Ravage   ● Archief    ● Overzicht 1990    ● Overzicht #62


UIT: NN #62 van 26 juli 1990


SCHONE KLEREN KAMPAGNE IN WORDING

Regelmatig duiken berichtjes op over de konfektie-industrie. Over akties, misstanden, onderzoeken. Over solidariteit, wetten en eisen. Al weer bijna een jaar is in Nederland een initiatiefgroep bestaande uit verschillende mensen die hier een bepaalde betrokkenheid bij hebben aan het overleggen over een mogelijke bundeling van krachten; en over de inhoud die een gemeenschappelijke kampagne aangaande de konfektie-industrie zou moeten hebben. Het basisplan, de uitgangspunten, liggen er nu. Hoewel er op veel punten nog bijgeschaafd of aangevuld moet worden. In het volgende artikel enige uitleg over het waarom van zo'n kampagne, de aandachtspunten waar voor gekozen is en de argumentatie hierbij, de aard van de kampagne en wie er aan deelnemen of dit zouden moeten gaan doen.

De konfektie-industrie heeft een aantal basiskenmerken: de lonen zijn laag, de arbeidsomstandigheden slecht, de producenten doorgaans vrouw, de produktie internationaal en de uitbestedingsketens zijn lang. Eťn spijkerbroek kan de hele wereld doorgeweest zijn voor hij in de winkel ligt. Vele handen kunnen er aan gewerkt hebben en velen kunnen er wat aan verdiend hebben. De grote winst gaat naar de tussenhandel maar vooral naar de opdrachtgever: het warenhuis. Een atelierhouder: "Maar het meest verdient C&A eraan. C&A maakt altijd 100 tot 120% winst."

Een voorbeeld van een keten: Een thuiswerkster krijgt een tientje voor het maken van een zeer bewerkelijke jurk. Ze levert deze aan een atelier dat er -na het inzetten van knoopsgaten strijken- 30 gulden voor krijgt. Via de tussenhandel beland de jurk dan voor ca 175 piek in de winkel. Vaak zijn de ketens ingewikkelder, maar de winsten alleen maar hoger. Bij Sinan Garments Ltd., een fabriek in Bangla Desh waarvan bekend is dat ze in elk geval in 1985 aan C&A leverden, verdienden sommige vrouwen tot voor kort slechts 3 cent per uur. Van Sinan is ook bekend dat arbeidsters in sommige gevallen aan de machines werden vastgebonden om ze te dwingen door te werken.

KONFEKTIE: MYTHES, VROUWEN EN IDEOLOGIEňN

De grote winkelketens zijn de uiteindelijke opdrachtgevers. Zij hebben een stevige greep op de produktie. In feite bepalen zij welke produkten, waar, tegen welke lonen en onder welke arbeidsomstandigheden gemaakt wordt.Extreme uitbuiting vindt ook in andere produktie-sektoren plaats. Waarom nu juist gekozen voor textiel?

Als eerste is er het enorm beweeglijke karakter van deze industrietak, met een voortdurende koppeling tussen zg. derde wereldlanden en de rijke industrielanden. In de jaren '70 vond de eerste 'run-away' plaats: van bijv. Nederland naar lage-lonen landen als Tunesiť, Zuid-Korea en Taiwan. In de jaren '80 vonden tegelijkertijd twee bewegingen plaats: de tweede 'runaway': tussen derde wereld landen onderling en de 're-runaway': het produceren van kleine series modegevoelige kleding dicht bij huis, in (illegale) ateliers of door thuiswerksters.

Als geen ander maakt deze geschiedenis duidelijk dat multinationals gaan en staan waar ze willen, het tast de mythe dat armoede een gegeven is van bepaalde gebieden aan en maakt zichtbaar dat het veroorzaakt wordt, in stand gehouden wordt en dat er van geprofiteerd wordt. Kleding wordt hoofdzakelijk gemaakt door vrouwen, aangeprezen aan vrouwen, verkocht aan vrouwen.

Lage lonen worden voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door de huishoud-ideologie: kleren maken is iets wat je 'erbij' doet (de man is immers kostwinner), en iets wat vrouwen eigenlijk al kunnen. Hoewel het werk als geschoold zou moeten worden geklassificeerd wordt het vrijwel altijd als ongeschoold uitbetaald. Bij een vergelijkbare werksituatie zijn de lonen in een andere produktiesektor (zeg maar in de fabriek ernaast), de lonen aan mannen altijd hoger.

