Naar archief

UIT: eN LEKKER eN Fris, links-radikaal vakantie magazine (NN #87-88) van 3 juli 1991   

De hel van de golf 

Bij het verschijnen van 'Een streep in het zand' 

De Volkskrant van 22 mei 1991, op pagina 5 rechts onderaan, over nog geen twintig regels: deskundigen van de Amerikaanse Harvard-universiteit melden dat in de loop van de komende 12 maanden zeker 170.000 Iraakse kinderen zullen overlijden als gevolg van cholera, tyfus en darmziekten. De IKON-aktualiteitenrubriek Kenmerk herhaalt deze alarmerende berichten in haar uitzending van 16 juni van dit jaar. Al eerder had een dokter van de organisatie Artsen zonder grenzen een minuutje in het NOS-journaal gekregen om, terwijl alle ogen van de wereld gericht waren op de erbarmelijke situatie van vluchtende Koerden, de gevolgen voor andere inwoners van Irak te schetsen. Maar verder is er stilzwijgen. Want Koerden kunnen als direkte slachtoffers van de vijand worden aangemerkt, anderen zijn gevallen en gaan vallen als gevolg van westerse bombardementen. 

Selektieve berichtgeving als deze was kenmerkend voor de periode vanaf 2 augustus 1990, toen de Iraakse leiding het onzalige plan opvatte Koeweit binnen te trekken, ze was het voor de fase van de oorlog zelf en ze is het nog steeds: nu we sinds enkele maanden getuige zijn van de gruwelijke nasleep, waarvan het einde niet in zicht is. Er is in een dusdanig vergaande mate gemanipuleerd, verzwegen en gelogen, dat alleen al het presenteren van de feiten een ontnuchterende en bewustmakende uitwerking heeft.  

Het is dan ook erg toe te juichen dat bij de uitgeverijen Ravijn en XminY een boek kon verschijnen over de 'Nieuwe Orde in de Golf'. Leden van AMOK (het AntiMilitaristies Onderzoeks Kollektief), dat al sinds jaren garant staat voor gedegen informatie en analyse op het gebied van oorlog en vrede, deden een poging niet de fiktieve, maar de werkelijke oorlog in kaart te brengen. Eenvoudig is dat niet en des te meer valt de verschijning van hun 220 pagina's dikke publikatie te waarderen. Half juni lag die in de winkel: Een streep in het zand. 

Aan hun pretentie een nieuw licht te werpen op een oorlog die we vooral van televisie kennen, zitten wel wat haken en ogen. Om dit waar te maken, dienen er veel gegevens beschikbaar te zijn, maar op essentiële punten zijn deze niet te achterhalen als gevolg van de strikte geheimhouding die voor militarisme en oorlog zo kenmerkend is.  

Meestal komen pas op den duur meer achtergronden aan het licht, als door verjaring onschadelijk geworden informatie aan de openbaarheid wordt prijsgegeven en de propaganda van toen zonder belangrijke politieke konsekwenties gesplitst kan worden in waarheid en leugen. Onthullingen zijn dan weliswaar nog leerzaam, maar kunnen geen rol meer spelen in een mobilisatie tegen oorlog en militarisme. Al snel wordt dan gedacht dat schanddaden iets uit het verleden zijn en dat de officieel aangedragen motieven voor een aktuele oorlog ditmaal gemeend zijn. Dit heeft zich bij de Golfoorlog in wel zeer sterke mate voorgedaan, gezien de niet weinige, verbijsterende reakties uit als progressief beschouwde kringen. 

Een ander probleem voor publikaties als Een streep in het zand is dat de samenstellers noodgedwongen voor een belangrijk deel moeten putten uit dezelfde media, waartegenover een fikse dosis wantrouwen gerechtvaardigd is. Gelukkig behoren tot de beschikbare bronnen ook de kritiese geluiden, afkomstig van hen die geïnteresseerd zijn in de waarheid achter de propaganda; een waarheid waarvan meermalen werd opgemerkt dat die het eerste slachtoffer van een oorlog is. Er is in het boek dan ook veel boven tafel gekomen dat ook aan hen die intensief kranten en televisie gevolgd hebben, onbekend is. Het kan tevens (mede met behulp van het handige register) als een mini-naslagwerk dienst doen. 

