UIT: NN #75 van 7 februari 1991
De westelijke sahara deel 2
In de Golfoorlog zijn 1300 Marokkaanse militairen verwikkeld. Koning Hassan II heeft zich opnieuw verzekerd van Westerse steun voor zijn beleid ten aanzien van het volk van de Westelijke Sahara, wiens bestaan hij altijd ontkent heeft. De afgelopen maanden hebben zich op internationaal niveau geen nieuwe ontwikkelingen voorgedaan met betrekking tot de Westelijke Sahara. Alle tijd van de Verenigde Naties is in de Golfkrisis gaan zitten. In Marokko zelf blijft het stil. Geen enkele politieke partij durft zich over de Westelijke Sahara uit te spreken. Het Marokkaanse volk staat bloot aan manipulatie en desinformatie. Een Marokkaan, ook in Nederland, die zich uitspreekt over de Westelijke Sahara, loopt grote risiko's. Voor de Saharanen is er geen tijd, geen alternatief. Het is onafhankelijk of sterven. Op deze pagina's fragmenten uit getuigenissen over martelingen en deportaties, en uit interviews met Saharanen die leven in bevrijd gebied en de vluchtelingenkampen.
"De Revolutie in Saguia El Hamra en Rio de Oro is ontketend omdat er een volk bestaat. Dit volk bezit een nationale identiteit, een eigen beschaving, eigen beginselen, eigen waarden en een eigen organisatie. Dit volk bestaat en zal het verraad van het kolonialisme, de agressie van de reaktionaire regimes en hun manipulaties overleven.." El Ouali (fragment uit een redevoering gehouden op 20 mei 1976 ter gelegenheid van de derde verjaardag van de revolutie).
Vuile oorlog
Een deel van het volk van de Westelijke Sahara leeft sedert eind 1975 onder het juk van de Marokkaanse bezetting, vrijwel geheel afgesneden van kontakt met de buitenwereld, overgeleverd aan de willekeur van politie, leger en bestuur van de bezettingsmacht. Deze voert een beleid gericht op gedwongen integratie van de Saharaanse bevolking, die zich immers blijft verzetten tegen Marokko's illegale aanwezigheid in de Westelijke Sahara.
Geen middel wordt geschuwd om de Saharaanse samenleving te intimideren en te ontwrichten en de Saharaanse kultuur weg te drukken. Intensieve kontrole op het doen en laten van de Saharaanse burgers, huiszoekingen en razzia's scheppen bij hun een permanent gevoel van onveiligheid en angst. Illegale detenties maken dat vele honderden Saharaanse burgers zijn 'verdwenen'.
"De Saharaanse bevolking staat bij voortduring bloot aan een geleidelijke uitroeiingsoperatie: angst zaaien in de geest van de kinderen, ontvoeringen van mannen, vrouwen en zelfs kinderen, allerlei monsterlijke martelingen", aldus Massoud Mohamed Salem Laroussi, die de Marokkaanse bezetting heeft kunnen ontvluchten.
Hij doelt op de talloze overvallen, moorden, arrestaties, martelingen en ontvoeringen, door het Marokkaanse regime het Saharaanse volk toegedaan. Het voert te ver om hier tot in detail de vuile oorlog te beschrijven, zoals die zich in de Westelijke Sahara heeft ontwikkeld. We kunnen slechts enkele voorbeelden noemen uit getuigenissen van gevluchte Saharanen, onder andere verzameld door de Saharaanse Rode Halve Maan.
In de beginfase van de bezetting werd het doel van Koning Hassan II al snel duidelijk: de vernietiging van het Saharaanse volk. Uit het verslag van een missie van de Franse vakbond van advokaten:
'Hij, Sid el Bachir, heeft verteld over de arrestaties van vijf tien nomaden bij Oudeyat Bouzian, ten zuiden van Smara, in mei 1976; volgens hem zouden tien personen van deze groep doodgeschoten zijn, terwijl vijf anderen zouden zijn gemarteld, geboeid en vervolgens hoog vanuit een vliegende helikopter gegooid. (…) Deze aktie zou zijn uitgevoerd onder het rechtstreekse bevel van kolonel Abdeslam Lamarti, wiens naam herhaaldelijk werd genoemd. Deze zou ook, in dezelfde periode, persoonlijk het bevel hebben gegeven om bij Lemseid, ten zuiden van Tan Tan, een groep van eenenvijftig Saharanen, merendeels vrouwen en kinderen, die met touw aan elkaar waren vastgebonden, levend te begraven.'