Thuiswerksters kunnen in een volledig rechteloze positie terecht komen omdat noch het produktiewerk, noch hun huishoudelijke werk wordt beschouwd als arbeid dar betaald moet worden. Ook aan de konsumptie-kant wordt ingespeeld op het beeld van de vrouw als werkloos wezen (voortdurend winkelen en als iemand die in eerste instantie mooi, aantrekkelijk en vooral modegevoelig moet zijn). Hoe meer modetrends er gevolgd worden hoe meer er verkocht wordt.

Dat het niet slechts een profiteren van deze (en andere) heersende vrouwonvriendelijke ideologieŽn betreft maar een aktief stimuleren blijkt nog het meest treffend uit de gevallen waarin arbeidsters, zoals bijv. in Hong Kong, uitbetaald kregen in make-up of mode-cursussen. Alweer als geen ander verhaal toont dit de bewuste exploitatie van juist vrouwen aan: je wordt bestempeld tot producente of konsumente, in beide gevallen deels op grond van zg. vrouwspecifieke eigenschappen, al naar gelang het hun uitkomt.

DE KAMPAGNE, DE DOELEN

De kampagne beoogt verbetering van de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden in de konfektie-industrie in de zg. Derde Wereld en hier. Daartoe richt de kampagne zich op konsumenten, de detailhandel, de politiek en de kledingarbeidsters zelf.

Wat betreft konsumenten is het de bedoeling het koopgedrag van de in Nederland wonende konsument te beÔnvloeden door haar/hem bewust te maken van de wereldwijde uitbuiting van m.n. vrouwen die plaatsvindt in de konfektie-industrie (vooral aan de hand van (re) runaway en uitbestedingspraktijkten) en de strijd die hier tegen gevoerd wordt.

Een tweede doel in dit verband is het stimuleren van de verkoop van op verantwoorde wijze -in de zg Derde Wereld of hier- geproduceerde kleding en textiel. Wat betreft de detailhandel wordt deze verantwoordelijk en aansprakelijk gesteld voor de manier waarop de kleding die ze verkoopt in haar opdracht is vervaardigd. Deze verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid strekt zich uit tot alle segmenten van de uitbestedingsketen.

In dit kader wordt gewerkt aan een zg. 'Eerlijk Handels Handvest', waar ze in Engeland al een aardig eindje mee gevorderd zijn. Hier zitten echter nog een hoop haken en ogen aan, waarover later meer. Van de politiek wordt geŽist beslissingen te nemen die in het voordeel zijn van de uiteindelijke producentes van de kledinq. Het gaat hier in eerste instantie vooral om een eisenpakket, wat nog verder uitgewerkt moet worden, t.a.v. wet- en regelgeving zowel binnen Nederland als de EEG. Zaken als minimum-maakprijzen, openheid van bedrijfsvoering, legalisering atelierpersoneel etc. etc.

Textielarbeidsters die strijden voor verbetering van hun arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden (via vakbonden en vrouwenorganisaties) worden gesteund. d.m.v. solidariteits- en financiŽle akties.

TOESPITSING

Het gaat dus in feite om de gehele konfektiesektor. Om een aantal redenen is echter gekozen om de kampagne toe te spitsen op ťťn bedrijf: C&A, en op vier landen: Bangla-Desh, de Filippijnen, India en Nederland.

Er is gekozen voor C&A omdat:

- C&A een zeer grote kledingmultinational is (in Nederland hebben ze het grootste marktaandeel, zo'n 20 %) en het weinig zin heeft om 'kleintjes' aan te vallen aangezien dit in het voordeel kan werken van de 'groten'. C&A is bovendien een belangrijke trendsetter in de kledingbranche.
- Er bij C&A een gebrek aan bedrijfsdemokratie heerst en ze vijandig tegen, over vakbonden staan.
- Er relatief veel uitgezocht is over C&A en er daardoor voldoende informatie beschikbaar is.
- De vrij ingewikkelde problematiek het best is uit te leggen aan de hand van konkrete voorbeelden en het akties vergemakkelijkt.

De keuze voor de vier genoemde landen ligt ongeveer op hetzelfde vlak: de mogelijkheid van konkrete voorbeelden, de beschikking over informatie en kontakt en met vrouwenorganisaties/vakbonden in de textiel. Deze kontakten zijn belangrijk omdat het noch mogelijk noch politiek verantwoord is om op de ene plek te bepalen wat elders een "verbetering van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden" inhoudt. Wat aanvaardbaar is, en dus welke eisen gesteld moeten worden, kan eigenlijk alleen worden bepaald door de arbeidsters.