Storend is wel dat de schrijvers, afgezien van een literatuurlijst achterin, geen van allen met een notenapparaat werken. Niet dat ik daar zo dol op ben, maar soms zou men toch willen weten waar bepaalde statements ineens vandaan komen. Zo valt er te lezen (p. 23) dat de scherpe anti-Israëliese dreigementen van Irak -inklusief inzet van chemiese wapens- in de maanden vóór de inval in Koeweit "slechts propaganda waren. Irak had geen enkele bedoeling om Israël aan te vallen". Dat lijkt mij een juiste opmerking, maar zo geponeerd is zij niet meer dan een onbewezen vermoeden. Op meer plaatsen in het boek komt dit voor. 

Het is natuurlijk geen belangrijk verwijt, eerder een techniese onvolkomenheid. Essentieel is dat zij er in zijn geslaagd zich temidden van een stortvloed aan feiten een weg naar de 'waarheid' te banen: Een streep in het zand biedt veel materiaal waar we ook voor de toekomst ons politieke voordeel mee kunnen doen. Aan de hand van dat materiaal wil ik hierna bij een aantal aspekten van de Golfoorlog nader stil staan. 

EEN NIEUW VIJANDBEELD 

Het westerse sukses hing direkt samen met de mogelijkheid om de gruwelijke werkelijkheid' verborgen te houden door deze in amusementsvorm op de buis te brengen. Onder het hedentendage wel wat al te populaire motto dat alles leuk moet wezen, kan zelfs het uitroeien van mensen grondstof zijn voor een vermakelijk schouwspel. Of, zoals een klant bij mijn naburige middenstandswinkel het bij het sluiten van de wapenstilstand formuleerde: "wanneer begint de oorlog weer, ik verveel me 's avonds". 

Om propaganda suksesvol te laten zijn, is een geloofwaardig vijandbeeld noodzakelijk. Hoe dat er precies uit zag ten tijde van de Golfoorlog, is een interessante vraag omdat er een andere, op de nieuwe wereldverhoudingen toegesneden, beeldvorming vereist was. Immers, een aantal ingrediënten van het oude wereldbeeld zijn door de grote veranderingen in Oost-Europa onbruikbaar geworden. De voorstanders van gewapend westers optreden -die zeiden te strijden voor de bevrijding van Koeweit en de bescherming van de door Irak geschonden internationale rechtsorde- hebben zich van deze veranderingen terdege rekenschap gegeven. 

Het recept uit de Koude Oorlog, anderen te doen geloven dat bij dreigend gevaar altijd linkse horden op de loer liggen, werkte niet meer. De ons zo vertrouwde verwijzingen naar rode gevaren en kommunistiese samenzweringen bleven dan ook achterwege. De Iraakse Ba'ath-partij zou normaal gesproken wel degelijk aanleiding tot dergelijke typeringen hebben gegeven, gezien haar aanvankelijk progressieve politiek (nationalisatie van de olie-industrie, landhervormingen) die, gekombineerd met Arabies nationalisme, bekend stond als 'socialisme'. 

Later, toen het regime steeds minder zijn despotiese karakter verloochende, werd de term socialisme niet afgeschaft, maar anders ingevuld. Guido van Leemput citeert in zijn historiese overzichtsartikel Eenheid, vrijheid en socialisme Saddam Hoessein himself die onder socialisme niet een gelijke welvaartsverdeling tussen arm en rijk verstaat, maar verhoging en verbetering van de produktie (p. 86). Maar wat in het boek de 'eerste internationale konfrontatie na de Koude Oorlog' wordt genoemd, werd begeleid met een gemoderniseerd vijandbeeld waarin een zelfgeschapen Hitler een bende moslims opjuinde. 