We verplaatsen ons naar de jaren na de invasie. De vuile oorlog neemt nieuwe vormen aan. Het Marokkaanse regime beschouwt de Saharaanse kultuur als een folkloristies verschijnsel, waar men op neerkijkt. 'Op feestdagen of als er journalisten kwamen, werden we gedwongen, onder dreiging van represailles, ons feestelijk te kleden. We moesten dansen en zingen, terwijl we noch de kracht, noch de zin hadden om te zingen en te dansen.'
'Khadijatou Cheikh Badouda, 49 jaar, is ernstig ziek. Het ziekenhuis Mohamed V te Agadir weigert haar op te nemen omdat ze haar traditionele kleding niet af wil leggen, hetgeen voor de leiding reden is om haar van sympathie met het Front Polisario te beschuldigen. Ze is in april 1984 overleden, ten gevolge van deze weigering tot ziekenhuisopname.'
Front polisario of die daarvan verdacht worden, lopen grote risiko's. 'Salka Ali Salem Mohamed Yahdih, 35 jaar, woonde in de wijk Colomina Neuva in El Ayoun. Haar vader is in 1975 door de recherche gearresteerd. Ze ging vaak naar Tarfaya (110 km ten noorden van El Ayoun) om haar ouders te bezoeken. Het is in deze stad dat ze is gearresteerd. Ze werd ervan beschuldigd samen te werken met haar broers, die bij het Front Polisario waren gegaan. Terwijl ze moeder was van een kind van drie jaar, is ze verkracht en dood gemarteld.'
'Onze buurman, Laroussi ould Saleh, 45 jaar, vader van zes kinderen, koopman, ging naar de Canarische Eilanden in verband met zaken. Toen hij terugkwam, twee weken later, is hij op het vliegveld gearresteerd. Al zijn goederen, 66k zijn winkel, zijn in beslag genomen. Men beschuldigde hem ervan het Front Polisario te steunen, zonder overigens enig bewijs te hebben. Tot op de dag van vandaag weet men niet wat er van hem is geworden.'
'Meimouna El Bakkay, 36 jaar, getrouwd, is in juni 1984 in het ziekenhuis van Agadir vermoord, door middel van vergif. Ze werd ervan beschuldigd aktief te zijn voor het Front Polisario.'
Uitingen van het nationale bewustzijn of verzet, worden snel de kop ingedrukt. 'Fatimatou ment EI-Kercha, 60 jaar, is gearresteerd omdat ze in haar huis de nationale vlag van de Saharaanse republiek had hangen. Nadat ze haar hadden gemarteld, hebben ze haar naar Casablanca overgebracht, waar ze in een ziekenhuis is opgenomen. Daar hebben ze haar in een speciaal kamertje opgesloten, met glazen wanden. Nadat ze haar uitgekleed hadden, hebben ze haar lichaam met suikerwater ingesmeerd, waarna er bijen in het vertrek werden losgelaten. Over haar hele lichaam is ze door de insekten gestoken, en ze is voorgoed blind geworden.'
'Tahar Taleb EI-Yazid, 19 jaar, uit de wijk Colomina Nueva te El Ayoun, is gearresteerd tegelijk met vijf andere personen. Ze werden ervan beschuldigd voertuigen die toebehoorden aan de bezetters, in brand te hebben gestoken. Hun lot is sedertdien onbekend.'
'Mijn broer Mohamed Fadel Laaroussi, 38 jaar, vader van vijf kinderen, kostwinner voor ons grote gezin dat. woont in de wijk Colomina, op het adres Ceutastraat 11 te El Ayoun, is op 16 mei 1980 gearresteerd, vier dagen voor de herdenking van de twintigste mei. Twee weken later hebben we hem teruggevonden in het ziekenhuis, met een misvormd gezicht, zijn nagels uitgetrokken, buiten zijn zinnen door de martelingen niet in staat zijn familie te herkennen. Negen dagen later stierf hij in het ziekenhuis.'
