Naar archief

UIT: NN #84 van 16 mei 1991   

Rechtsaf mars 

Rechtsradikalisme onder jongeren in de voormalige DDR 

Neonazi's in de voormalige DDR: er gaat bijna geen dag voorbij zonder Duitse krantenberichten over terreur tegen buitenlanders/sters, links of gekraakte huizen waarbij geen sprake is van een konfrontatie met fascistische groepen. Zo kon men bijvoorbeeld op zaterdag 4 mei vernemen dat in Cottbus 250 neonazi's bij elkaar kwamen om een potentiële opvolger van hun gestorven Führer, Michael Kühnen, toe te juichen. Of dat in de nacht voor 3 mei in Wittenberg 30 Duitsers verschillende woningen van Namibiërs vernield hebben, waarbij twee bewoners volgens een politiewoordvoerder 'van bet balkon gevallen' zouden zijn. 

Rechtsradikalen in de voormalige DDR zijn echter niet alleen het produkt van de gevallen Muur. Net zo min als hun massale, georganiseerde en gewelddadige optreden de reflex van in de war geraakte jongeren zou zijn die een nieuw houvast zoeken na het verdwijnen van de sociale strukturen van de DDR, de hoge werk- en de algemene perspektiefloosheid.  

Al vanaf het begin van de jaren tachtig bevond zich onder voetbalfans een rechtsradikale skinhead-scene. En zeker sinds 1987, toen fascisten een punkkoncert in de Oostberlijnse Zionskerk overvielen was het voor de autoriteiten van de DDR nog maar met moeite mogelijk het bestaan van nazi's in de antifascistische staat niet toe te geven. Trouw aan de staatsdoktrine vereiste echter ontkenning dat de ontwikkeling 'homemade' was. De voorwaarden voor rechtsradikale oriëntaties waren in de DDR-maatschappij aanwezig. De officiële waardenkanonisering van Staat (en partij) en de bekrompen kleinburgerlijkheid, spoorden opvallend met de ook als jeugdprotest te begrijpen belangstelling van veel DDR-jongemannen voor rechtse groepen.

Nog voor de val van de Muur kon - bijv. bij de Leipziger maandagdemo's - niet over het hoofd worden gezien wat voor brouwsel er ontstond. Sinds bet kraken van een huis lag het centrum van van het georganiseerde fascisme in Berlijn: in de Weitlingstrasse in de wijk Lichtenberg. Sinds midden 1990 verplaatsten niet alleen de aktiviteiten zich naar het Zuiden en Zuid Oosten, maar ook de organisatie. Naar het schijnt is Dresden de nieuwe 'hoofdstad van de beweging'. Hieronder schrijft Hagen Crszyczek, een Oostberlijnse anti-fascist een overzicht van de fascistische scene en een poging tot analyse. 

In de periode voor 20 april 1991 - niet alleen voor neonazi's nog altijd de 'verjaardag van de Führer' - buitelden de geruchten over elkaar. Antifascistische groepen in Dresden vreesden een nationale mobilisering van de rechtsradikale scene voor een bijeenkomst in hun stad. Der Spiegel berichtte over politie-inlichtingen over een "stermars van rechtsen op Dresden". Al enkele weken tevoren kopte het blad 'die andere' (Oostberlijn) 'Dresden nieuwe hoofdstad van de 'beweging'?' 

En ook al vond de gevreesde opmars niet plaats, het thema rechtsradikalisme lag naar aanleiding van deze datum weer op ieders tip. Het makabere jubileum is voorbijgegaan zonder dat het op spektakulaire konfrontaties is uitgelopen. De verbazing hierover die de dagen daarop de kranten vulde, is slechts gespeeld en onderschat hoeveel er werkelijk "gebeurd" is. 

In het begin was er de trots 

Dat jongeren een toenemende belangstelling tonen voor rechtsradikale en neofascistische ideeën is niet nieuw in de voormalige DDR, dus niet iets dat in een oorzakelijk verband te brengen is met het openen van de Muur. Op zijn laatst sinds de overval van skinheads op de zionskerk in Berlijn in oktober 1987 viel dit onderwerp ook in de oude DDR niet meer dood te zwijgen. 

