Naar archief

UIT: eN LEKKER eN Fris, links-radikaal vakantie magazine (NN #87-88) van 3 juli 1991   

Z'n laatste verjaardag 

Het was de eerste keer dat Herbert Makowsky zijn verjaardag in deze stad vierde al woonde hij er nu ruimschoots vijf jaar. Tevoren had hij nimmer de behoefte gevoeld, het moment leek hem echter geschikt en het feest verliep ogenschijnlijk naar wens van de genodigde gasten, voornamelijk collega's en enkele oude bekenden overgebleven uit de periode dat hij nog als vreemde, als vluchteling geboekt stond. De gasten werden verrast op klassieke muziek die door een drie mans strijkje live ten gehore werd gebracht. Deze jonge conservatoriumstudenten speelden eenvoudige werken van Bach en Mendelsohn en het was alsof dit hun eerste optreden voor schaars publiek was. 

Alles liep gesmeerd. Herbert Makowsky keek tevreden en voldaan het gezelschap rond waar hij toch weinig verwantschap mee had. Hij nam het op de koop toe. Kon hij anders verwachten in deze vreemde stad, ook nadat onlangs de verafschuwde grens doorbroken werd? Eén dag was hij teruggekeerd, een enkele dag terug naar het verleden en de herinnering, maar het verleden en de herinnering lieten schromelijk verstek gaan; zowel bij Makowsky als bij de oude vrienden die enigszins verwijtend en ook wederom jaloers opkeken. Die Makowsky wel te woord stonden maar vooral afgemeten, kortaf en met halve waarheden antwoordden.  

Die dag realiseerde Makowsky zich dat hij werkelijk vreemdeling was geworden, dat hij voor het eerst in zijn leven thuisloos, dakloos was en dat terwijl hij als rechtgeaarde burger van het nieuwe rijk over niets te klagen had. Aan hem ontbrak het niets. Maar toch, in,dit dorp voelde hij zich dakloos, dakloos zoals de zwerver die nooit thuis zal komen en nergens een nieuw thuis zal vinden. Makowsky mijmerde, een gelaten stemming overviel hem en hij hoorde niet dat de deurbel rinkelde.  

Enkele ogenblikken later kwam een grote zware man de kamer binnen die linea recta op Makowsky toeliep en hem krachtig de hand schudde waarbij het in het midden bleef of hij Mokowsky vanwege zijn verjaardag feliciteerde of vanwege een lang en hartverscheurend wederzien zijn emoties van blijdschap de vrije hand liet. De gast greep de arm van Makowsky vast en trok hem naar een hoek van de kamer waar hij luidruchtig in een vreemde taal Makowsky enkele harde woorden toebeet. Alle aandacht was op hun gericht. De andere gasten spraken en begrepen deze taal niet. 

Herbert Makowsky trilde lichtjes op z'n benen en het bloed trok uit zijn rode wangen vandaan. Enige verwarring was ontstaan. De gasten dachten aan de onbekende afkomst van Makowksy en aan de gebeurtenissen in het recente verleden dat hen enig onbehagen en afgrijzen inboezemde. Tegelijkertijd echter voedde de binnenkomst van deze vreemdeling een stroom die de gehele avond in dit appartement als grondtoon van een modern a-tonaal muziekstuk aanwezig was; namelijk roddel. 

Korte tijd later verliet de ongenode gast het feest zonder de overige gasten een woord, een blik of een groet waardig te keuren. Onthand stond Makowsky enige tijd naast de kast en het duurde een poosje voordat het tot hem doordrong dat dit zijn verjaardagsfeest was. Hij schudde het vervelende gevoel van zijn schouders en keerde naar het midden van het gezelschap terug. Daar waar hij hoorde op een avond als deze.  

De gasten wendden hun nieuwsgierige blik af en probeerden het zojuist abrupt afgebroken gesprek schoorvoetend voort te zetten. Sommigen begonnen tussendoor vreemde, niet tot het gespreksthema behorende woorden in het gesprek te gooien. Begonnen donkere klanken voort te brengen, onbeantwoord bare vragen te stellen, te gissen naar een mogelijk fantastische achtergrond; simpelweg het verleden van Makowsky waar zij allen nagenoeg niets van afwisten. 

Onder de gasten bevond zich nog een vreemde die men echter wel kende. Deze jongeman was de protégé van Makowsky en ook zijn afkomst, zijn betrekking tot de gastheer werd in duisternis gehuld. Misschien waren zij vader en zoon, gezien het leeftijdsverschil niet geheel onmogelijk, misschien waren zij familie die elkaar hier, na lange omzwervingen hadden teruggevonden en sommigen zeiden dat deze twee mannen een relatie met elkaar hadden. Kortom, het gonsde van de geruchten, het geroddel, de verdachtmakerij. 

Iedereen in de kamer wist dat Herbert Makowsky een 'emigré' was, ooit gevlucht uit een land waar het leven verschrikkelijk en onmogelijk was. Althans deze spiegel hield men zich voor ogen, ook nadat alle muren en grenzen onder luid applaus opengebroken waren. Nu werd er niet vreemd tegen een emigré aangekeken in de stad vol vreemden wanneer men de huidskleur buiten beschouwing liet, want dat waren andere mensen. 

Herbert Makowsky was een van hen, blank en voortreffelijk aangepast, hetgeen betekende: de taal perfect beheersen en wonen in een appartement dat menig inheemse jaloers maakte. Maar toch, men begreep niet dat deze man nooit over zijn verleden sprak, nooit vertelde over het land van herkomst. Tenslotte waren genoeg emigrés trots en ondanks trouw aan hun geboortegrond gebleven. Enkele gasten waren echter juist nieuwsgierig naar deze vreemde, hen onbekende landen. Het wekte hun fantasie en wensdroom op ooit de verre en onmogelijke reizen te maken die hen hun leven lang zouden achtervolgen, juist omdat deze landen tot voor kort achter slot en grendel zaten. 