Verdachtmakingen, provokaties van Marokkanen zijn aanleiding voor arrestatie en verdwijning. Wat bekend is over de Marokkaanse martelpraktijk, doet het ergste vrezen voor de verdwenen Saharanen over wiens lot niets bekend is.
'Ongeveer 40 Saharanen werden tegelijkertijd gearresteerd, in 1983 in El Ayoun. Achttien maanden later zijn sommigen van hen vrijgelaten, anderen zijn aan martelingen in de gevangenis bezweken, weer anderen zijn helemaal verdwenen. Van degenen die zijn vrijgelaten, zijn verscheidenen verlamd.'
'Ik kan onmogelijk alle namen noemen van degenen die gemarteld werden, vermoord, ontvoerd. Het zijn er zo veel. Ik zal me ertoe beperken enkele gevallen te noemden die ik met eigen ogen heb gekonstateerd. Op een nacht, in 1983, sliep ik in het huis van mijn tante, Salka T'hali, 30 jaar oud, die woont aan de rand van El Ayoun, toen midden in de nacht de politie haar kwam halen en naar de gevangenis bracht. Daar wachten de beulen haar op, en zodra mijn tante de valse aantijgingen die tegen haar werden ingebracht, had ontkend, begon het martelen. Ze goten heet water over haar lichaam. Ze trokken haar nagels uit. Ze drukten brandende sigaretten uit op haar lichaam. Ze pasten op haar de martelmethode van het 'vliegtuig' toe. Mijn tante heeft in de gevangenis kunnen zien hoe talloze Saharanen dagelijks werden vermoord; hun lichamen werden in gemeenschappelijke graven gegooid.'
'Mijn vader, Alamina Hafed Lemrabett, 43 jaar, woonachtig op het adres Mohamed Salem Beida-straat te El Ayoun, is in 1977 bij hem thuis gearresteerd. Hij is, geblinddoekt, naar de 'zwarte gevangenis' gebracht. Daar hoorde hij voortdurend het schreeuwen van de gemartelde gevangenen. In de gevangenis is hij onderworpen aan verschillende manieren van martelen: 'het vliegtuig', met lappen, met bleekwater (in zijn neus), brandwonden toegebracht aan zijn geslachtsorganen, de elektriese stoel, uitrukken van nagels... Zeven maanden later werd hij voor de deur van ons huis gevonden, in een deerniswekkende toestand: zijn tanden gebroken, zijn lichaam mismaakt. Gedurende de tien dagen dat hij nog in leven is gebleven, heeft hij geen woord kunnen uitbrengen. Hij schreef om met ons te kommuniceren. De tiende dag is hij overleden, een gezin achterlatend met kinderen, waarvan ik de oudste ben.'
'Khnata Ayad, 40 jaar, die woonde op het adres Avenue Catalogna 1 in El Ayoun, moeder van vijf kinderen (...) is in oktober 1984 gearresteerd, samen met haar dochter Dakala, 20 jaar. In december 1984 is haar man uitgenodigd het lichaam van zijn overleden vrouw op te halen. Haar dochter, die tien dagen later werd vrijgelaten, vertelde hoe haar moeder was gestorven: "Mijn moeder was twee maanden zwanger, de beulen zijn tegen haar tekeer gegaan, hebben haar over haar hele lichaam geslagen, zonder rekening te houden met haar toestand van zwangerschap." De dochter is enkele dagen na haar vrijlating gek geworden.'
De Marokkaanse bezettingsmacht, vervuld van haat jegens de Saharanen, kan straffeloos zijn gang gaan: 'Souad Mohamed Liman, woonachtig in de wijk La Paz van El Ayoun, is opzettelijk door een GMC vrachtwagen te pletter gereden toen zij onderweg was van school naar huis. Onder het voorwendsel dat de chauffeur 'een soldaat is die de vijand bestrijdt' is tegen hem geen enkel maatregel genomen. Toen familieleden van Souad een klacht wilden indienen bij de gouverneur - Saleh Zemrag - heeft deze hen allen in de gevangenis laten gooien, want, zoals hij zei, 'ze bemoeiden zich met staatsaangelegenheden'.'