Daarbij kon ingespeeld worden op bestaande vooroordelen. Jurroen Cluitmans, die naging welke vijandbeelden er in de westerse publieke opinie bestaan, haalt in zijn artikel onderzoeken aan waaruit blijkt dat, na het zeer sterk afgenomen gevoel van dreiging vanuit de Sowjet-Unie, de angst voor nieuwe vijanden er al weer goed in zit. 

Het percentage mensen dat het Nederlandse leger als noodzakelijk kwaad aksepteert, steeg opvallend tijdens de Golfoorlog (p. 122/123). Belangrijker is nog dat, terwijl men ten tijde van de Koude Oorlog de Russiese leiders wel, maar hun onderdanen niet als agressief zag, zowel de Arabiese leiders als de Arabiese bevolking als zodanig beschouwd worden (p. 130). In het eerste geval kon nog van een zekere redelijkheid worden gesproken -de oosteuropese regeerders beschikten over vernietigingswapens die ze ook niet voor niets hadden aangeschaft en het volk had niet om zulke leiders gevraagd.  

Het nieuwe vijandbeeld is echter aanmerkelijk gevaarlijker. Volk en staat worden over één kam gescheerd, een dramatiese vergissing die blijk geeft van onversneden racisme. Vandaar dat het normale dagelijkse leven van de gemiddelde westerling maar voor relatief korte tijd verstoord werd: de oorlog duurde kort en de lijken lagen ver weg. 

Een nieuwe wereldorde op deze basis kan nog voor veel heel wat (gewapende) verrassingen zorgen. De westerse militaire strategie gaat in de richting van 'snelle interventielegers', een pleidooi dat ook in de recente Nederlandse defensienota te vinden is. Toch betekent dit nog geen abrupte breuk met het koude oorlogs-tijdperk. Suksesvol militair optreden bestond immers in het verleden ook al voornamelijk uit kordaat ingrijpen in regionale brandhaarden, terwijl de Sowjet-Unie en de Verenigde Staten elkaars invloedssferen tot op zekere hoogte respekteerden om niet in een katastrofale aanval van wederzijdse vernietiging terecht te komen.  

Veranderd zijn de machtsverhoudingen: de kwestie Koeweit kon door het westen zo hoog gespeeld worden vanwege de historiese handreiking tussen oost en west die de laatste jaren werkelijkheid is gaan worden. De durf tot grootscheepse operaties wordt aanzienlijk groter en ook in die zin valt te vrezen voor het lot van de derde wereld binnen de nieuwe orde van Bush en Broek. 

HET CYNISME VAN DE WERELDPOLITIEK 

Uit de voorgeschiedenis van de Golfoorlog, zoals die in het begin van het boek beschreven wordt, kunnen mogelijke verklaringen voor de hardvochtige westerse houding worden gedestilleerd. De schrijver, Piet Groeneveld, geeft twee mogelijke varianten. De ene luidt dat de Verenigde Staten wensten af te rekenen met de groeiende militaire macht van Irak en daarvoor een welkome aanleiding zochten. Die werd gevonden in de uitlokking van een invasie van Koeweit.  

De andere is wat verrassender, namelijk dat de hoop werd gesteld op een leidende rol voor Irak in de regio door het land toe te staan het Koeweitse deel van het Rumaila-olieveld (op de grens tussen beide staten) te bezetten en twee eilandjes voor de kust in bezit te nemen ten behoeve van een vrije toegang tot de Golf. Er blijken verschillende aanwijzingen te zijn dat de Verenigde Staten Irak daartoe aanmoedigden omdat ze het met Irak eens waren over verhoging van de olieprijs en het risiko van een gedeeltelijke bezetting van Koeweit voor lief namen. Dit is precies het omgekeerde van wat men zou verwachten. De verklaring lijkt te liggen in de belangen van de Amerikaanse oliebranche (waar -pikant detail- Bush en Baker uit afkomstig zijn). 

Deze industrie verzorgt de helft van de binnenlandse olieproduktie en wil juist hogere prijzen om haar produktie rendabel te houden. De begripvolle Amerikaanse houding, met inbegrip van de aankondiging van een afwachtende reaktie in geval van de inzet van militaire middelen door Irak, duurde voort tot vlak voor de Iraakse inval. Zo dateerde een uitspraak met deze strekking van ambassadrice April Glaspie van 25 juli, toen zij met Saddam Hoessein sprak.  