Terwijl de officiële pers echter het overmatige genot van de West-TV tot belangrijkste oorzaak bestempelde, stond in milieubladen dat de aktivisten van de Berlijnse 'Umweltbibliothek' zich plotseling in de rol gedwongen zagen "het constante gebrek van een jeugdscene aan levensgevoel (...) te bevredigen. Schrikwekkend drong in die wereld (van de vredesbeweging) de irrationele realiteit van het land binnen."  

Wortels van fascistoïde organisaties liggen ook in de DDR in de skinheadbeweging, waarvan het begin ligt in 1981. Tot nu toe is de groep van militante voetbalfans ook het belangrijkste rekruteringsveld gebleven van dat soort groepen en partijen. Wat begint als protest tegen het heersende systeem wordt al spoedig van een ethische, aan de "goede Duitse waarden" ontleende, grondslag voorzien.  

Daarbij komt de provokatie tegen een centraal dogma van het wereldbeeld à la DDR: het voortdurend naar voren gebrachte en geïnstitutionaliseerde anti-fascisme. De maatschappij zwijgt dit protest dood en reageert verder met restrikties: als een van de eerste maatregelen worden bijvoorbeeld de binnensteden voor dergelijke jongeren gesloten en ze worden niet toegelaten tot de FDJ-jeugdclubs (FDJ = Freie Deutsche Jugend, jeugdorganisatie van de communistische partij).  

Maar bij deze rechtsradikale jongeren ging het niet om simpele zielen die in een stil kamertje Hitler lezen en dan de straat op trekken om burgers te laten schrikken. Integendeel, het ging om jonge mensen die heel goed in staat waren maatschappelijke verbanden te analyseren, strategisch te denken en hun handelen af te stemmen op de situatie.  

Om de toenemende repressie te ontlopen, meldden velen zich bijvoorbeeld vrijwillig voor de langer durende Wehrdienst (leger). In de klassen voor officiersleerlingen van de bedrijfsscholen lag het aantal rechtsradikale jongeren boven het gemiddelde. Dat is geen tegenspraak, want dit jeugdprotest bezit een nieuwe kwaliteit: in haar morele oriëntatie draagt ze de waardemodellen uit die in de Oostduitse maatschappij in het hele Honecker-tijdperk werden gepropageerd. 

De jongeren komen in hun protest tegen de staat op wonderlijke wijze overeen met het waardenstelsel volgens welke ook hun ouders leven. De bekrompen kleinburgerlijkheid van het "reëel bestaande socialisme in de kleuren van de DDR" toont in het gedrag van een deel van de jeugd haar gewelddadige karikatuur. 

Kontakten met vergelijkbare jeugdgroepen in West-Berlijn werden snel aangeknoopt. De kleinste gemeenschappelijke noemer was eerst het voetbalenthousiasme. De ideologische, rechtse beïnvloeding kwam als het ware vanzelf. Al in 1985 schreef de aktivist van het Nationalistische Front (hoofdzetel bij Bielefeld) en lid van de Herta-supportersclub 'Endsieg', Andreas Pohl, in Klartext, het informatieblad van het NF over een "stevige vriendschapsband, die helaas, als gevolg van de moordmuur, slechts wordt uitgedrukt door. bezoeken van onze kant." Zo zijn de overvallen op het punkkoncert in de Zionskerk slechts het logische gevolg van een ontwikkeling. 

Er moet worden aangenomen dat voor delen van het Oostduitse staatsapparaat dit opbloeien van groepen van rechtsradikaal georiënteerde jongeren niet eens ongelegen kwam. Op deze manier konden in de breedste zin "links"-oppositionele jongeren effektiever in toorn worden gehouden dan door de botte inzet van openlijk repressieve middelen.  

Vóór deze veronderstelling pleit enerzijds de sociale afkomst van veel skinheads: in Berlijn (maar daar niet alleen) komen er buiten verhouding veel uit gezinnen waarin de ouders funkties bekleedden in het veiligheidsapparaat of rechtstreeks in het partijapparaat. Anderzijds voldeden de konfrontaties tussen "linkse" en "rechtse" jongeren ook aan kriteria uit een richtlijn over de omgang met 'operatieve processen': "(...) bezighouden van groepen, groeperingen en organisaties met hun interne problemen met als doel de inperking van vijandelijk-negatieve handelingen.."  

Deze richtlijn is beter bekend onder de korte naam "ontbinding". Toen er niets meer dood viel te zwijgen werd onder bewuste verdraaiing van de feiten als een sukses geklaimd dat de "anti-fascistisch-demokratische beschermingsmuur" de neonazi's uit het Westen op afstand hield. 

