UIT: NN #96 van 31 oktober 1991
FNV: houdt het breed!
"Vakbondsstrijd is per definitie vredesstrijd" zei toenmalig FNV-bestuurder Cees Commandeur begin jaren tachtig. Hij vertegenwoordigde de stroming voor een 'brede vakbond' die meer wilde zijn dan een loon- en CAO-machine. Zo zetten in 1985 vier FNV-bonden de strijd voort tegen de kruisraketten door deelname aan het BIVAK (Breed Initiatief voor Verdergaande Akties tegen Kruisraketten). De Voedingsbond FNV deed mee aan de anti-apartheidsstrijd via de blokkade van het Shell-laboratorium in '89. Zo zijn er meer voorbeelden van vakbondsakties die verder gaan dan het gangbare beeld dat met name heerst bij sommige traditionele radikale aktiescenetjes. Het zal duidelijk zijn, er bestaan binnen de vakbeweging verschillende visies op haar rol. Enerzijds optreden op alle maatschappelijke terreinen waar de belangen van loon en uitkeringstrekkenden in het geding zijn en coalitievorming met sociale bewegingen; in Nederland vooral de vredesbeweging en de anti-apartheidsbeweging. Kernbegrip is 'brede vakbeweging'. Anderzijds de belangenstrijd die zich beperkt tot arbeid en inkomen. En binnen beide visies bestaat het verschil tussen systeemkrities en systeembevestigend optreden. De breedheid van de vakbweging is op dit moment nogal in diskussie. Bezuinigingen lijken de voornaamste drijfveer. Op ons verzoek schreef Hans Boot, redakteur van het kritische vakbondsblad Solidariteit, hierover een bijdrage.
"De FNV moet een emancipatiebeweging blijven op brede terreinen in de samenleving. Als de FNV haar breedte prijs geeft, verliest zij de maatschappelijke diepte." Dit zei de inmiddels legendariese Cees Commandeur in 1985 bij zijn afscheid als federatiebestuurder van de FNV. In september 1991 lekt een intern diskussiestuk uit van een prominente FNV werkgroep waarin afscheid wordt genomen van de brede vakbeweging onder het motto 'Minder beter'. In een pleidooi voor een "verdiepte" vakbeweging wordt de visie van Commandeur op z'n kop gezet.
Voor wie het niet (meer) zou weten, Commandeur was als pionier van de brede vakbeweging in de periode 1976-1985 de inspirator van "vakbondsstrijd is per definitie vredesstrijd". Sinds de Golf oorlog weten we wel dat de FNV daar geen boodschap meer aan heeft, maar het genoemde diskussiestuk wijdt er niet eens een woord aan. Die eer krijgen bijvoorbeeld nog wel konsumentenbeleid, gezondheidszorg, milieu en volkshuisvesting.
Zij het dat er vrijwel helemaal mee wordt afgerekend. Geheel in de stijl van het nieuwe management worden 'kernaktiviteiten' (arbeid en inkomen) centraal gesteld en taken in de woon- en leefsfeer als ballast afgestoten en 'uitbesteed' aan andere belangenorganisaties (bijvoorbeeld konsumentenverenigingen en milieugroepen) .
Geïntegreerde vakbeweging
Wat bezielt de FNV met deze versmalling van haar werkterrein? Om die vraag te beantwoorden, is het goed eerst een paar algemene opmerkingen te maken over de Nederlandse vakbeweging. Waar Nederland in West-Europa valt onder de landen waar het minst gestaakt wordt en de organisatiegraad tot de laagste behoort, kan de vakbeweging sterk geïntegreerd genoemd worden. Dat wil zeggen dat in de loop van haar geschiedenis de leiding van de vakbeweging op vele niveaus is gaan deelnemen aan de sociaal-ekonomiese besturing van de samenleving. En ze doet dat met een bovenmatig begrip voor de grillen en nukken van de kapitalistiese produktiewijze.
In samenhang daarmee is de invloed van die leiding op het vakbondsbeleid over en dat van de 'gewone leden' onderontwikkeld. Verder is in het algemeen de positie van de vakbeweging op de werkvloer zwak. Kortom, de Nederlandse vakbeweging kenmerkt zich door ingroei, centralisme en meedenken met ondernemers en staat. Of preciezer gezegd, dit zijn de overheersende kenmerken. Want er zijn perioden en sektoren die meer of minder sterk een ander beeld laten zien, namelijk meer strijdbaar en demokraties. Bijvoorbeeld begin deze eeuw, direkt na de beide wereldoorlogen en eind zestiger/begin zeventiger jaren.