In de Westelijke Sahara zijn op iedere drie Saharanen zeven Marokkanen betrokken bij de onderdrukking. De Marokkanen hebben een klimaat van angst onder de bevolking geschapen, die zich konstant bespied en gekontroleerd weet. 'Voorheen studeerde ik in Marokko. In november 1982 werd ik gevangen genomen samen met mijn moeder (38 jaar oud). Na mijn vrijlating werd ik door de politie in de gaten gehouden en iedere keer ondervroeg men mij langdurig. Dat heeft bij mij een gevoel van angst, van voortdurende onveiligheid veroorzaakt.'
Hassena el Bechir Mohamed, 20 jaar, student, werd in november 1988 naar Tanger in Noord-Marokko gedeporteerd, waar hij als prijzenkontroleur te werk werd gesteld. In mei 1989 bracht hij zijn verlofdagen bij zijn familie in El Ayoun door.
'Op 19 mei, toen mijn verlof ten einde liep, maakte ik mij gereed om terug te keren naar Tanger. Om 11.30 uur wachtte ik bij de ingang van het lyceum op mijn vriend Dalil Lahcen om afscheid van hem te nemen. Eén van de jongeren die zich toen voor het lyceum ophielden, gooide. een steen naar een Marokkaan. Daarop richtte die zich tot mij en zonder me te vragen hoe het zat, pakte hij de hals van mijn hemd vast. En we vochten.'
'Die avond kwam de 'kalifa' (door Marokko benoemd en gekontroleerd Saharaans wijkhoofd) Oukbi naar ons huis maar trof mij daar niet aan. Toen ik thuis kwam vertelde mijn moeder dat er iemand naar me op zoek was geweest, en vroeg me om de reden. Ik antwoordde haar dat ik gevochten had met een Marokkaan. De volgende morgen nam ze mee naar het kantoor van de 'kalifa'. Deze liet ons binnen en heeft me lange tijd ondervraagd. Hij stuurde mijn moeder naar huis en maakte mij duidelijk dat ik de nacht door zou moeten brengen in het arrondissementsgebouw. Om middernacht, of daaromtrent, kwamen de 'kalifa' en een moukhazni bij me en bevolen me een luchtje te gaan scheppen.'
'Ik weigerde. Daarop trok de moukhazni aan mijn armen en duwde me naar buiten. Ze verbonden mijn ogen en dwongen me in een Renault 4 te stappen. De chauffeur reed naar het Mechouarplein. Een landrover van de gendarmerie wachtte daar op ons. Twee gendarmes stopten mij in de landrover. De auto reed zo'n 20 minuten en gedurende die tijd werd ik op mijn hoofd, mijn armen en vooral op mijn lichaam geslagen. Toen de landrover tot stilstand kwam, was ik nog maar half bij bewustzijn. Ze dwongen me uit te stappen, waarbij de één me met een zweep sloeg en de ander met een stok. Ze begonnen me in te graven in het zand van een duin. Voordat ze mijn begrafenis voltooiden, doofden ze de lampen van de auto.'
'Zij maakten zich uit de voeten en lieten mij half bewusteloos achter. Ik kon me ternauwernood nog uitgraven, en slaagde er, kruipend in om één van de politieposten te bereiken die aan de rand van de stad staan. Nadat ze mijn verhaal hadden aangehoord, droegen ze me over aan het commissariaat van politie. Na drie dagen van ondervragingen liet de commissaris me overbrengen naar een gevangenis. Daar vond ik mijn vriend Lahcen Dalil terug. Er volgden 2 maanden van gevangenschap, waar ik de ergste mishandeling van mijn leven meemaakte. De gouverneur liet me uiteindelijk gaan onder de voorwaarde dat ik geen voet meer in El Ayoun zou zetten tijdens mijn jaarlijks verlof.'