De staat reageerde op haar niet-geliefde kinderen met drakonische hardheid: opgepakte geweldsplegers kregen gevangenisstraffen tot vier jaar opgelegd. Bovendien probeerde men pijnlijke zaken onder het tapijt te moffelen door politieke motieven helemaal niet te noemen. Politieke werkgroepen die in hun onderzoek tot de konklusie kwamen dat het rechtsradikalisme van DDR-jongeren een authentiek DDR-probleem was in de hierboven beschreven vorm, werden domweg opgeheven. 

Neofascistische voorhoede 

Terwijl alle andere politieke partijen en groepen de afgelopen zomer streden om via allerlei draaierijen de nieuwe Rijksdag binnen te trekken, waren de neofascisten en ultrarechtsen er al vanaf het begin van het jaar toe overgegaan hun politieke basis in toen nog de DDR te verbreden door nieuwe organisaties op te richten.  

Dat gold niet alleen voor de verschillende organisaties van oude nazi's - in Sachsen-Anhalt werden de 'Mitteldeutschen Nationaldemokraten' opgericht, die zich heel openlijk als zusterorganisatie van de Westduitse NPD presenteerden - vooral de aktivisten uit de omgeving van de 'Kühnen-connection' werden in de DDR aktief.  

De binnenvallende legerscharen uit West-Duitsland en Oostenrijk vonden rond de jaarwisseling 89/90 de vruchtbaarste bodem die ie je maar kon voorstellen. De skinheadgroepen hadden zich in de grote steden tot strak georganiseerde 'Fascho' groepen ontwikkeld die grotere openlijke overtredingen zoveel mogelijk vermeden. 'Harde kernen' leidden tactische schermutselingen op straat en generale staf-achtige overvallen op slachtoffers. Daar kwam bij dat veel in de voorafgaande jaren veroordeelde jonge rechtsen uit de gevangenis werden vrijgelaten. 

Maar de 'Uitdaging DDR': de opgave op basis van deze los met elkaar verbonden fascho-groepen draagkrachtige rechtsextreme strukturen te ontwikkelen, dwong de Westduitse neofascisten tot nieuwe strategische en ideologische modellen. De 'hereniging' vond dan ook plaats met alle logistieke en persoonlijke kracht die het neo-fascistische kamp in West-Duitsland kon opbrengen.  

In het eerste halfjaar van 1990 was Oost-Berlijn het hoofdtoneel van het gebeuren. Hier werd begin februari de 'Nationale Alternative' (NA) als eerste extreem-rechtse partij van de DDR opgericht - en onder registratienummer 39/90 volgens de geldende regels in het partijregister opgenomen. De basis voor deze partij bood Michael Kühnens 'Arbeidsplan Ost' van 21 januari 1990.  

Het daarin ontwikkelde idee van een 'Deutsche Alternative Mitteldeutschland' als zusterorganisatie van de in de BRD al sinds 5-5-1989 bestaande rechtse verzamelpartij 'Deutsche Alternative' (DA) was in de DDR juridisch niet direkt uitvoerbaar, zodat de NA vanaf het begin een voorlopige oplossing was. Zo was het partijprogramma van de NA dan ook, met enige veranderingen, bijna letterlijk gelijk aan dat van de DA (West). Plaatselijke verenigingen van deze DA waren overigens al in december 1989 in Dresden, Cottbus, Rostock en West-Berlijn opgericht. De partij vestigde zich op 16-3-90 als 'DA Mitteldeutschland' in west-Berlijn. 

Naast deze aanvankelijk min of meer in het verborgene plaatsvindende organisatorische ontwikkelingen, beleefde Oost-Berlijn begin 1990 een golf van geweld van rechts, die dan ook voor vele krantenkoppen zorgde. Doelwit vormden vanaf het begin de gekraakte panden, eerst in de wijk Prenzlauer Berg - hier ligt het thuis stadion van de stasi-club BFC (nu FC Berlin) - en later in de wijk Friedrichshain. Daarnaast brachten de rechtsradikale jongeren de tijd door met een speurtocht naar verstopte nazi-orden, waarvan de verkoop in West-Berlijn al snel een lukratieve inkomstenbron werd voor het door de NA gekraakte pand Weitlingstrasse 122 in de wijk Lichtenberg. 