Wat de sektoren betreft, kan gedacht worden aan de havens, delen van de industrie en het Amsterdams gemeentelijk apparaat. Deze twee gezichten van de vakbeweging zijn eigenlijk permanent aanwezig, maar meestal wordt het, systeemkritiese overschaduwd door het systeem bevestigende.
Ekonomie en politiek
Wat wordt er nu bedoeld met de brede vakbeweging? Eerst een heel algemeen antwoord. Een vakbeweging die ekonomiese met sociale en politieke vraagstukken verbindt. Ten opzichte van de geschiedenis van de vakbeweging en de opvattingen over haar werkingsterrein betekent deze algemene omschrijving al heel wat. Op haar beginperiode na (de 'oude' vakbeweging) bestaat er namelijk sinds de eerste jaren van deze eeuw een scherp onderscheid tussen 'ekonomie' en 'politiek'.
En daardoor tussen de funktie van de ('moderne') vakbeweging en die van de politieke partij. Simpel gezegd, de vakbeweging is er . voor het loon en de loonstrijd en de politieke partij voor al het andere. De praktijk laat wel overlappingen zien, bijvoorbeeld bij het kiesrecht en het onderwijs, maar de scheiding is uitgangspunt. Door de toenemende vervlechting van 'ekonomie' en 'politiek' verbreedt de aktieradius van de vakbeweging. En daarmee het terrein van de belangenbehartiging.
Die verbreding is onder meer tot stand gekomen door de steeds aktievere bemoeienis van de staat met de ekonomie en de demokratiseringsbeweging van de zestiger jaren. Hoewel vaak met vallen en opstaan, maakt samenwerking met de zogenaamde nieuwe sociale bewegingen deel uit van die verbreding.
Macht en vrijheid
Tegen de achtergrond van de twee gezichten van de vakbeweging wordt het antwoord op de vraag naar de brede vakbeweging specifieker. In de eerste plaats is het dan een aanvulling op of een onderdeel van de strijdbare en demokratiese vakbeweging. Namelijk een vakbeweging die opkomt voor de belangen van alle loon- en uitkeringsafhankelijken en probeert de tegenstellingen tussen verschillende groepen te overwinnen. Bijvoorbeeld tussen betaald werkenden onderling, werkenden en werklozen, mannen en vrouwen, Nederlanders en migranten, religieuzen en niet-religieuzen. Dat wordt wel een eenheidsvakbeweging genoemd, waarin enerzijds de zelforganisatie van (nog-niet-)leden bevorderd wordt en anderzijds niet alleen voor loon maar ook tegen het loonsysteem gestreden wordt.
In de tweede plaats is het een vakbeweging die zich niet beperkt tot het strijdtoneel van arbeid en loon, maar zich richt op alle maatschappelijke terreinen waar de belangen van loon- en uitkeringsafhankelijken in het geding zijn. Dus naast arbeid en arbeidsomstandigheden ook leven en leefomstandigheden. Van huisvesting tot ruimtelijke ordening; van onderwijs tot kultuur; van verdeling van huishoudelijke, verzorgende en opvoedende taken tot kinderopvang; van milieu tot 'derde wereld'; van vrede tot kerncentrales; van positieve aktie tot apartheid/racisme. Op al deze terreinen vindt dan koalitievorming plaats met sociale bewegingen; in Nederland het meest ontwikkeld met de Vredesbeweging en in mindere mate met de anti-apartheidsbeweging. Kortom, een strijdbare, demokratiese en brede vakbeweging houdt zich bezig met arbeid, basisorganisatie, leven, macht en vrijheid.
Tegenmacht
Doorredenerend betekent dit alles dat ook de brede vakbeweging twee gezichten kent. Enerzijds deelname aan strukturen waarin de maatschappij beheerst wordt (systeem-bevestigend); anderzijds vorming van tegenmacht (systeemkrities). De periode van verzet tegen de kernbewapening en de plaatsing van de kruisraketten, met name in het begin van de tachtiger jaren, houdt voor de FNV een versterking in van de demokratiese en strijdbare vleugel. Een brede bewustwording en mobilisatie van de basis van de vakbeweging en tegelijkertijd een nauwe samenwerking met de vredesbeweging.