'Het lijden en het onrecht dat ons volk, en in het bijzonder de jongeren, moet ondergaan is groot. Er zijn geen vrijheden. Politie en gendarmerie zijn overal. Tussen 1975 en 1989 zijn alle leden van mijn familie één voor één aangehouden voor ondervraging op het kommissariaat of het kantoor van de DST ('Direktie van Staatsveiligheid'), en dat meerdere keren. Mijn oudste broer heeft tot drie keer toe gevangen gezeten, mijn oom Yehdih zit al 6 jaar in de gevangenis, ik heb vrienden die al sinds lange tijd zijn verdwenen en waarvan familieleden niet weten waar zij zijn. Mijn vader probeert al jarenlang een paspoort te krijgen maar dat is hem tot op heden geweigerd.'
'Mijn nicht Fatimetou Abdalla is in 1985 opgepakt en gemarteld omdat ze enkele Spanjaarden, die in de visserij werkten, thuis had uitgenodigd. Op het kommissariaat werd zij beschuldigd van kollaboratie met buitenlanders. De Marokkanen voeren een kampagne, een monstrueuze propaganda, tegen de Saharaanse tradities: tegen de zwarte melhfa die zij als vies en niet prakties beschouwen, tegen onze muziek, tegen alles wat iemand als Saharaan kan definiëren. De identiteitskaarten van Saharanen hebben speciale tekens die snel te ontcijferen zijn door organen van repressie.'
'De straten en wijken hebben allemaal Marokkaanse namen. Tijdens de grote feesten (Feest van de Troonsbestijging; Feest van de Jeugd; Feest van de Groene Mars) zijn Saharanen, onder het voorwendsel van kontributie, verplicht om belastingen te betalen die variëren van 100 tot 2000 dirham, en vaak meer voor winkeliers en zakenmensen. Het is waarachtig ondraaglijk. Wanneer de Marokkanen paspoorten zouden verstrekken, of wanneer er geen verdedigingsmuur zou zijn, dan was er op dit moment geen enkele Saharaan in bezet gebied.'
Op allerlei manieren probeert het Marokkaanse regime voldongen feiten te kreëren, waardoor de uitslag van het referendum, waarin de Saharanen zich kunnen uitspreken over aansluiting bij Marokko of onafhankelijkheid, in zijn voordeel zal uitvallen. Dit moet voorkomen worden. Ahmed Baba Hassan Mouloud: "Ik roep het geweten aan van één ieder. Ik vestig de aandacht van alle mannen en vrouwen die opkomen voor gerechtigheid en vrijheid op datgene wat zich afspeelt in El Ayoun, Dakhla, Smara Boujdour. Weerzinwekkende daden worden daar begaan. Onschuldige weerloze mensen worden in koelen bloede vermoord. Zal de wereld toestaan dat dat gebeurt, in deze twintigste eeuw?"
Onafhankelijk
Leven in de bezette Westelijke Sahara, zonder hun eigen identiteit en hun kultuur verliezend, is voor de Saharanen onmogelijk. Ze zouden sterven. Leven in vrijheid kunnen Saharanen alleen in de 'Demokratische Arabische Republiek Sahara' (DARS) de onafhankeliike Saharaanse_staat, met zijn eigen ministeries. In de vluchtelingenkampen in het zuiden van Algerije en de bevrijde gebieden in de Westelijke Sahara. Er is geen alternatief.
Kh'didja, een nomadenvrouw, leeft in de bevrijde gebieden in de Westelijke Sahara. Al 38 jaar staat haar tent vlakbij de grens met Maurtanië, ij Ain Bentili. "Van deze aarde ken ik elke steen. Ik herinner mij 12 oktober 1975 nog goed. Uit alle delen van de Westelijke Sahara, toen nog Spaanse kolonie, kwamen vrouwen en mannen aan, om zich tot een gezamenlijke beweging aanéén te sluiten. (Nationalistiese leiders verenigden zich in het Front Polisario - N). Op 12 oktober werd in Ain Bentili de Saharaanse nationale eenheid geboren. En ik ben getuige geweest."
In het land noemt men Kh'didja vaak de moeder van de strijders. Ze is altijd bereid gasten te ontvangen, te delen, te verzorgen. Al altijd verzetsstrijdster is zij momenteel lid van de vrouwenunie UNMS en in haar streek regelt zij de sociale aangelegenheden. In haar tent komt iedereen die om raad Vraagt. "Kijk naar deze tent, deze horizon. Hier ben ik geworteld. Mijn moeder heeft aan mij de waarden overgedragen die zij van haar moeder geleerd had. Op de lange weg van de plichten en de gastvriendelijkheid ben ik helaas nog niet bij het doel van mijn wensen gekomen. Ik eer mijn gasten. Ik geef hen te eten. Ik help mijn buren. Maar dat is eigenlijk heel gewoon."