Bovendien werd het voor de zogenaamde 'Wende' al beoefende zoeken naar oude Wehrmachtswapens intensief voortgezet. In vroeger jaren werden bij aktivisten van de rechtsradikale beweging' made in DDR onder andere in beslag genomen: 2 machinegeweren, 5 karabijnen, 2 machinepistolen, 2 handgranaten, een niet genoemd aantal pantservuistkoppen en ontelbare hoeveelheden munitie. 

Opgeslagen was dit spul in het al eerder genoemde pand, dat de jonge nazi's in Lichtenberg hadden gekraakt. Dit huis, waarvan een van de ideologische leiders - Gottfried Küssel, 'Bereichsleiter Ostmark' van de VAPO, een Oostenrijkse zusterpartij van de Westduitse FAP, en intieme vriend van Michael Kühnen - zei dat het "een baken voor heel Duitsland" was, was onbetwist de centrale van de rechtsradikalen in wat toen nog de DDR was.  

Daar bevond zich in het voorjaar en in het begin van de zomer de partijcentrale van de NA, daar liepen beruchte rechtsextremisten uit West-Duitsland in en uit. Daartoe behoorden o.a. Kurt Hofinger (Oostenrijkse NSDAP/AO) maar vooral de kaderleden van de Nationale Liste (NL) uit Hamburg zoals Christian Worch en Thomas Wulff ('Steiner'). De NL moest zorgen voor de logistieke opbouw van de organisatorische DDR-filialen, terwijl kaderleden van de VAPO (Küssel en Günther Reinthaler 'Gauleiter Salzburg') de ideologische scholing onder hun hoede kregen en ervoor moesten waken dat de "kameraden in Midden-Duitsland" niet van de "rechte" weg zouden afwijken.  

Tot de bezoekers behoorde ook Michael Kühnen zelf, net als Gerry "Rex" Lauck van de Amerikaanse NSDAP/AO. Oliver Schweigert, leider van de FAP uit West-Berlijn trok helemaal in de Weitlingstrasse in en nam uiteindelijk ook leidende funkties in de NA over. Bovendien bestaan er kontakten met de ANS/AO, via de Deutsch-Nationale ArbeitsgemeinsChaft (DNA) met de NPD, met de Movimento Sociale Italiano (MSI - Italiaanse neofascisten), en met het Hauptschulungsamt Wotans Volk geleid door Arnuld Winfried priem uit West-Berlijn. Zowel de Republikaner als de DSU kwamen met aanbiedingen tot samenwerking met de jonge rechtsradikalen uit de Weitlingstrasse.  

Kraakaktie van rechts 

De betekenis van de "kraakaktie van rechts" ligt echter op een heel ander vlak. Voor het eerst werden hier geen oude strukturen in gewijzigde vorm herhaald, maar modellen uit de linksalternatieve scene rechtstreeks opgepikt. Konkreet betekent dit ten eerste de overname van alternatieve woon- en leefvormen die tot nu toe door rechtsextremisten heftig werden bestreden. Ten tweede werden bewust 'dekorstukken' uit de recente politieke ontwikkeling in de DDR na oktober in de eigen strategie ingebouwd.  

Door het bewust opnemen van onorthodoxe levensvormen en het veranderde vocabulair van de politieke agitatie ontstonden ook andere methoden voor het rekruteren van potentiële "medestrijders". Zo leidde het projekt van een gekraakt pand tot identifikatie en solidariteit binnen de "scene". Anderzijds bleef het eigenlijke politieke werk natuurlijk beter verborgen. Naar buiten toe w~s men kraker zoals andere krakers. Naar binnen toe schiep men een vrijplaats voor de opbouw van draagkrachtige strukturen. 

Hoezeer dit idee opging, bewijzen de maandenlange problemen van de Raad van het stadsdeel en de magistratuur om de gebeurtenissen in en om het huis op hun juiste waarde de schatten. Buiten kringen van anti-fascisten werd het huis pas bekend door een groot opgezette politie-"bestorming" eind april 1990. Het resultaat was eerder negatief. Behalve dat alle mogelijk kranten zich op de neonazi's stortten en hen op deze wijze een golf van populariteit bezorgden, veranderde er helemaal niets.  

Pas een grote demo in de wijk Lichtenberg van antifascisten/es, in juni 1990, maakt tenminste een voorlopig einde aan het gespook in Oost-Berlijn. Inmiddels staat het huis in de Weitlingstrasse weer leeg, hoewel het nog steeds dient voor konspiratieve ontmoetingen. 

