd is. 

Een ander belangrijk kritiekpunt is dat er geen controle is op de uitvoering van het nieuwe beleid. Er zijn nog steeds politiekorpsen waar men nog nooit van de nieuwe richtlijnen en B22 gehoord lijkt te hebben en waar simpelweg gesteld wordt dat vrouwenhandel in hun regio niet voorkomt. En waar buitenlandse prostituees zonder geldige verblijfspapieren zonder meer de grens over gaan, zonder dat iemand de mogelijkheid krijgt om zelfs maar met hen te praten.  

Ook bij korpsen waar men wel op de hoogte is, gaat men geregeld ongelooflijk de mist in. Er bestaat vaak een verschil tussen de Vreemdelingenpolitie (VP) en de Zedenpolitie (ZP). Zijn er met de ZP nog wel afspraken te maken, bij de VP ligt dat moeilijker. De belangen verschillen ook sterker; de ZP wil sterke zaken tegen handelaren. Dat botst soms ook met het belang van de vrouwen, om wie het gaat, maar uiteindelijk is het ook in het belang van de vrouwen dat handelaren vervolgd worden. Het belang van de VP is het opsporen van illegalen; Zeker de laatste jaren (voorproefje op de open grenzen) is er sprake van toenemende controle en razzia's in de prostitutiebuurten. 

De gevolgen daarvan zijn aanzienlijk. Het vergroot in de eerste plaats de afhankelijkheid van de vrouwen van derden. 'Handige jongens' die alles van verblijfsrecht zeggen te weten, verdienen grof geld. Ook neemt het aantal schijnhuwelijken, waarvoor vrouwen veel geld moeten betalen, toe. Verder zorgt dit beleid ervoor dat vrouwen minder lang op één plek werken, wat het moeilijker maakt om met hen in kontakt te komen. Dat laatste wordt nog eens verder bemoeilijkt omdat de vrouwen angstiger en wantrouwender worden door een dergelijk opjaagbeleid. 

Een ander punt is dat dit beleid alleen gericht is op de strafrechtelijke kant van de zaak (het vervolgen van handelaren) en dat er niets wordt gedaan om de positie van de vrouwen te verbeteren. Soms zelfs het tegendeel; een vrouw kan, bij politie en justitie, maar ook in de media, vaak op meer sympathie rekenen als ze voldoet aan het klassieke beeld van onschuldig slachtoffer dan wanneer ze zich krachtig en weerbaar opstelt en laat blijken heel goed te weten wat ze wil. 

Recente ontwikkelingen 

Dit alles neemt echter niet weg dat het nieuwe beleid een stap in de goede richting was. Er moesten er alleen nog een hoop volgen. De recente ontwikkelingen lijken echter een andere kant op te gaan, een kant die het belang van de vrouwen niet dient en daardoor die van de strijd tegen vrouwenhandel in het algemeen niet. 

In september 1991 werd uitspraak gedaan in een rechtszaak tegen vijf van vrouwenhandel beschuldigde personen. De vier Filippijnse vrouwen die in december 1989 aangifte hadden gedaan, waren terug gegaan naar de Filippijnen. Ze waren wel uitgebreid verhoord bij de politie en bij de rechter-commissaris, echter zonder daar door de advocaten van de verdachten te zijn gehoord. De rechtbank heeft zich niet-ontvankelijk verklaard. Zij legt B22 niet uit als een recht van vrouwen op een tijdelijke verblijfsvergunning maar kijkt alleen naar het belang van justitie. 

In de interpretatie van de rechtbank heeft de vreemdelingendienst c.q. het Openbaar Ministerie de plicht om de vrouwen hier te houden zodat zij beschikbaar zijn voor het gerechtelijk onderzoek. Omdat het OM dat niet gedaan heeft en de vrouwen op staatskosten zijn teruggevlogen (officieel is het dan e~n uitwijzing), vindt de rechtbank dat het OM zich niet aan de richtlijnen heeft gehouden en daardoor zijn de belangen van de verdachten zozeer geschaad, dat de rechtbank zich niet-ontvankelijk verklaart. Geen rechtszaak dus.  

Dat de rechtbank daarbij voor zo'n zwaar middel als niet-ontvankelijk verklaring kiest, heeft te maken met een algemene trend, ook op Europees nivo, om de rechten van verdachten op te waarderen. Er is bijvoorbeeld ook een uitspraak van het Europees Hof dat het gebruik van anonieme getuigen verbiedt om de bewijsvoering rond te krijgen (het Kostovski-arrest). 

Gevolgen 

Het is afwachten wat dit in de praktijk zal betekenen. In hoeverre rechters echt gaan eisen dat vrouwen tot aan de laatste rechtszitting aanwezig zijn om gehoord te kunnen worden. Justitie kan de vrouwen namelijk niet tegen hun zin hier houden. In ieder geval zal een vrouw in Nederland moeten blijven tot de advocaten van de verdachten haar hebben ondervraagd.  

Maar in hoeverre iedere rechtbank zich niet-ontvankelijk verklaart als de vrouw daarna terugkeert naar haar land van herkomst is nog onduidelijk. De discussie over de interpretatie van B22 is nog niet uitgevochten. Met deze uitspraak is echter wel een tendens gezet om dit niet te interpreteren als een recht van vrouwen maar als een plicht van het Openbaar Ministerie. 

Duidelijk is in ieder geval wel dat op het moment dat een vrouw aangifte komt doen, er druk door politie en justitie op haar uitgeoefend zal worden om in Nederland te blijven. Anders heeft het weinig zin om überhaupt een onderzoek in te stellen. En ook voor de vrouw zelf is het zinloos om aangifte te doen als ze terug wil naar haar land van herkomst, waarom zou ze zich aan alle zware en vaak pijnlijke verhoren blootstellen als ze daarmee het risiko loopt dat het toch niks oplevert omdat ze niet op de rechtszitting aanwezig is? 

Het is een absolute omkering; hebben vrouwen na lange strijd het recht gekregen om tijdelijk in Nederland te MOGEN blijven, worden ze nu VERPLICHT om te blijven. B22 was bedoeld om de aangiftedrempel te verlagen. In plaats daarvan is die nu fors opgehoogd. Aangifte doen heeft immers voor een vrouw alleen nog maar enige zin als ze bereid is om tot en met een eventueel hoger beroep in Nederland te blijven, wat toch al gauw een paar jaar duurt, om er dan alsnog uitgegooid te worden op het moment dat ze geen nut meer heeft voor justitie. Het belang van politie en justitie (het vervolgen van handelaren) wordt daarmee niet gediend. Maar bovendien is het aspekt van het belang van de vrouwen hiermee verder uit het gezichtsveld van het justitieel beleid verdwenen.   


Janneke

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1991