Kh'didja heeft twee zonen voor de onafhankelijkheid van haar land verloren. Haar twee jongste dochters, de tweeling Raya (vlag) en Houria (Vrijheid), volgen onderwijs in de vluchtelingenkampen in Algerije. Hun vakanties brengen zij bij hun moeder door.
"Ik hoop dat zij goede leerlingen zijn. Ik hoop niet dat zij worden zoals ik. Analfabeet. Ik hoop dat mijn dochters datgene doen wat U doet. Dat zij schrijven. Dat zij reizen. zij zitten op de school van onze republiek. Ik ben er trots op te weten, dat zij aan veel aktiviteiten deelnemen die ik nooit gekend heb. Op het internaat van de 12e oktober, waar zij het schooljaar doorbrengen, zijn zij leden van het kunstkomitee. Zij leren onze dansen, onze liederen, Gedurende de vakanties, terug in de Badya (Arabisch land van de Nomaden - N) verdiepen zij hun kennis over de waarden die de grondslag van onze samenleving vormen. Op een dag zullen zij de verantwoording nemen voor een familie, misschien voor een Frig." (nomadenkamp, - N)
"Zij moeten het land leren kennen, weten hoe zij hun plek vinden, hoe zij een tent opzetten, hoe je spint, hoe je de Flij weeft, deze lange banden van kamelen- en geitenhaar, het belangrijkste materiaal voor onze Jaima. (traditionele tent - N) Weten, hoe je het vee verzorgt. De ziekten, wanneer het mogelijk is, met onze kruiden kunnen bestrijden. De gastvriendelijkheid leren, de vreugde te krijgen alles te geven. Voor alles probeer ik mijn tweeling tot verantwoordelijke, jonge vrouwen op te voeden. Zij zullen andere dingen beleven dan ik beleefd heb. Zij moeten leren, zich aan al deze situaties aan te passen die zij in de loop van hun levens zullen tegenkomen. Maar, weet je, ik leer veel van mijn dochters. Tijdens hun vakanties vertellen zij mij de geschiedenis van andere volken, de geografie van andere landen. Wij willen geen volk, dat door generatieverschillen gedeeld is. Hier vlakbij werd onze nationale eenheid opgericht. Daaraan moeten wij vasthouden, de jongeren en de ouderen. Mannen en vrouwen. Het is geen echte nationale eenheid wanneer het slechts de eenheid van enkelen is. Tijdens het verblijf van mijn dochters in deze tent wisselen we vele dingen uit. Ik leer hen de Badya, de wieg van onze identiteit kennen. Zij brengen mij de wind van de wijde wereld."
In de vluchtelingenkampen praktiseren de Saharanen de idealen van een onafhankelijk vrij Sahara. Wat in vergelijking met de omliggende naties opvalt is dat de vrouwen hier een onafhankelijke zelfbewuste positie hebben verworven. Senia Ahmed Merhba is, na sekretaris-generaal van de UMNS en lid van het politburo van het Front Polisartio, direktrice van de naar de oprichtingsdag van de DARS vernoemde vrouwenschool 'School van de 27e februari'.
"Onze grootste handikap na de koloniale tijd was de gebrekkige opleiding van vrouwen. Ikzelf heb aan de eerste alfabetiseringskampagne in de vluchtelingkampen in 1976 deelgenomen. Wij waren in onze groep met 50 vrouwen die onder de blote hemel rondom enkele klaptafeltjes zaten. Ik heb alle Saharaanse scholen bezocht, geen universiteit in het buitenland. In 1978 hebben wij de School van de 27e februari opgericht - wiens naam herinnert aan de oprichting van onze staat. Dat is een speciale school voor de opleiding van vrouwen, die al meer dan 8000 vrouwen konden bezoek. Wij hebben er door kinderopvang gedurende de opleiding voor gezorgd dat de vrouwen van hun huishoudelijke bezigheden bevrijd werden en zich in alle rust op hun opleiding kunnen koncentreren. Zo ontwikkelden wij onze positie vanaf de basis. Wij denken er niet aan, te snel cijfers vast te stellen over het aantal vrouwen dat bepaalde funkties moet bezetten. Wat is ons voordeel wanneer drie of vijf vrouwen meer in het politburo zitten, maar daaronder niets meer komt? Wij zullen de voorwaarden scheppen dat de deelname van vrouwen op gelijke basis verzekerd is, en niet meer terug te draaien is."