Interessant daarbij is dan in 1985 na het parlementaire besluit tot plaatsing van de kruisraketten een viertal FNV-bonden, in tegenstelling tot de FNV, de strijd voortzet door deelname aan het BIVAK (Breed Initiatief voor Verdergaande Akties tegen Kruisraketten). De twee gezichten van de vakbeweging zijn dan zeer herkenbaar.
Verenging en cynisme
Nog maar eens terug naar het diskussiestuk 'Minder beter'? Welke overwegingen leiden tot de verenging van de vakbeweging? Eigenlijk niet zo veel. Bezuiniging en efficiëntieverbetering. Of in de woorden van de FNV-werkgroep: "Voor een brede vakbeweging met beperkte middelen drong de keuze zich op tussen van-alles-een-beetje of minder-maar-beter." Uitvoerig wordt stil gestaan bij de zwakke "vermogenspositie" en de verandering van de "managementstructuur". Voor de taken zijn er te weinig mensen en voor de financiën te veel; het aantal arbeidsplaatsen moet dan ook in 1995 teruggebracht zijn van 208 naar 173, zij het zonder gedwongen ontslagen. De "bakens" moeten verzet worden, de "produktiestromen" omgebogen, de kwaliteit van het "eindprodukt" verbeterd, de "flexibiliteit" en "klantvriendelijkheid" opgevoerd.
De keuze voor het "brede" terrein van arbeid en inkomen en de terugtocht van de maatschappelijke emancipatiebeweging worden cynies verdedigd: "Zo hebben studerenden hun studentenvakbond, bejaarden hun eigen organisaties, evenals automobilisten, huurders, huisvrouwen, boeren, middenstanders, milieubeschermers, consumenten en bezitters van een eigen huis." En helemaal bont wordt het gemaakt als de stelling "hoe breder de vakbeweging, hoe geringer het democratisch draagvlak" aangehaald wordt. De maatschappelijke vraagstukken zouden alleen maar leven in "de hoofden van enkele bestuurders en medewerkers. Als het erop aankomt zal niemand er voor de straat op gaan, laat staan een staking beginnen."
Zo wordt dus gedacht over de politieke bewustwording en aktiebereidheid van leden en nog-niet-leden. Zo wordt de stagnerende organisatiegraad verklaard. Een pervers voorbeeld van een profetie die zichzelf waarmaakt.
Race nog niet gelopen
Die organisatiegraad baart de FNV grote zorgen. In 'Minder beter' vooral financiële zorgen, want de leden vormen de inkomsten. Hoewel het aantal leden de laatste jaren weer toeneemt, blijft de stijging achter bij de groei van de beroepsbevolking. Een proces dat zich met name in de eerste helft van de tachtiger jaren scherp aftekent. In 1980 is de organisatiegraad van de Nederlandse vakbeweging 30, in 1985 29 procent en op dit moment nog lager. In 1986 heeft dat geleid tot het projekt FNV 2000. Daarin gaat de FNV op zoek naar nieuwe 'doelgroepen' op de markt van advies, hulp- en dienstverlening.' Met een nieuw zakelijke klantbenadering zou de 'nieuwe werknemer' aangetrokken moeten worden.
In 1991 wordt vastgesteld dat dit projekt niet bepaald suksesvol is. Dat neemt niet weg dat 'Minder beter' een vergelijkbare 'marktoriëntatie' kent en deel uitmaakt van een al langer lopende herstrukturering. In dit voorjaar is al een nota gelanceerd waarin de 225 FNV-afdelingen, waar de brede vakbeweging onder meer gestalte moet krijgen, gekortwiekt worden. Die afdelingen worden onder kuratele gesteld van bezoldigde distriktsbestuurders en louter belast met uitvoerende taken.
Zo'n 87 afdelingen hebben jongstleden mei heftig tegen deze sanering geprotesteerd. In een eerste reaktie hebben zeven afdelingen (Arnhem, Delft, Eindhoven, Groningen, Leiden, Utrecht) al de oorlog verklaard aan 'Minder beter': "De doelstelling 'maatschappij hervorming' kan dan uit de statuten worden geschrapt." De race is dus nog niet gelopen en de recente stakingen tegen 'het lange mes van Kok' hebben laten zien dat het gezicht van de strijdbare vakbeweging nog kan stralen.
Hans Boot
(lid van de redaktie van SOLIDARITEIT, blad voor een strijdbare vakbeweging)