De eis van arbeidsters op de Filippijnen is bijv. dat de betreffende fabriek zich kon formeert aan de lokale wetgeving. Dit gaat elders weer niet op: lokale wetgeving is daar onaanvaardbaar, ontbreekt of verandert met de dag, niet in het laatst onder pressie van de multinationals. Of ze richten weer eens een speciale zone met een uitzonderingswetje in.

Er bestaat een soort internationale arbeidswetgeving, de zg. ILO (International Labour Office) normen. Het heeft echter niet zoveel zin om deze als eis op tafel te leggen omdat er zo ongeveer geen land, of industrietak te vinden is die zich hier aan houdt. De verschillen tussen de ILO normen en de dagelijkse werkelijkheid zijn, zeker in zg. derde wereld landen, zo groot dat aktievoerende arbeidsters hier met hun eisen doorgaans ver onder zitten.

Hier komen ook de haken en ogen van een handelshandvest weer om de hoek kijken, nog afgezien van het feit dat dit een papier blijft, iets waar in principe onder uit te komen valt. Eisen af laten hangen van lokale vakbonden/vrouwenorganisaties haalt hen ook uit de slachtofferrol en toont aan dat vrouwen in staat zijn om voor haar eigen belangen op te komen en biedt mogelijkheden tot een invulling van het begrip solidariteit.

Deze invulling zal noodzakelijk zijn omdat dit het punt is waarop mensen vooral worden aangesproken: er is geen alternatief, de "rest" van de winkelketens is feitelijk net zo fout. Het streven is, wat betreft de konsumentenkant, dat mensen uit solidariteit met arbeidsters op de Filippijnen, in Bangla-Desh, India of Nederland waarvan bekend is dat ze leveren aan C&A en op wiens omstandigheden C&A invloed uit kan oefenen ergens anders hun boodschappen gaan doen en mogelijk op andere manieren druk uit oefenen op het bedrijf cg de arbeidsters ondersteunen.

KARAKTER EN DEELNEMERSTERS

De kampagne zal vooral een breed karakter hebben. In de initiatiefgroep zitten mensen van SOMO, Filippijnengroep Nederland, Bangla-Desh People's Solidarity Centre, Vrouwengroep Amsterdam, Konsumentenkontakt en de Landelijke Vereniging Wereldwinkels (al dan niet op persoonlijke titel). Verder bestaat er duidelijke belangstelling voor deelname/zijn er kontakten met X-Y, NOVIB, FNV, S.O.S. Wereldhandel, OKIKA (ondersteuningskomitee illegale atelier-arbeiders en de Jonge Socialisten.

Het is de bedoeling dat binnen de uitgangspunten, zoals die boven beschreven staan, verschillende groepen op hun eigen manier gaan werken/aktie voeren, waarbij wel zoveel mogelijk op hetzelfde moment voor hetzelfde thema wordt gekozen. In oktober gaat als het goed is het koŲrdinatiepunt van start, en verschijnt er een aktiekrant. Een van de eerste taken van het koŲrdinatiepunt zal het werven van meer ondersteunende organisaties zijn. Waarschijnlijk zal de eerste tijd gewerkt worden middels een tweemaandelijks overleg tussen vertegenwoordigers van de verschillende deelnemende groepen.

WAAROM NU?

Dit stuk is feitelijk wat vroeg: m.n. over het koŲrdinatiepunt zijn dingen nog niet goed uitgewerkt, en de kampagne moet zoals gezegd pas in oktober van start gaan middels een aktiekrant. Ik schrijf dit stuk echter nu omdat ik het belangrijk vind dat ook uit de 'aktiescene' vrouwen (en andere) groepen een betrokkenheid ontwikkelen bij deze kampagne. Ik geloof dat de uitgangspunten zoals die hierboven beschreven zijn voldoende mogelijkheden bieden om met een eigen invulling qua politieke ideeŽn en manieren van aktie voeren de kampagne te ondersteunen en om samen te werken met andere deelnemende groepen.

Wordt Vervolgd: Een volgende keer meer over de verschillende aandachtslanden en over C&A oftewel het imperium van de familie Brenninkmeyer. Over twee weken in ieder geval alvast een artikeltje over de Britse 'Buy people friendly clothing', een kampagne die zich in de eerste plaats richt op de konsument, die aangemoedigd wordt om aan detaillisten kritische vragen te stellen over de kleding die zij of hij koopt.

 

 

.Terug naar boven