Stadhouders in de provincie 

Herfst 1990 vielen, in Berlijn tenminste, twee dingen samen. Enerzijds was de antifa-afweer intussen zo sterk geworden dat de rechtsradikalen niet meer "in alle stilte" hun strukturen konden opbouwen. Anderzijds had de NA haar funktie verloren nadat de "DA Mitteldeutschland" officieel was aangemeld. 

Als gevolg verschoven de zwaartepunten van rechtsradikale aktiviteiten op het grondgebied van de DDR meer en meer naar het oosten en zuidoosten van het land. Langs de grens met Polen werden in grotere steden zoals Frankfurt/Oder of Cottbus de ativiteiten versterkt. Nieuw centrum van de beweging echter werd Dresden. De kroniek van geweld in de Elbestad is ver terug te volgen.  

Al sinds april 1990 ging in de hoofdstad van Saksen geen weekeinde voorbij zonder overvallen op alternatieve kroegen, woonhuizen van buitenlanders/sters, "linkse" passanten sinds oktober vonden dergelijke overvallen bijna dagelijks plaats. Daarbij nam de brutaliteit voortdurend toe en eskaleerde tenslotte tot het gebruik van wapens. Zo werden bij de bestorming en totale verwoesting van een kraakpand meerdere schoten van klein kaliber afgevuurd. Andere krakers uit Dresden gaven hun huizen zelf op, uitgeput door de voortdurende terreur van rechts.  

Berlijnse aktivisten van de NA en hun Westduitse aanvoerders waren er vaak bij in Dresden. Het officiële signaal voor de rechtsradikale scene in Duitsland om haar aktiviteiten vanaf nu sterker naar Dresden te verplaatsen, was de door Michael Kühnen en Gottfried Küssel geleide mars van rond de 500 neofascisten op 20 oktober in Dresden. Dat in Dresden de prominente neonazi's - behalve de al genoemden ook de beruchte Wehrsportgroepen-Hoffmann en Christian Worch (NL), maar ook knokploegen uit Schwaben en Noordduitsland acte de présence geven is in die situatie niet langer verwonderlijk.  

Bij het op zich al grote lokale rechtsradikale potentieel komt nog een door dergelijke problemen volledig overbelast stadsbestuur en door extreem personeelstekort niet beschikbare politie. De burgemeester van Dresden, Wagner (CDU) verklaarde zelfs na de opmars (die toegestaan was) dat men niet had geweten om wie het ging. De manifestatie was immers gemeld door een "Initiative für Deutschland" en niet door de DA.  

Zoals al vermeld was Dresden reeds in Kühnens "Arbeitsplan ast" tot centrale voor de DA bestempeld. In november 1990 werd geprobeerd om na het debâcle in de Berlijnse Weitlingstrasse nu in Dresden een z.g. "braunes Haus" te vestigen. De door nazi-skins uitgevoerde kraakaktie werd echter door de politie beëindigd. In januari 1991 werd de radiocommunicatiecentrale van de DA nàar Dresden-Cotta verplaatst, zodat aangenomen kan worden dat het "centrum van de beweging" zich inmiddels in Dresden bevindt. 

Parallel met de organisatorische opbouw van min of meer "gevestigde" neofascistische organisaties uit de oude DDR werden er in Dresden ook veel nieuwe opgericht. Intussen struikelen in de stad over elkaar: het Verband der sächsische Wehrwölfe (VdSW), de Jungsturm (JS), de Nationale Widerstand Deutschlands (NWO) en ook twee Wehrsportgruppen: de Schutzstaffel Ost (SS-a) en de Wehrsportgruppe Hans Joachim Peiper, genoemd naar de gelijknamige SS-leider. Centrale figuur van de lokale rechtsradikale scene is Rainer Sonntag. 

De inmiddels ook in de ex-DDR zichtbare veelheid van rechtsradikale groepen doet versplintering, rivaliteit en sektarisme vermoeden, echter, dat is een gevaarlijke vergissing. Net als vroeger in de BRD zijn de organisaties onderling verbonden door dubbele en driedubbele lidmaatschappen. Het zijn dus eerder delen van een eenheidsbeweging i.p.v. de verboden NSDAP (de partij van Hitler), waarbij de partijachtige strukturen de SA vormen en de Wehrsportgroepen de SS. 