Gelijke rechten voor de vrouwen zijn en worden stap voor stap verworven. Op een aantal punten is de Saharaanse samenleving de Westerse samenleving vooruit. Vrouwenmishandeling is in de Saharaanse samenleving zo ongeveer het ergste wat kan gebeuren. Senia Ahmed Merhba: "Bij een bezoek aan Oostenrijk heb ik in een vrouwenhuis met vrouwen gediskussieerd die door hun mannen mishandeld werden en toch steeds weer naar deze mannen terugkeerden. Zoiets is bij ons ondenkbaar. Geweld van een man tegen een vrouw is bij ons altijd een reden voor onmiddellijke en totale scheiding. Ja, het is zelfs zo dat de hele familie van de geslagen vrouw zich op deze man wreken zal; hij moet blij zijn wanneer hij er levend vanaf komt."
Fatimou Brahmin, die door haar vriendinnen naar de Libanese kunstenares Ferouz is vernoemd, maakt deel uit van de dans- en muziekgroep 'El Ouali' en is voor velen 'de beste stem van de Sahara'. Zij zingt de oude liederen van de Saharaanse nomaden, de nieuwe liederen van de onafhankelijkheidsbeweging, en zij beheerst een groot repertoire aan liederen uit de gehele Arabiese wereld, van Mauretanië tot aan Irak.
Ferouz volgde onderwijs in de vluchtelingenkampen en Libië, waar zij opviel door het gemak waarmee zij de stijl van de grote Arabische zangeressen overnam. Zij bezocht een muziek- en theaterschool in Algerije, "maar het meeste heb ik geleerd van de oude vrouwen in de vluchtelingenkampen, Ik heb veel tijd met hen doorgebracht om alle liederen te leren die zij zich konden herinneren. In de Saharaanse samenleving was het scheppen van liederen en dansen nooit een zaak van professionele kunstenaars. Onze groep is als gesloten eenheid helemaal niet denkbaar. Wij halen onze teksten en melodieën uit het volk. Ook nu ontstaan er dagelijks nieuwe liederenliederen die over onze huidige problemen gaan, en onze hoop."
Zoals andere kunstenaars van 'El Ouali' ziet ook Ferouz het als haar opdracht haar muzikale kunnen aan anderen over te dragen. "Er zijn vele dans- en zanggroepen, in ieder kamp, op elke school en zelfs op elke lagere school. Wanneer wij niet op tournee in het buitenland zijn of aan het oefenen, dan werken wij met deze groepen. En op gegeven moment komen daar talenten uit voort, die ons aflossen, want 'El Ouali' is geen vaste kring van personen, maar altijd in beweging, zoals de ontwikkeling van de muziek en de dans zelf."
'El Ouali' is niet alleen een centrum van het kulturele leven in de vluchtelingenkampen maar ook vertegenwoordiger van de Saharaanse kultuur en identiteit in het buitenland. "Wij tonen met elk optreden dat ons volk bestaat, dat we een traditie hebben en dat we kracht hebben om te vechten. Niet voor niets probeert het Marrokaanse regime steeds onze koncerten in Europa met bommeldingen en knokploegen te verstoren."
Verwacht zij eens een koncert te geven in haar bevrijde geboorteplaats Smara in de Westelijke Sahara? "Zeker, ongetwijfeld. Maar hoe lang het nog duurt, kan ik je niet zeggen."
N.
Gebruikte literatuur: Het dagelijks gezicht van de onderdrukking, Sahara Info, Getuigenis van een gedeporteerde, Der konflikt urn die West-Sahara.
Zie verder: NN #73 en NN #74.
Meer informatie: polisario Komitee, Postbus 40018, 6504 AA Nijmegen.