Maar in de internationale politiek, waar men het ene moment handen schudt die men het volgende moment wenst af te hakken, zijn oorlog en vrede zo veranderlijk als het weer. Want toen Irak heel Koeweit bezette en daarmee 20 % van de wereldoliereserves in handen kreeg, werd een reaktie wel degelijk noodzakelijk geacht. Wellicht dat hier de sleutel ligt voor een verklaring van de plotse Amerikaanse ommezwaai. 

Deze lezing bevestigt weer eens hoezeer de internationale politiek wel voortdurend wordt begeleid, maar zeker niet bepaald door ethiese of humanitaire motieven. Het boek geeft talloze voorbeelden waaruit blijkt dat opportunisties eigenbelang bepaalt in hoeverre en hoe lang een land als vriend of vijand geldt, wie er wel of niet te hulp mag worden geschoten en ook of en hoe er oorlog wordt gevoerd. De geschiedenis van het Midden-Oosten vanaf de penetratie door imperialistiese overheersers is van deze cyniese machtspolitiek doordrenkt.  

De meer recente voorgeschiedenis geeft er evenzeer blijk van en de parallellen met heden zijn opvallend. Zo zorgden, tijdens de 'eerste Golfoorlog' tussen Irak en Iran (1980-1988), de grootmachten ervoor dat geen van beide partijen de oorlog kon winnen. De Sowjet-Unie staakte haar wapenleveranties aan Irak, toen dit land in 1980 Iran binnenviel en ging in plaats daarvan de andere partij bewapenen.  

Maar toen Iran de overhand begon te krijgen, werd Irak weer van wapens voorzien. Voor de Verenigde Staten geldt een soortgelijk verhaal: Irak ontving hun hartelijke steun, maar er bleek ook een Irangate te bestaan. In 1990 waren langzamerhand de scherpe kantjes van Iran's fundamentalisme afgeslepen en daarna werd Irak van bolwerk tegen de macht van Khomeiny tot een vijand die vernietigd worden. En dat gebeurde. 

Dezelfde ontwikkeling bespeuren we ten aanzien van de Koerden. Er zullen weinig volkeren op een zo gruwelijke manier speelbal van machtskonflikten zijn geweest. Zij werden al vele jaren terug ondersteund door diverse betrokken staten om de macht van de andere partij te ontregelen. Toen Iran nog door de sjah werd geregeerd, gaf dit land steun aan de Koerden in Irak die in een permanente staat van burgeroorlog met het regime leefden. Dit om Irak, met welk land Iran in een grensgeschil verwikkeld was, te verzwakken. Grote kracht achter de schermen waren ook hierbij de Verenigde Staten. 

Maar toen Irak in het nauw werd gedreven en in het grensgeschil met Iran had toegegeven, werd de steun aan de Koerden gestaakt. De parallel met het heden dringt zich op. De anti-Iraakse koalitie was, na het toebrengen van de grote slag, het regime in Baghdad opnieuw ter wille door het doelbewust toe te staan de opstandige Koerden te vervolgen. 

Deze voorbeelden geven aan hoe misplaatst de wel gehoorde opmerking is dat het westen zich eindelijk kon rehabiliteren door zich eind 1990 en masse tegen het diktatoriale en agressieve Irak te keren. Zo ook de kwasi-kritiese uitroep van Wim Kok op het PvdA-kongres dat alle westerse landen boter op hun hoofd hadden gehad door de huidige vijand vol te stoppen met wapentuig, maar dat dat nog geen reden was om nu niet die fout te herstellen.  

Hij 'vergat' er bij te zeggen dat het al sinds jaar en dag gewoonte is het ene afschrikwekkende regime tegen het andere te bewapenen om, als dat zo uitkomt, vervolgens het omgekeerde te doen. Het westen was dus niet bezig een fout te herstellen, maar paste eenvoudig haar politiek aan de nieuwe verhoudingen aan. De ommezwaai kwam niet voort uit een ethiese schuldbekentenis en een weerbare houding tegen een notoire schender van mensenrechten, ook al waren er ongetwijfeld niet weinigen die de motieven van de machthebbers wel als zodanig interpreteerden en daarom met de oorlogvoering instemden. 