Wanneer geruchten sterk genoeg zijn bewerkstelligen zij vaak ongeremde en haast gênante nieuwsgierigheid. Zo ook bij deze gasten die maar al te graag op de uitnodiging waren ingegaan om zodoende een blik achter de schermen van Makowsky's leven te kunnen werpen. En ook hierin werden zij op hun wenken bediend. Niemand had dit appartement betreden en de straatnaam versterkte het vermoeden dat Makowsky geld te besteden had, want het appartement lag in een van de rijkere buurten van de stad.  

Eenmaal binnen was menigeen verbaasd. Zoveel cultuur was hen vreemd. Niet dat men cultuurloos was, nee dat niet, maar in hun eigen woningen was alles moderner, gladder, gelikter. Deze woning ademde diepte en rust uit, verplaatste je in een andere reeds verloren gewaande cultuur, naar een tijd waar een huis nodig is om in te wonen, om je er in thuis te voelen en niet zoals het tegenwoordig gebruikelijk is een woning te maken als decor voor de buitenwacht.  

Sommigen voelden zich ongemakkelijk, alles was oud, alles was echt, een enkel ding, een enkel object. En diegenen die alles op alles gezet hadden een superinrichting tot stand te brengen, werden betrapt en zagen zichzelf in hun decor als figurant terugkeren, terwijl men hier werkelijk was, ontbloot en tegelijkertijd niet bij machte zichzelf te verbergen. Het irriteerde hen en dit droeg ertoe bij nog harder te gissen naar de achtergrond, naar het verleden van Makowsky dat onmogelijk brandschoon kon zijn. 

Naarmate de avond vorderde veranderde de sfeer. Hij werd grimmiger en Makowsky zag het niet. Misschien werd dit hem noodlottig, anders had hij mogelijkerwijs voortijdig kunnen ingrijpen. 

Zoals een goede gastheer het zich betaamd liep Makowsky ijverig en onderhoudend rond, sprak mensen voorkomend en beleefd aan en probeerde luchtige gesprekken op gang te houden, maar hij merkte niet dat wanneer hij naar de volgende groep liep men hem nakeek en achter zijn rug om dezelfde vragen hardnekkig bleef herhalen. Enkelen konden hun nieuwsgierigheid en tergende kwaadheid niet verbergen en probeerden -bij wijze van vergissing mocht de gastheer hen desondanks betrappen- de deurknoppen in de gang. Tot grote ergernis bleken alle deuren die op de gang uitkwamen gesloten en ook het sleutelgat bood geen soelaas. 

In de gang stond een grote antieke commode die ook op slot zat. Een man kon het niet laten onverholen naar de sleutel te zoeken die hij toevallig of wellicht minder toevallig boven op de commode, achter een opstaande richel vond. Ongegeneerd morrelde hij aan de sloten totdat de sleutel in een van de sloten paste. Terloops draaide hij zich om, keek of iemand hem in de gaten hield en draaide vervolgens de sleutel in het slot, opende de lade, deinsde lijkbleek achteruit, slaakte een gesmoorde kreet die in het geroezemoes verloren ging, duwde de lade bliksemsnel dicht, vergat de lade te sluiten, smeet de sleutel boven op de commode en vluchtte naar de wc waar hij op de pot neer viel en naar adem snakte.  

Na enige tijd had hij zijn beheersing hervonden door zich een 'rebirthing' sessie te herinneren, de manieren hoe adem te controleren door zijn hoofd liet gaan en vervolgens een plan bedacht hoede andere gasten snel en ongemerkt te waarschuwen zodat zij allen hier ongeschonden vandaan konden komen. Hij aarzelde niet lang en keerde naar de kamer terug waar hij fluisterend van de ene groep naar de andere ging en hen waarschuwde. In plaats van een stilzwijgend en niet opzienbarend vertrek ontstond er opeens chaos, paniek. Stemmen verhieven zich, angstkreten werden geslaakt, een enkeling viel flauw en werd over de vloer naar de gang gesleurd, er mocht geen ogenblik verloren gaan.  

In de gang greep men haastig naar de jassen waarbij mensen pardoes tegen elkaar aanbotsten en elkaar daarna nog eens de huid vol scholden omdat men met hun poten van hun af moest blijven. Sommige stoere mannen begonnen op hun terugtocht tegen Makowsky te schelden, maakten hem voor moordenaar, voor indringer, voor vuile schoft en verlinker uit. Smerige Stasi en fascist werd geroepen, menigeen balde de vuisten maar liet het daarbij, want de angst was groter. Ook zij bliezen de aftocht en het strijkje speelde een vioolsonate van Bach, tere strakke tonen die in de lucht sneden maar verloren gingen, machteloos opboksten tegen het geweld van de stemmen en roemloos afstierven omdat de jonge conservatoriumstudenten onmogelijk de maat wisten te houden. 

Onhutst en verbouwereerd keek Herbert Makowsky naar het einde van de gang, naar het einde van zijn verjaardagsfeest. Als verdoofd stond hij roerloos in het midden van de kamer, terwijl iemand, de jongeman achterin de kamer tegen de kast leunend lachte, schaterlachte waarbij dikke tranen over zijn wangen liepen. De schaterlach drong enige tijd later tot Makowsky door. Langzaam en mechanisch draaide hij zich om, keek de jongeman aan en zei dat dit wellicht zijn laatste verjaardagsfeest in deze vreemde stad zal zijn geweest. De jongeman knikte en antwoordde: "Wat doet het ertoe, het waren toch maar snobs". 

Martien Frijns             

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1991