De volgende etappe 

Rond de jaarwisseling 90/91 bereikte de golf van geweld in Dresden haar eerste hoogtepunt. Alternatieve kafé's werden aangevallen en, verwoest, buren met lichtkogels beschoten. Ben van de kafé's gaat in vlammen op zodat de bewoners van het pand door de brandweer gered moeten worden. 

Daarop worden ook in Dresden de antifa-groepen sterker. Onder andere aan de mobilisering op initiatief van de antifa's uit Dresden is het te danken dat op 20 april de gevreesde opmars naar de Elbestad niet heeft plaatsgevonden. Maar antifa-werk funktioneert ook in Dresden nog hoofdzakelijk als reaktie op neofascistisch geweld. Zo komt het dat ondanks het groeiende verzet de organisatorische hervorming van het neofascistische kamp is begonnen. Nieuw op het toneel is de Nationale Offensive (NO), waarover momenteel alleen te zeggen valt dat zich onder dit dak vele oude leden van de NA weer hebben verzameld.  

Hoogstwaarschijnlijk is het een volgende poging de ultrarechtse krachten te bundelen en de onderlinge twisten te overwinnen. De aktivisten van de Berlijnse NA - de afgelopen vijf maanden was de groep teruggevallen tot volledige betekenisloosheid - plannen, omdat reorganisatie blijkbaar te moeilijk is, eveneens een nieuwe organisatie voor Berlijn en omgeving, waarvan te verwachten valt dat ze een verbonds-karakter krijgt. Het blijft afwachten of de dood van Michael Kühnen een vertragend effekt zal hebben op de samenwerking van bewegingen uit heel Duitsland. Beslissend zal zijn wie zijn politieke erfgenaam wordt. 

In de voormalige DDR is ook een andere tendens zichtbaar. Meer en meer vormen zich groepen rechtsradikalen in kleine en middelgrote steden. Bekend zijn deze groepen intussen in Jüterborg, Königs Wüsterhausen, Treuenbriezen, 'Ràthenow, Oranienburg, Neustrelitz, Schwedt, Hoyerswerda, Spremberg, Halberstadt, Stadt Roda, Saalfeld en Glauchau. Meestal gaat het hier om heel jonge mensen - uit de leeftijdsgroep van 14 tot 18 jaar - die lokale groepen vormen van de Freiheitliche Arbeiterpartei Deutschlands (FAP) of het Nationalistischen Front (NF), of losse verbanden van 30 tot 50 deelnemers met een harde kern van 10 tot 15 mensen en met een relatief groot verloop.  

Daarnaast worden ook op dit nivo nieuwe partijen opgericht, bijvoorbeeld de Deutsche Volkspartei in Arnstadt of de Deutsch-Nationalen Bund/Völkischer Bund in Eberswalde-Finow. Niet al deze groepen zijn uitgesproken rechtsradikaal te noemen. Toch worden vanuit een rechts-georiënteerde motivatie strafbare feiten gepleegd, met name tegen buitenlanders. De situatie is vooral ook daarom zo precair omdat in dergelijke kleine steden het politie-apparaat bijna helemaal in elkaar is gestort zodat strafbare handelingen niet eens worden vervolgd. Om van georganiseerde antifascisten/stes op dit nivo maar helemaal te zwijgen.  

Aan de andere kant zijn het juist deze gemeentes die als eerste en in veel sterke re mate getroffen worden door het ekonomische en daaruit voortvloeiende sociale failliet. Niemand kan daar de ontwortelde jeugd zo snel en zo alomvattend een nieuwe oriëntatie en - al is het maar schijn - houvast bieden als de demagogen uit het ultrarechtse kamp. In de kontekst van een algehele ruk naar rechts van de hele Duitse samenleving krijgen deze verschijnselen een nieuwe dimensie. 

Of het organiseren van antifascistische zelfhulp, uiteindelijk het enige middel om op neofascistische aktiviteiten te reageren, snel genoeg kan plaatsvinden zal beslissend zijn voor het verdere verloop van de ontwikkeling. 

Hagen Crszyczek  

De auteur woont in Berlijn (hoofdstad der voormalige DDR) en werkt o.a. in antifascistische verbanden. Vertaald 1991 uit Arbeiterkampf van 6 mei 1991. AK is een progressief blad uit Hamburg.

Naar boven
Naar overzicht dit nummer
Naar Jaargang 1991