Niet alleen de politieke keuzes worden door cyniese gelegenheidsargumenten bepaald. Ook de middelen die worden ingezet om de uiteindelijke overwinning veilig te stellen, zijn er naar. Illustratief hiervoor is de besluitvorming binnen de Verenigde Naties. Hoewel officieel onder meer met de taak toegerust om de vrede te bewaken, hebben deze zich ontpopt als slippendragers van een grootmacht, zoals het in het boek heet.  

Hier was het dat andere landen zover gekregen moesten worden om mee te gaan op avontuur. De bevelhebbers van sommige landen, waaronder het zo aandoenlijke Atlantiese Nederlandse kabinet, hadden geen duwtje in de rug nodig. Maar er waren ook lastiger klanten. Het Amerikaanse optreden tegenover hen werd gekenmerkt door omkoping en chantage, zoals Kees Brinkman in zijn artikel terecht opmerkt. Tegelijkertijd gaven ook andere landen op wel zeer oneigenlijke gronden toe aan de uitgeoefende pressie. China kreeg een dag na de belangrijke stemming over resolutie 678 (die gewapend optreden tegen Irak mogelijk maakte) een lening van 140 miljoen dollar. 

Maar het land had via Amerikaanse druk op de Wereldbank ook uit die hoek leningen in de wacht willen slepen. Per saldo verklaart dit wellicht China's stemonthouding! De Sowjet-Unie kreeg een toezegging van zeven miljard dollar, voor een deel in rechtstreekse ruil voor het ondersteunen van '678'. Gezien de desolate toestand van de 'Sowjet-ekonomie geen 'onaardig' gebaar naar het in ontbinding verkerende imperium.  

Ook andere landen zijn op deze wijze bewerkt: Zaïre ontving een gedeeltelijke kwijtschelding van schulden; Colombia en Maleisië slikten, afhankelijk als ze zijn van Amerikaanse steun, hun kritiek in; de ontwikkelingshulp van 60 miljoen dollar aan Jemen werd stopgezet toen dit land (als enige samen met Cuba) tegen had gestemd. 

PROGRESSIEF NEDERLAND 

Aparte aandacht verdient de opstelling van de verschillende linkse partijen, bewegingen, groeperingen en individuen tegenover de Golfoorlog. Wat te denken van het blad de Vrije -met godbetert nog steeds de naam van Domela Nieuwenhuis in de kolofon- waarvan een redakteur meende dat de oorlog niet ongenuanceerd kon worden afgewezen. In kringen van het Palestina komitee, toch altijd garant voor een betrouwbaar Midden-Oosten kommentaar, zijn twijfels over een sterk anti-westers standpunt naar voren gekomen.  

Redakteur Leo van Bergen van het blad 't Kan Anders, dat een op zichzelf goed nummer aan de Golfoorlog wijdde, meende fiks uit te moeten halen naar vredesaktivisten als Kees Koning. Ook in Lekker Fris hebben we een verrassende bijdrage kunnen lezen van de hand van Paul Smulders, die terecht niet onweersproken is gebleven. Hij verwees onder meer naar de ingewikkelde verhoudingen in het Midden-Oosten die geen eenvoudige antwoorden toestaan. 

Deze en andere zogeheten genuanceerde reakties op de Golfoorlog zijn naar mijn opvatting niet het gevolg van de kompleksiteit van de situatie, die inderdaad niet overzichtelijk te noemen is. Bovendien doen ook faktoren die speciaal in deze oorlog van belang waren hun invloed gelden, zoals het despotiese karakter van het Iraakse regime of de opstelling van de Palestijnen.  

Maar deze en andere komplikaties leiden wel tot een nadere uitwerking van standpunten en tot een aanpassing op onderdelen maar niettot een omverwerping daarvan. Oorlog en oorlogsvoorbereiding zijn nog altijd inherent aan een imperialistiese wereldorde die berust op een zeer diepe kloof tussen arm en rijk, tussen derde en eerste wereld, tussen volk en leiders. De Midden-Oosten politiek van het westen werd steeds in laatste instantie bepaald door dit gegeven, zoals (socialisties) links enkele decennia terug terecht niet moe werd te benadrukken en te analyseren. 

Ook de Golfoorlog dient vanuit deze achtergrond bezien te worden: het was een bijna klassiek-imperialistiese oorlog, met zijn jacht op grondstoffen en strategieën van ekonomiese, politieke en waar nodig militaire overheersing. 

Het ingezette middel was dat van een rechtstreekse militaire aanval van een dusdanige, in de hele menselijke geschiedenis ongeëvenaarde perfektie, dat we eerder dan van oorlog moeten spreken van een eenzijdige vernietigingsaktie. Het Iraakse weerwoord ten overstaan van deze overmacht hield weinig meer in dan het uitdelen van speldeprikken (hoewel zelfs een speld doden kan). Oorlog en kapitalisme -in demonstratietermen: bloed en olie- horen onlosmakelijk bij elkaar. 

Wie deze grote lijn uit het oog verliest dreigt al snel op een verkeerd politiek spoor terecht te komen. Er zijn er ook die het niet hebben gelaten bij twijfels en stuitende opmerkingen, maar domweg met de oorlog hebben ingestemd en zo hand- en spandiensten hebben verleend aan een grootscheepse afslachting voor God, Olie en Vaderland. 

Het leek wel of progressief Nederland leed aan een radeloze zinsbegoocheling. Zo mocht men van Martin van Amerongen, Anet Bleich, Ben ter Veer, Elsbeth Etty, Jan Blokker en Roel van Duin -om er maar enkelen te noemen- de rechtvaardigheid van deze oorlog vernemen en heeft de meerderheid van de vredesbeweging en de politieke partijen die als progressief worden beschouwd het er beschamend van af gebracht, zoals ook Kees Brinkman laat zien in zijn artikel Hollanditis hypokritis.  

Wat die politieke partijen betreft: eerst enkele woorden over de PvdA, waar keer op keer vermoeiende diskussies over oplaaien, in de veronderstelling dat er in deze partij nog enige linksheid te onderkennen zou zijn. Maar de sociaal-demokratie liet al in 1914 miljoenen mensen op de slachtvelden hun einde vinden, in een tijd waarin althans formeel nog werd vastgehouden aan socialistiese doelen, waaronder ontwapening.  

En dan zou men in 1991 van een dergelijke partij, van overtuigde aanhangers van kapitalisme en NAVO, vredesdaden verwachten? Van een PvdA, waarvan het kongres de mogelijkheid van de inzet van kernwapens openliet door uit te spreken dat Nederland deelname moest staken als van de kant van de 'geallieerden' als eerste nucleaire, bacteriologiese of chemiese wapens werden gebruikt? Van een partij, waarvan zowel voorzitster Marianne Sint (op het PvdA-kongres) als oorlogsminister Ter Beek (in het Capitool van 3 februari) ontwijkend reageerden op de uitspraken van Amerika's vice-president over de mogelijke inzet van kernwapens? Zei niet Wim Kok dat een kabinet met 14 sociaal-demokratiese ministers voor hetzelfde beleid zou hebben gekozen? 

Dat neemt niet weg dat de slaafse instemming in de PvdA met het kabinetsbeleid in een andere zin teleurstellend te noemen is, namelijk vanuit menselijke overwegingen. Men hoeft immers geen socialist te zijn om op zijn minst aan de bel te trekken als' er zo iets gruwelijks aanstaande is. 

Naar ik vrees is deze invalshoek intussen voor een belangrijk deel gezichtsbepalend voor Groen Links: in deze groepering zijn de weerstanden tegen oorlog vanuit ethiese beweegredenen groot en met name Ria Beckers heeft deze kant van de zaak goed verwoord. Maar de politieke ondergrond van het groenlinkse standpunt is uiterst drassig. Geheel konform haar anti-ideologiese instelling werd de essentie van het konflikt, de samenhang tussen kapitalisme en oorlog, omzeild. Dat is ook voor de hand liggend omdat ze dit ook formeel, in programma's, niet pretendeert.  

Maar het heeft vergaande konsekwenties. Een belangrijk aspekt daarvan is het standpunt over de NAVO. In het boek wordt melding gemaakt (p. 201) van een aantal verontruste PvdA-leden dat stopzetting wenste van de aanvallen op Irak vanuit Turkije, omdat bij een tegenaanval de hele NAVO, op grond van de verplichting tot wederzijdse bijstand, in het konflikt betrokken zou zijn. Wanneer we bedenken dat Groen Links geen verklaard tegenstander van de NAVO is, op wat voor grond kan het dan nog deze automatiese oorlogseskalatie ter diskussie stellen? 

Maar het belangrijkste was natuurlijk het groenlinkse standpunt over de- relatie tussen boykot en oorlog. Het embargo had weliswaar meer kans moeten krijgen, maar mocht blijken dat het uiteindelijk niet zou werken, dan sloot de tweede kamerfraktie niet uit dat in VN-verband militair zou worden ingegrepen.  

Dit geeft wel een uiterst bittere bijsmaak aan het anti-oorlogsstandpunt dat Groen Links, immers als enige (parlementaire) partij tegen de oorlog, nogal wat ledenwinst opleverde (p. 208). Cynies genoeg heeft de partij het aan het snel uitbreken van de oorlog te 'danken' dat zij niet door de mand is gevallen. Want stel je toch voor dat de diverse regeringen nog een x aantal maanden geduld hadden willen betrachten!  

Verder is dit standpunt kwalijk omdat de bepleite boykot niet het karakter had van wat links zich daar doorgaans van voorstelde (bijvoorbeeld een investeringsstop of wapenembargo), maar vanaf het begin een totale isolering van een land behelsde met inzet van militaire middelen. 

Op 25 augustus legitimeerden de Verenigde Naties door het aannemen van resolutie 665 de feitelijk gegroeide praktijk dat ekonomiese sankties met militaire middelen konden worden afgedwongen. Dit legt nog een pijnlijke zwakte in het groenlinkse standpunt bloot. Het is een wel erg formele redenering dat operaties onder VN-kommando vredelievender zouden zijn dan eksklusieve VS-avonturen. Amerikaanse en andere grootmachten maken immers ook in die VN de dienst uit. Maar ondertussen heeft Groen Links de smaak zo te pakken dat zij onlangs pleitte voor een taak van het Nederlandse leger in VN-verband en wel om de internationale rechtsorde te verdedigen! Het is alsof er geen Golfoorlog geweest is. 

Dergelijke standpunten brengen me tot slot op de noodzaak daar een duidelijke en radikale maatschappijvisie tegenover te stellen. Hoewel het, gerekend naar de noodgedwongen korte produktietijd van Een streep in het zand, bijna vragen is om het onmogelijke, zou het goed zijn geweest als de anti-militaristiese achtergrond van de schrijvers meer ekspliciet naar voren was gekomen. Natuurlijk wijken de gemaakte analyses fundamenteel af van wat er de afgelopen tijd zoal tot ons is gekomen en elk van hen spreekt dat nadrukkelijk uit. 

Toch zou een slothoofdstuk niet hebben misstaan om de feiten in een radikale analyse onder te brengen: een samenhangende visie op de betekenis van oorlog en oorlogsvoorbereiding in het tijdperk van de nieuwe internationale orde van na de Koude Oorlog. Het hanteren van heldere politieke uitgangspunten is immers van het grootste belang om bij nieuwe konfrontaties die er te vrezen zijn, uitglijders van de kant van de oppositie te voorkomen. Zolang het mogelijk blijft protesten tegen planmatige massamoord af te doen als ondersteuning van de diktatoriale tegenstander, valt er nog veel uit te leggen over de betekenis van het antimilitarisme. 

Ton Geurtsen 

AMOK, Een streep in het zand. Nieuwe Orde in de Golf. Ravijn/XminY, Amsterdam 1991

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1991